Uit het leven gegrepen, een bundeltje levensverhalen
opgetekend door Kees den Dulk,
Vooraf
Het moet in de loop van de tijd onbewust iets vanzelfsprekends zijn geworden: van wat je gehoord hebt, of leest, of meegemaakt hebt als ervaring op papier zetten. Vaak omdat er iets gevraagd werd in mijn werkomgeving, maar ook bij bijzondere momenten in de sociale omgeving. Misschien ook uit nood geboren: ik wilde niet met mijn mond vol tanden staan, of dingen helemaal vergeten te zeggen, een beetje uit onzekerheid denk ik. Het effect was dan wel dat ik een houvast ging creëren waar ik me geen verzinsels mee kon permitteren.. Het werden van de weeromstuit wel eens tamelijk lange schrifturen, in mijn werk zeker. Mijn medewerkers op het CBS vroegen zich denk ik angstig af welke nota ze ‘s morgens bij binnenkomst op hun werk nu weer van mijn hand op hun tafel zouden vinden. “Hij weet het allemaal mooi te verwoorden, maar begrijpt hij wel voldoende dat wij dat ook allemaal moeten lezen”.. ? Er bleef wat mij betreft in die opgeschreven gedachten toch altijd iets aanwezig van een vergezicht, waar een vergaande uitdaging in verscholen zat. En het tegenargument, waarmee ik dan moest dealen was dan ook vaak: “Dat is heel aardig, maar absoluut onhaalbaar”. Zo leerde ik dat ik moest luisteren en moest ik weer opnieuw woorden voor concretere voorstellingen gaan zoeken. Niet mooier werd mijn werktijd op het CBS in september 1992 dan ook afgesloten met een bundel schitterende verhalen van mijn medewerkers, die zij in de vorm “ dierenfabels” hadden opgeschreven. Even hilarische als zeer herkenbare en waarderende schetsen, ik kan ze nu nog met heel veel smaak lezen. Het op papier zetten van mijn ervaringen ging daarna door, ook in de thuissituatie. Dien overkwam ook de niet aflatende woordenstroom op papier. En ze bleef geduldig. Dat was een zegen, Maar met vallen en opstaan leerde ik het wel het begin van alle wijsheid: eerst luisteren, en horen en kijken en zien naar wat jou treft, voordat je aan de slag gaat.
Ik hoop dat het met deze bundel met een kleine 20 impressies uit mijn leven een beetje gelukt is.
Geluk
Tekst geschreven voor de Column/essay wedstrijd in het kader van het ( landelijk) Thema van de Maand van de geschiedenis+ Geluk, uitgescrhreven door De Limburger ( vermelding bij de prijsuitreiking 29 oktober 2017 in Centre Ceramique door Gouverneur Theo Bovens)
“Dit waren mijn gelukkigste jaren”. Dat waren woorden van mijn moeder.
Zij werd geboren (in 1908) en groeide op in Scheveningen, zij had de naam Petronella Vrolijk, roepnaam Nel. Ze trouwde met haar geliefde Arie den Dulk, beiden stammend uit oerScheveningse geslachten. Het was een zeevissersdorp, eeuwenlang een eigenstandige, hechte samenleving met een bevolking gepekeld door het zout van de zee en de vangst van vis. Ze groeiden op met kerk en calvinisme en luisterden naar verhalen over gevaren op zee of gingen op bezoek bij grootmoeders die met oorijzers en driedubbele rokken de huishoudens bestierden.
Gelukkige jaren, in Scheveningen? Roots blijven in je genen genesteld, maar voor geluk is meer nodig.
Mijn moeder had een onafhankelijke en nieuwsgierige natuur. Ze ontdekte al vroeg dat er meer tussen hemel en aarde was dan het kustdorp waar ze opgroeide. Ze zag dorpsgenoten en familie vertrekken naar andere landsstreken of verre oorden. Dat verleidde haar tot fantasieën over een wijdere wereld. Ze moet gedacht hebben “Blijf niet zitten waar je zit, en zet je roer, hoe recht ook, vooral ook om “. En die kans deed zich voor toen mijn vader, die gekozen had voor een overheidsbetrekking, zijn eerste standplaats in Zuid- Limburg kreeg aangewezen. Ze trouwden in 1934 en trokken van Scheveningen naar …Kerkrade. Dat voelde als een emigratie. De achterblijvers beoordeelden de overstap als een hordeloop met culturele en religieuze hindernissen. Mijn ouders kozen bewust voor een polsstoksprong over de grote rivieren naar Limburg.
De vijf jaren daarna, dát waren “de gelukkigste” van haar leven, zoals ze ons later vertelde. Ze hoorde een ander verhaal dan ze gewend was. Het verhaal van de geschiedenis van de kolenmijnen die al decennialang de wortels van de Zuid-Limburgse cultuur vormden. Ze werd verteld over “koempels”, en de hechte familie- en buurtbanden die daarbij hoorden. Ze leerde de pastoor kennen en zag de processie en de carnavalsoptocht voor de deur langstrekken. Ze moest wennen aan de andere taal, die ze wel niet leerde maar wel ging begrijpen. Ze kreeg een andere vriendenkring zonder familiaire controle, ze kon haar protestantse gedachtengoed in de katholieke omgeving een nieuwe plaats geven. Ik lees het schitterende boek van Marcia Luyten[1] over de geschiedenis van die mijnstreek daarom met meer dan alleen historische belangstelling.
Na vijf jaar werd mijn vader overgeplaatst naar Rotterdam, het gezin ging in 1938 weer naar het Hollandse. En ik – nog net geboren in Kerkrade – ben met mijn gezin 35 jaar later in datzelfde Zuid- Limburg weer neergestreken. Ook wij voelen ons daar nog steeds gelukkig. Wat leert mij dit over “Geluk”? In de eerste plaats ben je “gelukkig” als je – zoals mijn moeder- het zelf ook ervaart en het niet als een tegeltjeswijsheid aan de muur hebt hangen. Daarnaast is er sprake van een zelfgekozen verandering (in haar geval een grote verhuizing). En ten derde komt geluk niet uit de lucht vallen, maar komt voort uit een nieuwsgierige geest. En tenslotte: risico’s moet je durven nemen.
Mijn oergrond

Ik kom binnen door een tuinhekje beneden aan de straat, kijk besmuikt naar links in het kleine voortuintje met grint en de sousterainramen van de onderburen, ik loop de uitgesleten blauwstenen tegels naar boven en trek aan de koperen bel rechts naast de deur. Met grote stappen ga ik door het huis en kom helemaal boven, daar wil ik in mijn herinnering eerst zijn. Voor het kleine raampje in het kleine bijkamertje tilt mijn vader mij in mei 1940 op en meldt mij dat Rotterdam brandt. De donkergele vlammen zie ik nog….
Psychologen beweren dat herinneringen voor het derde levensjaar niet bestaan. Neem mij dit niet af, lieve lezers: Essenlaan 80b in Kralingen bestaat bij de gratie van dat plaatje door een raampje, met een vader die levende geschiedenisles geeft.
Ik loop naar mijn slaapkamer ernaast. Die biedt me de schuilplaats voor de kleine leugen, als je schoolziek wou zijn. Maar alleen mijn moeder weet dat het de grootste straf is om in je halve koortsslaap wakker gehouden te worden door het onvermijdelijke straatorgel “De Goede Herder”. Alleen zij weet de psalmdreun te weren door de authentieke omkooptruc te hanteren: extra centen in het bakje…En
doorslapen kon ik weer. Ik blijf nog even op de bovenverdieping, waar op een tussenkamertje één van de eerste wietplantages in Nederland is aangelegd. Mijn vader wist immers wat de drang naar rookgenot betekende als je in oorlogstijd verstoken was van tabak. Dus werden door bevriende geloofsgenoten tabaksbladeren aangeleverd die op dat kamertje als negerrokjes te drogen weren gehangen. De geur van de pijpen die dan werden gesnoven, is een herinnering die ik niet onder woorden kan brengen. Datzelfde geldt natuurlijk nog meer voor de herinnering van de keuken beneden: dat we van de bloembollen, suikerbieten en metselbrood in de hongerwinter groot zijn geworden, bewijzen we ook vandaag nog. Maar ik herinner mijn moeder die daar als boegbeeld in die keuken ons onbewust de geur van het brouwsel liet opsnuiven zodat we een heel klein beetje high werden. In de huiskamer ontvingen vader en moeder de vriend die het geloof aan Sinterklaas levend hield, de vriendin die mij met haar pianospel, waardoor Chopin door het hele huis klonk, in bed tot kinderlijke ontroering bracht; en ook die mijnheer die klaagde over het feit dat ik zijn dochter voor “schele” had uitgemaakt. Serre en keuken: uitkijk op de achtertuinen. Met de keuken als de strategische plaats waar wij- broers en zussen, onder regie van mijn moeder – de bizarre schuilplaats van mijn vader in die tuinen beneden ons bij een razzia van de Duitse bezetter geheim moesten houden.
Zo kan ik doorgaan, iedere ruimte in dat huis geeft me weer de kick van het verleden. Niet alles wordt opgehelderd, maar dat maakt het juist zo onuitwisbaar. Wat nooit opgehelderd is, heb ik onder woorden gebracht toen we bij de luchtaanval in 1940 met z’n allen op de trap gingen zittenen ik, volgens de overelevering, als 3 -jarige wijsneus uitriep: “Waarom zitten we eitenlijk op de trap?”. Wie het weet mag het zeggen. Daar gaat deze bundel ook over.
Vakantie in oorlogstijd, Halle
En de afdruk van onze in WOII afgelegde voetstappen /-jes in en rond Halle moeten te vinden zijn, al is het alleen door de verhalen. Voor zover ik mij goed herinner zijn wij als gezin, (Vader en moeder, jij Maarten en Nel en ik, Mieke ook maar nog niet geboren in 1944)) daar in de zomer van 1943 en die van 1944 een paar weken op vakantie geweest. En wel bij boer Hilferink, op een grote (graan-) boerderij even buiten Halle. Vader herinnerde mij er later aan dat het aan de Romienendiek was ( of daaromtrent, laat ik niet te precies overkomen). Die loopt van Aalten naar Halle en verder. Het is op Google search pro te vinden. Een adres weet ik helaas niet meer.
Hoe kwamen wij daar? Het moet te maken hebben gehad met het feit dat de tantes met hun vijven (?) daar ook in de buurt waren (het moet inderdaad in 1943 geweest zijn, want toen was oma Neeltje even daarvoor overleden). Ook op een boerderij. En daar waren zij hoogstwaarschijnlijk naartoe omdat in de buurt van Aalten een groot aantal Scheveningers in het half jaar daarvoor geëvacueerd waren in verband met de aanleg van de Duitse verdedigingswerken “Atlantikwall”. Het Dulkengezin had zich om prncipiele redenen niet laten evacueren (met slimme verklaringen – waarvan ik er nog een heb – dat zij, Jo, Jeanne en Nel onmisbaar in het onderwijs waren, een gotspe want er waren nauwelijks nog kinderen in Scheveningen door de evacuatie. Maar contacten hadden de tantes natuurlijk nog wel met de gevacueerde gezinnen rond Aalten en die hadden natuurlijk weer voor vakantieadressen gezorgd. Lees over die evacuatie het van internet geplukte tekstje hieronder (let op de “verzuilde” evacuatiestroom van Gereformeerde en Nederlands Hervormde bevolking!). Er zij nog meer teksten te googelen trouwens.
En zo kwamen wij bij boer Hilferink. Landelijker kon het niet. Na aankomst van de treinreis via Arnhem vanaf het oude Massstation in Rotterdam stond in Varsseveld een paard en grote boerenkar klaar en werden we particulier vervoerd naar Halle (een ov-chipkaart was toen nog niet bekend), De ontvangst was hartelijk, de boerderij maakte indruk op mij. Nel en ik sliepen op een soort hooizolder waar oudere jongens ook met groot lawaai de nacht doorbrachten, jij Maarten zal wel in de buurt van vader en moeder hebben geslapen. Het was altijd zomerweer in mijn verbeelding, we zwierven over de boerderij, maakten wandelingen door de regio, ook op bezoek bij de tantes, en plukten ongelimiteerd bramen, augustus moet het geweest zijn. Ronduit spannend was het als we op het erf naar een grote kippenschuur keken, waar we niet in de buurt mochten komen, ….omdat er Engelse piloten ondergedoken zaten (zo ging het verhaal). Twee kleine trauma’s heb ik opgelopen: een was een incident waarbij ik kennelijk een dwarse kop had en vader mij, achteruitlopend, bijna in een ton met water liet donderen. Een tweede, en dat moet Nel ook nog wel weten: er was bij de boerderij zoals gebruikelijk een “bakhuus”. Dat werd toen gebruikt om met de vakantiegasten (er waren er meer dan wij alleen) te eten. Iedere dag hoorde daar een bord met dikke havermoutpap bij. En boven dat bord zwermden talloze dikke vliegen, waar ik tamelijk onpasselijk van werd, lange tijd heb ik geen pap van die soort kunnen eten. De oude boer Hilferink (ik denk zijn vader) deed dan bij het gebed voor de pap zijn pet af, maar zijn vroomheid bestond er voornamelijk uit dat hij met die pet de vliegen trachtte te meppen en verschillende vielen daar inderdaad dood bij neer. Dit liturgisch ritueel werd ondersteund door het gezamenlijke “Here zegen deze spijze”. Bij die tafelbede komen bij mij tot heden ten dage hele bijzondere gedachten op, dat mag duidelijk zijn.
Zo hadden we eigenlijk buitengewoon boeiende en ook heel gezonde vakanties tijdens de oorlogsdagen. Ik ben er nog twee keer geweest: met vader denk ik ergens in de vijftiger jaren vader was examinator bij een opleiding van iets fiscaals in Doetinchem en we sliepen weer bij boer Hilferink. Een tweede keer ergens in tachtiger/ negentiger jaren met Dien toen we daar in de buurt waren. Maar de boerderij kon ik toen niet meer precies traceren , de landelijke paadjes waren ook te netjes aangelegd/ geasfalteerd, nostalgie verleden tijd dus.
Gevonden tekst op internet:
De inwoners van Scheveningen kregen als eersten te maken met de evacuaties. In juni 1942 moesten de huizen dichtbij het strand en de haven worden ontruimd. Van november 1942 tot februari 1943 volgde de ontruiming van vrijwel het gehele gebied dat de bezetter als militaire vesting had aangemerkt.
In totaal werden in deze fase van de evacuatie zo’n 100.000 mensen verwijderd uit Vesting Scheveningen en op het tracé van de tankgracht. Tussen september 1943 en februari 1944 moest ook het merendeel van de resterende bewoners de Vesting Scheveningen verlaten en werd de totale vesting Clingendael ontruimd.
Naar de Achterhoek
De evacués werden ingedeeld in werkenden en niet-werkenden. Werkenden hadden recht op een woning in Den Haag of omgeving. Mensen die niet economisch waren gebonden, werden elders in het land ondergebracht, zoals in de Achterhoek. Naar Aalten gingen ruim vijfhonderd overwegend gereformeerde Scheveningers, in Winterswijk werden zo’n zeshonderd hervormden gehuisvest.
Remplaçanten
Omdat er in Den Haag niet genoeg vervangende woonruimte voor werkenden was, kwam er ook een evacuatie op gang van niet-werkenden uit wijken buiten de vesting. Dit waren de zogenaamde ‘remplaçanten’ uit wijken als het Benoordenhout, de Archipelbuurt en het Zeeheldenkwartier. Ook zij werden buiten de regio ondergebracht.
Exodus
Het moet juli 1954 geweest zijn, ik was 17 jaar. We woonden na onze Kralingse tijd sinds 1950 aan de Frankenslag; burgerlijke gemeente Den Haag, kerkelijke gemeente (Ned. Hervormd) Scheveningen. Mijn vader had net een studiereis (fiscale administratie) in Amerika achter de rug, mijn zus Nel studeerde ( met bijbaantjes) Engelse taalkunde in Amsterdam, mijn broer Maarten keek kritisch rond op het ’s Gravenhaags Christelijk Gymnasium ( tegenwoordig Zorgvliet). Zus Mieke ging rond met haar poesiealbum en de jongste van ons vijftal – Hannah- leerde ons haar eerste wereldlessen. Mijn moeder bouwde het broodnodige netwerk in familie- , kerk en buurtverband op en liet de boodschappen van “meneer” Albert Heijn en Koppenol thuisbrengen. Foto’s uit die tijd, die ik nog heb, doen me een beetje denken aan de tv-serie “Toen was geluk nog heel gewoon “, maar dan met een Dulkse variant: “Doe niet te gewoon, want daar word je niet altijd gelukkig van”.
Juli 1954 dus. En ikzelf dan? Nou, ik was in ieder geval net gezakt voor mijn eindexamen. “Ga nog maar eens een jaartje de hei op”, bromde Ruiter de Wildt (Scheikunde). “Beetje meer concentratie opbouwen “, snerpte Nannen (Nederlands), “Denk aan de toekomst”,moraliseerde Schokking (Engels). Moeder vond vooral dat je op 17-jarige leeftijd volledig recht had op een herkansing en vader dacht toen misschien al wat hij jaren later tegen me zei: een economiestudie is eigenlijk alleen voor volwassenen. Hij kon het weten want hij studeerde economie op latere leeftijd naast zijn werk.
Nog iets bijzonders aan de hand? Ja, Tante Wijn, oudste zus van mijn vader, was 12 juli doodgegaan en werd uiteraard netjes begraven. Als een Afrikaanse chief – de oudste van de vijf ongehuwde bij elkaar wonende zusters – , omringd door rouwende omes en tantes, nichten en neven, broeders maar vooral zusters; na afloop Scheveningse gospel bij het krank harmonium, bowl en broodjes.
Waarom dit zo uitvoerig vermeld? Omdat de voorzienigheid wilde dat die begrafenis samenviel met het begin van een jongerenkamp in Ommen, waar ik aan deel zou nemen. Dat is in je jeugdig bestaan een hels dilemma. De voorzienigheid dwong mij – nog maar nauwelijks bekomen van het verdriet rond de examenuitslag – te kiezen tussen tante begraven of samen met mijn vriendjes en vriendinnetjes vertrekken om gemengd, in kerkelijk verband, te gaan kamperen.
Of er veel woorden aan zijn vuil gemaakt weet ik niet meer. Ik ben het zelf geweest die heroïsch koos voor én-én: eerst de begrafenisrituelen bijwonen en daarna in mijn eentje op de fiets wegrijden. Dat laatste werd ‘s avonds om een uur of negen, het was nog een heel klein beetje licht, op een Fongers, fatsoenlijke dynamo en handremmen, maar wel al een drietrapsversnelling. Ordentelijke maar volgeladen fietstassen met snel te grijpen regenkleding voor naderend onheil. Het wegrijden, uitgezwaaid door mijn ouders, associeer ik nu achteraf met een soort vrije vlucht uit bezet gebied; familie en school hadden onbewust knellende banden opgeleverd, het zat allemaal niet zo lekker, het lukte allemaal niet echt, en dan voelt zo’n zelfgekozen uittocht als een uitbraak. De Pilgrimfathers als voorbeeld.
Gedreven, dat wel. Voorburg, Zoetermeer, Hazerswoude, Alphen, Woerden, Utrecht, maar dan nog zonder autosnelwegen, de oerduidelijke ANWB bordjes van toen de W nog voor Wielrijdersbond stond. De grote stille heide over de Veluwe midden in de nacht richting Amersfoort. Als ik een kaart van 1840 bekijk (in die honderd jaar is de wegenkaart niet revolutionair veranderd) moet ik daar o.a. over de Galgenberg zijn gefietst, dramatischer kan bijna niet. De jonge god in mij voerde mij evenwel dwars door nacht zonder ontij en ik had iets in mij van “ik sta er achter en ik ga er voor”. Van kerkhof naar kamp, zo’n bizarre titel moet ik vast wel bedacht hebben.
Het eerste ochtendgloren brak door op de Amersfoortse straatweg, tussen Kale Lucht en Keut, als ik de 1840-kaart mag geloven. Daar ontwaarde ik na een dikke acht uur fietsen (doorgaan, doorgaan, haal de gestelde tijdlimiet, niet omkijken, pauzeren is zonde…) een melkboer met paard en wagen die zijn eerste rit begon. Ik kreeg een onstuitbare dorst en vroeg hem om een fles melk. Ik dook ter plekke de berm in en gaf mij over aan het ontwakende landschap en mijn blik dwaalde over de verten. Wat zag ik?… het torentje van Nijkerkerveen, niet te geloven. Daar was ik negen jaar eerder, in 1945/1946, driekwart jaar onderdak geweest bij vrienden van mijn ouders, het gezin van het Hoofd der School met den Bijbel, Jan de Bruin. Op dit vroege tijdstip niet te bezoeken, het Hoofd rustte nog naast den bijbel, vreesde ik.
Waarom, zo heb ik mij toen en daarna aldoor weer afgevraagd, is mij dat tijdelijke verblijf in die heel andere omgeving toch overkomen? Om bij te spijkeren na de hongerwinter in Rotterdam misschien, maar waarom de andere kinderen uit ons gezin dan niet? Was het onderwijs op de dorpsschool in Nijkerkerveen beter? Ik heb niet het idee, met mijn sommetjes en taallesjes was er geen probleem. Een onbewezen reden is blijven hangen: het zat mij en mijn ouders niet zo lekker met dat rusteloze, dat steeds weer wat nieuws najagende waardoor ik een beetje gedreven werd. Dan beklijft er te weinig, dus “Ga maar een jaartje de hei op”, zoals er 9 jaar later ook gezegd zou worden. Nijkerkerveen is misschien gaan werken als een middel, om even stoom af te blazen. Net zoals bij die fietstocht. Wegtrekken om bij te komen. Uren later kwam ik aan in Ommen en werd door de reeds aanwezige kampstaf binnengehaald alsof ik van Mars kwam. Ik kwam evenwel gewoon van de Frankenslag, van tante Wijn, van het ’s Graven-haags Christelijk Gymnasium en ging kamperen. Van het een naar het ander, dat wel. Bleef dat een beetje zitten in me? Wie het weet mag het zeggen.
Zwerven en beklijven
Studententijd was voor mij toch iets wat niet helemaal bij me paste. Het startte in september 1955 aan de Nederlandse Economische Hogeschool ( nu Erasmus Universiteit) in Rotterdam. Ik kwam weer terug in de omgeving waar mijn eerste herinneringen uit 1940 lagen: Kralingen. Vijverlaan 61 – Huize Tannhäuser- tegenwoordig een Rijksmonument. Een laantje vlak naast de Essenlaan. In huis bij mevrouw Dohna en haar moeder. “Noem mij geen hospita”, was haar gebod.
Ik lees nu pas tot mijn lichte verbazing in Wikipedia de korte inhoud van de opera van Wagner : ”Belangrijkste thema is de rebellie van een kunstenaar (Tannhäuser), wiens behoefte zich over te geven aan zinnelijke lust hem in conflict brengt met zijn religieus ingestelde verstand…”. Zo lag het niet helemaal bij mij, maar iets van een dilemma ‘wat doe ik hier eigenlijk’ was er wel , geloof ik.
Het eerste jaar was ik nog geen lid van het studentencorps. Leerde college te lopen, het “op kamer wonen” met geld omgaan , zonder veel gedoe. Kwam in de eerste maand Jaap van Oordt tegen, die ook het eerste jaar zonder verenigingsverband studeerde; onze wegen en die van onze gezinnen later zijn tot nu toe dicht bij elkaar gebleven. In augustus/september 1956 werd ik ontgroend bij het RSC. Het is in de laatste jaren – ook door een paar reunies waaraan ik deelnam- dat ik de betekenis van in een vreemd gezelschap je gaan thuis voelen pas een plaats ben gaan geven. Voor mijn gevoel kon ik er toen niet al te makkelijk mee omgaan. Het kleine en overzichtelijke clubje van vijf ( Jaap, Pieter, Wouter, Gerard en ikzelf) heeft me het verband van vrienden in de loop van de jaren leren leggen.
Ik ga hier niet alle geneugten, lusten , teleurstellende studieprestaties dan wel religieuze uitspattingen bloot leggen. Het gaat in deze levensverhalen om momenten die ik wil blijven koesteren. En dat is hier er een die wel in dat kader van een beginnend studentenleven past, Daarom dat kader hierboven.
Het was het slot van een eerste grote lustrumfeest van het RSC, dat ik meemaakte, januari
1957. Rok- kostuum gehuurd, lustrumdame aan de arm, swingen op de tonen van het Dutch Swing College in de Ahoy-hal.We zingen: “Witteveen, Witteveen, helpt ons door de crisis heen”. Een apart gevoel over je bevoorrechte positie/ wel of niet in de maatschappij staand komt boven. Met de taxi naar huis in de nacht. Met lustrumdame. Wie was dat eigenlijk? Het ging toen en gaat nu nog steeds om Dien Visser ( ook 1937) . Ze kwam ook in `Tannhäuser “op kamers in september 1956. We vormden daar al snel met 4 inwonenden een bijzonder bondje, los van het studentenleven, mét uiterst creatieve ingevingen om heel veel plezier te maken. Er hoorde al snel een vijfde bij: Wiek , de broer van Dien, die verliefd raakte op een van de inwonenden, Margreet. Met wie hij later huwde. Geliefde zwager later, veel te vroeg overleden in 1993. Ikzelf raakte toch wat meer verstrikt in het studentenpatroon en verhuisde naar de stad . Misschien… omdat ik het niet kon weerstaan Dien te beschouwen als iemand waar ik graag bij wou horen. En dan kon je – raar idee in 2015- maar beter niet in hetzelfde huis blijven wonen. Om een paar maanden later een lustrumdame te moeten kiezen is dan niet zo moeilijk. Vandaar. Maar een verband was er nog niet echt.
De taxi reed weg, wij in Tannhäuser naar binnen om afscheid te nemen en het beeld van Dien : ze zat op de trap naar boven en ik dacht: “ waarom zit zij hier op die trap? “
Het afscheid was tegelijk een antwoord op die vraag van mij. En zo is het gekomen. We zijn een paar jaar later, in 1961 samen gaan wonen ( netjes getrouwd in Waalre, waar Dien’s ouders woonden) ) in den Haag. Je moet kennelijk op de trap gaan zitten om een ander veilig onderkomen met elkaar te vinden.
Het met elkaar wonen in eenzelfde huis en een tijd later ook weer kiezen voor een andere woonomgeving , is ons leven lang zonder enige planning een patroon geworden. Een gezin vormen, hechten en onthechten, vriendschappen vinden, afscheid nemen en je vrienden niet verliezen. Kinderen in een warm nest, een empty nest ontdekken als plek voor een gastvrije volle tafel als dat zo uitkomt. Frankenslag, Frederik van Eedenlaan, Rijnenburg, Kerkstraat, Sint Bernardusstraat, Gasthuis/ Wofshuis, Prins Bernardlaan, Populierendreef, Laan van Meerdervoort , terug naar Gasthuis/Wolfshuis, Oranjeplein, Hoogzwanenstraat, en nu Op de Rijsecamp. Van het Rotterdamse naar het Haagse, via het Leidse naar het Zuid-Limburgse , weer een paar jaar terug naar het Haagse en tenslotte weer terug in het Zuid-Limburgse.
Dien, lieve Dien, met jou is het in Tannhäuser begonnen. Misschien was de opera – met iets andere woorden- toch een beetje voorspellend : soms was ik wel eens met teveel geconditioneerd gedrag gedreven en bracht ik met mijn religieuze verstand jou in verwarring. Maar met jou is er altijd – hoe paradoxaal dat ook klinkt- een vaste grond onder onze voeten gebleven. …..Want Kees en Dien zul je steeds samen zien…..
Geboortegrond
Driemaal maakte ik het mee: een geboorte. Beter gezegd: Dien deelde met mij de geboorte van onze kinderen. Wat zij daarbij beleefde kan ik niet in woorden uitdrukken. Dat is haar eigen “levens” verhaal. Ik laat het bij impressies van mijzelf.
5 maart 1962, ’s middags om een uur of vijf. We hadden het verstandig gevonden om in de statige Kraamkliniek aan de Parkweg , niet ver van onze (in-) woning aan de Frankenslag de bevalling te laten plaats vinden. De adressen op de envelopjes van de, uiteraard nog niet gedrukte geboortekaartjes, hadden we al wel geschreven. Dat scheelde werk in alle hectiek die we voor ons zagen. En op maandag 5 maart lopen we , aangespoord door de weeën, naar de kliniek en worden hartelijk ontvangen. De uren daarna vormen de primeur van ons leven. Dien die alles onder controle heeft over het onbekende en ikzelf die met het bekende washandje de minimale assistentie probeer te verlenen. Een vrouwelijke arts die onder haar professionele handen het wonder laat gebeuren: een zoon. Alles erop en eraan! Een diepe zucht en gezamenlijke emotie. Zoon in handen van de moeder vormt voor mij het beeld van hoop. Als alles na een tijdje volgens het protocol van de bevallingskunst door het verplegend personeel is afgerond, vertrek ik en laat Dien in rust achter. Als ik beneden in de hal van de kliniek loop , hoor ik twee vrouwen de trap afkomen en zie dat een ervan de behandelend arts is. En ik hoor haar tegen de ander zeggen “ Zo’n geweldige bevalling heb ik nog niet meegemaakt ”. En dat betekent voor mij dat ik me beretrots voel op dit moment. Als ik thuis kom bel ik de drukker van de geboortekaartjes en geef de naam door : Maarten Wiekert.
30 januari 1964, begin van de avond, De tweede in ons leven kondigt zich aan en ik breng volgens afspraak Maarten Wiekert ( bijna 3 jaar) naar onze bovenburen in de flat aan de Frederik van Eedenlaan in Leiden-Zuid West, Tom en Tiny Spreij. Er is iets meer gedoe in huis, het loopt anders dan in een kraamkliniek. Alles wat meer in eigen hand en in eigen omgeving.
Dat heeft onze voorkeur nu en de huisarts, bijna achterbuurman, had ook geen enkel risico aangegeven. De kraamverpleegster is inmiddels binnengekomen en inspecteert nog eens of alles op z’n plaats is en aanwezig is. De achterkamer van de flat hadden we , vanwege de betere ruimte dan onze slaapkamer . ingericht als kraamkamer. Dien ziet het aan met de rust die haar kenmerkt en gaat op advies van zuster maar vast liggen. Als de dokter arriveert, voel ik het vertrouwen groeien dat het allemaal goed gaat. Op één ding na: het alarmbelletje tussen het kraambed en mijn eigen slaapplaats in de slaapkamer. Mobieltjes bestonden toen nog niet en ik had gedacht dit met een draadje, een batterijtje en een belletje te kunnen oplossen. Tot mijn ergernis was dat niet gelukt; de merkwaardigheid deed zich nl voor dat het belletje aldoor de ringtoon liet horen en pas ophield als je op het knopje drukte. Dat moest natuurlijk precies andersom maar dat kreeg ik tot mijn frustratie maar niet voor elkaar in de dagen voor de bevalling. Terloops meld ik dat aan de huisarts toen hij bij het bed stond . Dat was aan geen dovemansoren gezegd, hij was technisch geïnteresseerd en onderlegd. Hij vraagt waar de verbinding precies is en op mijn aanwijzing duiken we allebei onder het (verhoogde) kraambed. Hij begint vakkundig de verbindingen te bekijken. Vraagt mij om gereedschap aan te slepen en hij weet na enige tijd het belletje op de goede manier te laten functioneren. Samen nog steeds onder het bed gekropen, wordt er ineens dwingend door kraamzuster bevolen: ‘Onder het bed uitkomen, de bevalling begint !”Dien houdt zich kranig, het wonder mag ik voor de tweede keer meemaken. We zijn verbonden en dit keer met Lysbeth, een dochter.
17 augustus 1966, ‘s morgens vroeg. De flat aan de Frederik van Eedenlaan vormt weer het decor van een bevalling in ons bestaan. Het gezinnetje is inmiddels gezin aan het worden. Ritmes van ‘s nachts eruit voor kinderen, opstaan, vroeg naar kantoor vertrekken en werk naar huis meenemen (Kees), het bedrijf thuis intensief laten groeien en bloeien ( Dien), een eerste auto – Deux Cheveaux- voor de deur. Daar hoort een derde kind als mooie afsluiting bij, dat is onze onuitgesproken gedachte.
We weten ook langzamerhand wat een feestje voor kinderen betekent. . Kinderverjaardag bij ons of bij anderen, Sinterklaas spelen , eieren zoeken in de duinen. Met ons vehikel verder weg aar verjaardagen van oma en opa in Aalst of den Haag., Maar het grootste feest moet nog komen. Dat is aan het kraambed in 1966, weer in de achterkamer en met een goed werkend belletje. Dokter komt., verpleegster nog even eerder. Een pracht van een dochter wordt door Dien op onze wereld gezet. En weer ben ik beretrots. Maar dokter vraagt nog even mijn hulp , alsof hij een tegenprestatie wilde voor zijn hulp bij de vorige bevalling. “Heb je gauw iets waar de nageboorte in kan opgevangen worden?’”Maar natuurlijk”, ik duik de keukenkast in en kom terug met iets waar hij en de verpleegster met grote verbazing naar kijken: de chique glazen schaal die we voor speciale eetgelegenheden gebruiken ( en die we nog hebben trouwens ) . En zo begint het als een kinder-feest : de mooiste schaal wordt op tafel gezet. En alsof ik het niet op kan van vreugde: ik haal gauw Maarten Wiekert (5) en Lysbeth (2) erbij en maak een kringetje met ze en we dansen, zingend:”We hebben een zusje, we hebben een zusje !“. Caroline maakt ons feest compleet.
Grond- verzet van Dien
Een huis aan de Ijsseldijk 276, Krimpen aan de Ijssel. Doktershuis, een foto rond 2000, en de foto uit het begin en met herinneringen uit de periode 1937-19En dan sta je met Kees en de kinderen en aanhang op die dijk, naar je geboortegrond te kijken. Het is 1991, we zijn dertig jaar getrouwd. Een nostalgische toer in een chic busje; ik haal alvast de picknickmand uit de auto om op de glooiing van de dijk te gaan genieten en praten over toen. “Kijk, daarboven, daar was mijn slaapkamer, en beneden was het prakrijk,en het koetshuis van de dokter links…”
“Wat moet dat daar, kijken naar ons huis? “, een snibbig mens meent zich met ons plezier te moeten bemoeien. “Nou, ik vertel aan mijn kinderen over het huis waar ik geborren ben”. “Geboren? U hier ?, dat kan helemaal niet!

Zo denkt dat mens, zonder ook maar enig gevoel voor levende geschiedenis, mijn grond weg te moeten zetten. Mooi niet, ik ga de discussie niet aan en ga op een andere plaats verder vertellen. Het werd een mooie dag.
En in de loop van de jaren komen er steeds meer verhalen naar boven. Ik verzet mijn oergrond naar de huidige tijd. Hoe kijk ik ertegenaan? Het was een jeugd met een huis steeds gevuld met mensen. Ouders Aart Visser en Willemien Herweijer en Wiek in de eerste plaats. Een gezin dat er altijd was, met sterke interesse voor elkaar maar waar je eigen wegen mocht kiezen.( Ik rij ‘s morgens na het pontje van Piet van Vliet over de Ijssel via de Gravenweg naar Kralingen, Wiek via de andere route ( ?). En in huis ‘s middags is er Cor Droog, de inwonende werkster, ongetrouwde schippersdochter, die voor mij een tweede moederrol vervulde. Beelden van wapperende lakens en matenkloppers in de tuin bij de grote voorjaarsschoonmaak. De huiskip die de warmte van het originele vooroorlogse radiotoestel opzocht ( o ja, dat was het toestel dat in de oorlog opgeborgen werd in een kelderkast om de Radio-Oranje geluiden toch te kunnen opvangen. En op Zaterdagavond vaste bevolking met tante Koos en “Mijnheer “Otto”en Otto en Bep Pannevis. Grote lol, in de oorlog was er uit de apotheek van vader nog altijd wat jenever te halen, na de oorlog jarenlang dé avond van de week .
De oorlog bracht nog meer mensen in huis; Va bemiddelde met instanties om kinderen uit het dorp in de hongerwinter bij ons te laten mee-eten. De tafel was altijd groot genoeg. En het dorp zelf huisvestte (in de lagere school) een tijdje een groep Zeeuwen van Walcheren waar in 1944 de Duitsers het eiland onbewoonbaar maakten door het onder water te zetten. Bijkomend gevolg: ik kon/hoefde die tijd niet naar school!
De familie wist het huis ook te vinden, Opa en Oma, tantes en ooms, neven en nichten. Zo bleef een geschiedenis in de familie, waar ik nog steeds bij reünies op kan terugvallen.). En andersom leerde ik weer andere huizen door logeerpartijen kennen. Ik noem Boskoop0, de grote tuinderij van oom Adriaan en tante Jaan Koster- Herweijer. Een huis en tuin die onderdak boden in diezelfde oorlog aan neef Dik, die zich even schuil moesten houden voor die bizarre razziarage van de bezetters. Een heuse boekenkist om te ontsnappen á la Hugo de Groot is er nog aan te pas gekomen.
Mensen in ons huis waren ook de bezoekers van mijn vader als huisarts. De spreekkamer was er niet voor ons, dat moesten we wel accepteren. Maar in de apotheek kwamen we wel en later hielp k mijn moeder met het minutieus klaarmaken van de recepten in die speciale receptenpapiertjes en- doosjes. Nergens meer te zien nu. En de onafscheidelijke apotheekhulp Jantje, de “flessenjongen” met de fiets met de grote voorraad mand. Voor hem was geen TomTom nodig, hij kende het hele dorp van huis tot huis. Hij werkte ook in huis mee voor al die mensen: schilde de aardappelen mee zittend op de hooikist in de keuken.
Voor mij heldere beelden, die ik nooit zal wegzetten: het huis, de oprit ( de “hol”) naar de dijk, de dijk zelf, waar mam ons overheen meetroonde ( een beetje gênant voor ons gevoel) op 5 mei gebruikte om een bevrijdingsoptocht te gaan vormen., de Ijssel die een bevroor en waar Va langzaam in weggleed met z’n auto…. Het huis van Metta van der Wal (Zondags werd mijn fiets daar stilzwijgend achterom weggezet voor de religieuze broodnodige rust…).
Dierbare grond die ik hier omwoel, waar geen onkruid tegen opgewassen bleek te zijn. Ik voel de warmte van mijn jeugdgeschiedenis.
Verse grond
We stapten op in augustus 1973 en verhuisden van Leiderdorp naar Cadier en Keer ( Zd- Limburg) , met de auto 223 km. Mijn rusteloze gedrag – “ik wil niet als statistiekman met pensioen gaan’- was door Dien in goede banen geleid. Ze had werkplekken in Maastricht voor mij én voor haarzelf gespot, wat met succesvolle sollicitaties werd beloond. Een authentiek huis in de dorpskern van een Limburgs dorp als behuizing, , RK basisschool als keuze voor de 3 kinderen ( Dien: “ houd de kinderen in hun nieuwe omgeving van dat dorp, niet exclusief van en naar Maastricht laten pendelen”).
De uitdrukking “in een nieuwe omgeving aarden” begrijp ik nu steeds beter. Je moet vertrouwd raken met de aarde waarin je opnieuw geplant bent . Dat had ik overigens al eerder bewust meegemaakt. Het liefdesavontuur met Dien in de eind vijftiger jaren bracht me in de sfeer van haar ouderlijk gezin, haar ouders en haar broer Wiek. En dat was grond waaraan ik toen moest wennen: liberaliteit, open deuren naar de hele wereld, en heel aards: een auto, vakanties in het buitenland, kaartspelletjes met stuivers ( “: kluten” ) als winsteenheid, praten over politiek, beurs en aandelen. Vader en moeder Visser allebei uit boerengezinnen afkomstig. Allemaal andere kost dan in het van oorsprong orthodoxe haringvissers-klimaat van de Dulken. Niet dat ik ook maar iets van een traumatisch jeugdbeeld heb, maar het een was nu eenmaal anders dan het ander. En aarden kon ik, omdat het een vertrouwde omgeving werd, waar ik het gevoel had er helemaal bij te horen. Vader Visser nam mij serieus toen hij in de maanden voor het huwelijk, van mij wilde weten hoe ik mijn religieuze bagage liet meewegen in de gang van zaken van het samenleven met zijn dochter. Zoiets van :”Hoeveel Abraham zit er eigenlijk in jou” Zo leerde je daarover na te denken en een nieuwe grond onder je voeten te krijgen.
Met die ervaring kon het ook niet erg mis gaan bij onze stap, jaren later, naar het Zuiden. Ook daar wennen, met daarbij een andere cultuur eigen maken, dialect “proeven en leren” via werk en carnavalsliedjes. Maar het vertrouwd raken, aarden, heeft , achteraf gezien, toch wel een klein beetje meer investering gekost dan wat we daarvoor hadden meegemaakt. Je wilt het niet, maar je kan niet altijd het gevoel van je afzetten dat je hier op bezoek bent bij (goede) buren. “We horen dat jullie hier niet vandaan komen”. Vlaai en een koffie zorgen er dan wel voor dat je weet dat jij in een goede buurt woont.
De vraag van vader Visser over de religieuze bagage herhaalde zich hier in zuiden . En nu met een andere lading; niet zozeer “Hoezo Abraham ? “ , dan wel “Hoe gaat Abraham met Maria om ?”.
Protestanten samen met Rooms-Katholieken. Je kan er bibliotheken over vol krijgen. In de zeventiger jaren nog een vraag voor velen. Nu (2015) houden nog maar kleine groepen zich er mee bezig.
Maar wij , Dien en ik? Hoe gaan wij met die vraag om? Het is als met “aarden”, Je moet er vertrouwd mee raken. En ik heb het idee dat we daar, met vallen en opstaan, in geslaagd zijn. Het scherpt je in je geloofsbeleving : soms voel je je niet uitgenodigd bij de buren en is de eucharistie een ritueel dat afstand schept; dan weer voel je dat de buren bij jou graag over de vloer komen en is er een wondermooi oecumenisch tafelgesprek ( met vlaai en koffie toe). Tegelijk hebben wij samen het vrije (liberale) denken kunnen behouden en proberen wij zo het (oude) woord en daad in het (geloofs-) leven gestalte te geven. Dat voelt als goede grond.
Valpartij
Ik ben één van de partijen in een gezin. Een partner- en vaderrol wordt gelukkig niet ( meer) bepaald door patriarchale verhoudingen. Maar dat leer je met vallen en opstaan. Een van mijn valpartijen deed zich voor aan de eettafel in Cadier en Keer. ik denk omstreeks 1975.Je moet weten dat ik – althans toen zeker – intens kon genieten van een stuk gebraden vlees op mijn bord. Dien wist als geen ander dit klaar te maken en voor mij op te schotelen. Ik voelde me “heer des huizes” als ik naar dat schilderijtje op mijn bord keek. Dat was een patriarchaal gevoel, dat herinner ik mij eigenlijk als zodanig. En zo was het toen die avond. Allerlei gesprekken en impressies van hun belevenissen vlogen over en weer tussen de opgroeiende kinderen en wij als ouders. De echte aandacht ging echter bij mij – en dat is de eerste misser- niet naar hun verhalen, maar naar mijn bevoorrecht geachte positie achter mijn eetbord. Met het bestek in de aanslag zette ik mij in gedachten aan de smulpartij. En… daar komt nog bij dat ik een gewoonte had om de gerechten op mijn bord heel secuur, een voor een te verorberen, waarbij ik zelf een volgorde aanbracht in te bereiken genot: dus het lekkerste voor het laatst bewaren. En bij een maaltijd met vlees was dat steevast het karbonaadje, tartaar, biefstuk of wat er allemaal niet door Dien was gekokkereld. De maaltijd verliep in redelijke rust, totdat Dien mijn aandacht vroeg voor iets buiten het tafereel; precies weet ik het niet meer , ik iets om naar buiten te kijken denk ik En zelf stond ze even op met de kinderen om met elkaar iets uit de keuken te halen. Ikzelf vond het een prachtgelegenheid om op dat moment van stilte aan tafel te beginnen aan het lekkerste voor het laatst; het stuk vlees. Mijn vork prikte ik gedachteloos waar ik zou gaan snijden ( kleine reepjes, niet te snel, lang genieten….). Maar hoe merkwaardig: mijn vork en mes vonden niets meer op mijn bord, dat er troosteloos leeg bij lag. De kinderen en Dien stonden om een hoekje van de keuken af te wachten welk resultaat hun zorgvuldig maar spontaan uitgevoerde verdwijntruc zou opleveren. En daar botste – mijn tweede misser – het vermeende gezagsgevoel met een gevoel voor humor waar je vrouw en kinderen mij op mochten aanspreken. Neen, ik werd pissig en kon de lol er niet direct van inzien. Het was een les, ik zal het nooit vergeten. De Sinterklaassurprise was al gecreëerd, en daar heb ik de lol van ingezien. En zo ga je vrolijk verder en leer je steeds weer bij. Dat hebben Maarten Wiekert, Lysbeth , Caroline en Dien mij gelukkig voorgehouden: het lekkerste voor het laatst, maar wel samen!
Vallen en opstaan
In 1985 speelde een tussenwervelschijfje parten, wat tot een hernia leidde. Maar voordat dat duidelijk was ging er een vakantie in Spanje aan vooraf. Met Maarten en Joli, Paul en Caroline togen we naar het landhuis La Fingua, van de ouders van Paul ( Gerard en An Schuttenbelt) in Xavea , Het uiterste oostelijke puntje aan de kust van Spanje , vlak bij Denia. Onder de Spaanse zon verenigd, werd mijn mobiliteit door een opvallend snel verval van kracht in mijn linkerbeen zeer beperkt. Een Spaanse lokale arts – met de veelzeggende naam Jezus- wist er niet direct een naam aan te geven en plantte iedere twee dagen een injectienaald in mijn bil om wat vooruit te kunnen en pijn te verzachten. In de tussentijd had ik gelegenheid om een eigen theorie te ontwikkelen voor mijn fysieke handicap en meldde dat aan de Duitssprekende arts: ik had enige tijd “hervor” bij kluswerk in de tuin een “pältchen” met teveel krachtgebruik uit de grond willen trekken. Dien en de kinderen luisterden verbijsterd naar deze medische wartaal. De arts bleef welwillend door injecteren. Maar wat mij van die weken altijd bij zal blijven is het dagelijkse transport. Van slaapkamer naar beneden, van het huis naar het bijbehorende zwembad buiten, of met de auto naar de arts : in de armen hangend van Dien en/of de kinderen, hinkelend als een manke kraai. Zonder hun ondersteuning was dit vakantieverblijf een ramp geworden en had ik geen grond onder de voeten gehad, En terug in Nederland, toen de diagnose helder werd, was Dien , die mij begeleidde naar het ziekenhuis, vele malen heen en weer.
Vele jaren later moest het weer gebeuren: een wandeltochtje met de Probusgroep in 2010 verliep verkeerd. Het was nog winter, het had gesneeuwd en gevroren. De paden rond
Wijnandsrade lagen er krakend vers bij. Wandelen met Probus betekent ook: vooral niet kijken waar je loopt, maar wereld hervormend lullen met elkaar; en daar ben ik ijzersterk in. Jan Wienk kan er over mee praten. Dus een uitglijer lag op de loer, ik lag met een harde klap op de grond. Veel behulpzame handen trokken mij op en de bezorgde wandelgenoten hadden mij bijna op de rug verder meegevoerd, want voor auto’s was de plek niet bereikbaar. Ik meende niets te moeten voelen dan wat te harden pijn. Het bleek na 5 km . doorlopen toch wat te overmoedig. De breuk in mijn voet/onderbeen was door de hoge wandelschoenen verhuld. Bij thuiskomst werd ik door Dien en schoonzoon Maarten via de huisarts naar het AZM vervoerd . Ook nu waren – net als in Spanje indertijd- hun armen de steunen bij uitstek. En Dien verzorgde mij de 6 weken daarna met rolstoel en bed in de woonkamer hartverwarmend. Een merkwaardig incident in deze reeks “ongevalletjes” deed zich in augustus 2015 voor tijdens onze jaarlijkse oppas op de boerderij in Ijzeren. Het voederen van varkens en pluimvee ging ons redelijk goed af, een enkel uit de omheining los gewurmd biggetje daargelaten. De nachtelijke slaap heeft me kennelijk een keer teveel onrust bezorgd. Een droom gaf me signalen dat mij een glijpartij ( waar vanaf??) overkwam, de harde realiteit was dat ik uit mijn bed gleed en met een bons op mijn rechterschouder op de grond neerkwam. Geklemd tussen bed en klerenkast was het daarna alleen dien die mij midden in de nacht ophoog kon hijsen. Dat lukte mij alleen aan geen kant. Pas de volgende ochtend hebben we, in meer wakkere staat het beeld wat helder kunnen krijgen.
Wat leert mij dit alles? Val nooit alleen, probeer je rug nooit in je eentje recht te houden. De handen van de ander zijn goud waard..
Eerste stappen zetten
In juli/augustus 1993 schreef ik:
Vroeger en dan praat ik over jeugd tot vroeg volwassenheid – had ik voor mijzelf het idee dat ik zeer vaste geloofswaarheden om me heen zag en daar makkelijk mee overweg kon. Er was een grote wereld met wereldse uitingen van macht, pleziertjes, etc. maar waar je niet aan hoefde mee te doen; want als je met mensen van je geloof goed overweg kon dan had je een veilige wereld om je heen (en christelijke lol). Ik had het voordeel dat ik aardig snel de weetjes en eigenwijsheden van die geloofswereld onder de knie kreeg en er invloed mee kon uitoefenen op mijn omgeving (dominees etc. kon ik vrij eenvoudig aanspreken op geloofswaarheden).
Daar is toch niet alles mee gezegd uit die tijd. In de eerste plaats bleek bij mijn keuze om belijdenis te doen op het laatste moment dat ik toch heel wat onzekerheid had over de GODfiguur- („wat heeft die nu eigenlijk met het gewone leven te maken“) en liet ik op nogal emotionele wijze niet zomaar in m’n geloofskeuken meekijken. Zo vond ik op de avond voor mijn belijdenisdienst ineens dat mijn ouders er niets mee van doen hadden, en weigerde ik hen met de dienst mee te laten doen, wat toch uiteindelijk toch gewoon is doorgegaan. Een beetje behoorlijke twijfel dus toch.
In de tweede plaats was daar Dien. Zomaar in m’ n veilige christenwereldje gekomen. Bleef zich zelf, maar ging pal naast me staan in het leven. En ging op eigen kracht de geloofsweg op. Later heb ik mij daarover geschaamd; dat ik zo weinig ook in haar eigen wereld – die van eenvoud des harten (dat vind ik de basis van de fam. Visser)- heb willen staan en mijn eigen normen en waarden eens opzij zou zetten. Maar toch heeft die ervaring mij ten diepste geleid naar een misschien wel aan twijfel onderhevige, maar voor mij steeds wezenlijker wereld- en geloofsbeeld. Tenminste zo kijk ik er achteraf op terug.
Dat beeld is daarna achter me aan blijven lopen. Geloof als wisselende zekerheid, als Dulk niet genoeg kunnen krijgen (consumptief ingesteld als de Dulken zijn ) maar tegelijk ook steeds weer met scha en schande ontdekkend dat eenvoud en beperkingen waardevoller bijdragen zijn in je bestaan.
Dat ervoer ik vooral in de fase vanaf 1961: de periode van trouwen, gezinsvorming, het trekken van huis tot huis en van streek naar streek, onze werkplekken, Dien die alles tegelijk deed, onze sociale en maatschappelijke en kerkelijke activiteiten, de uitbundige en creatieve vakanties met z’ n allen, enz..,enz. Tenslotte elkaar vindend in het empty nest zo rond 1984 in Bemelen; en als uitsmijter de halve terugkeer naar het Westen.
Het zal in die tijd zijn geweest dat ik wat losser en met minder overtuiging ben gaan leven. Tijd waarin ik van mijn werk irritaties en wantrouwen mee naar huis bracht, waar klachtjes (begonnen in Bemelen met hernia) en klachten veel onzekerheid en vooral ook Dien ’s aandacht vroegen. Waar vastigheden als familie (door overlijden van eerst vader Visser, vader den Dulk, en toen mam), vrienden, gezondheid van Dien, kerk en geloofsleven, gelukkige omstandigheden voor kinderen, goede omgang met vrienden flinke deuken opliepen. Waar werk ineens een relatief begrip werd. En plannen werden ontworpen om ons leven anders in te richten (weer terug naar Bemelen, maar met andere invulling van activiteiten) , maar niet altijd goed van de grond kwamen.
En dan, in 1993, schudt de grond onder mijn voeten en worden op heftige wijze de fundamenten nog eens genadelozer aangetast. Degene die van Dien nog over was uit haar ouderdijk nest, Wiek, wordt aangevallen door een ongeneeslijke kanker. En hij is nota bene voor mij de mens die me de eenvoud van leven aangaf: om de ingewikkeldheden van mijn bestaan en mijn geloofsleven te kunnen relativeren.
Het is na zo’n ontboezeming te gemakkelijk om maar weer te zeggen dat ik toch vastgehouden wordt, of troost kan putten uit… Neen, ik heb de laatste tijd veel meer het idee vragen van leven en dood praktischer te kunnen beschouwen. Dien pakt in alle verdriet de draad op, doet met Margreet voor Wiek de echte dingen die in zo’n laatste levenstijd hulp bieden, onze kinderen zijn er dicht bij en daar kan ik nu werkelijk heel gelukkig mee zijn omdat we ook over de ergste dingen concreet met elkaar kunnen spreken.
Ook met wat ik in de bijbel lees kan ik nu wat anders omgaan. Dat heb ik in deze dagen heel sterk gevoeld bij het lezen van psalm 23.
De tekst ervan lijkt in eerste instantie de gemakkelijke weg te kiezen: mij ontbreekt (toch) niets, neerliggen aan grazige weiden, ik vrees geen kwaad….een deken die lekker warm over je heen ligt, je wordt buiten de boze buitenwereld gehouden. En tegelijk ook een psalm die de sfeer van de zondagsschool van vroeger oproept: „ De Heer is mijn Hèèèrder, ‘k heb al wat mij lust.“ Een DuIk kan zich daar rustig bij neervlijen en de dis (waar later in de psalm sprake van is) zich goed laten smaken.
Ik probeer nu anders tegen die tekst aan te kijken: In ieder geval geen grote geloofswaarheden verpakt in meeslepende taal en theologische beschouwingen. Gewoon: áls er een herder is, is dat de heer; áls er iemand is die mij in grazige weiden doet neerliggen of aan rustige wateren voert of mijn ziel verkwikt dan is hij dat; als er iemand is die mi j in de rechte sporen leidt doet hij dat. Met andere woorden: niet iemand anders, maar ook: met niemand anders. Ik verleg de klemtoon : De heer is mijn herder, en niet: de heer is mijn herder . Dat maakt het voor mij wat helderder, vind ik. Maar ben me tegelijk er van bewust dat het een hele klus is om die woorden in je dagelijkse leven handen en voeten te geven. En het wordt moeilijker voor me als er verderop in die tekst staat dat hij tot staf en steun is in de tijd van diepe duisternis. Dan ben ik er toch weer niet helemaal klaar mee. Ik lees daar in dat er dus eerst diepe duisternis moet zijn en dan komt daarna vertroosting. het waarom van die diepe duisternis blijft onbeantwoord. En mijn vraag naar de diepste betekenis van God daarmee ook.
Een licht in die duisternis wordt me gegeven in de tekst: „Gij richt voor mij een dis aan voor de ogen die mij benauwen; gij zalft mijn hoofd met olie, mijn beker vloeit over..“ Dat zijn praktische aanduidingen. En dan ga ik de rol die wij zelf hierin hebben op het netvlies te krijgen. Zo probeer ik het beter te verstaan : iemand in jouw omgeving staat met zijn of haar rug tegen de muur, is in de penarie, vecht tegen de dood en voor het leven, en dan kan jij in die feitelijke situatie voor hem of haar iets neerzetten dat als een maaltijd smaakt, woorden spreken die als balsemolie aanvoelen, drinken aanbieden dat overvloedig overkomt. En dat kan jou in zo’n situatie ook overkomen. God werkt door mensen heen , het is geen tovenaar die op een toneel in z’n eentje wondertjes verricht voor publiek dat in de duisternis van een donkere zaal zitten. En dan wordt de figuur van Jezus ook heel scherp. Die was zo’n mens door wie God werkte en ons voordeed hoe je dat tegen alle beter weten en met alle vijanden om je heen kan blijven doen. Luister heel goed naar hem, dat helpt.
En mijn geloofsleven? : dat krijgt hierdoor wat meer grond onder mijn voeten. ook nu, in die diepe duisternis van Wiek ’s leven kan je proberen eenvoudige dingen te doen (zoals hij zelf ook altijd doet), een beetje de rustige omgeving en disgenoot vormen, zonder je ogen te sluiten voor de onrechtvaardige aanval door onzichtbare vijanden.
De psalm eindigt met: „Ik keer terug in het huis van de Heer tot in lengte van dagen:. Ik erken dat dat huis mij de laatste jaren wat unheimisch was geworden. Ik geloof er weer in.
Tsunami (een brief aan Dien)
Liefste,
Deze week is het wereldnieuws het nieuws van gruwel geweest. En het zal nog niet over zijn. Samen zien en horen we meer dan we kunnen bevatten. Het gaat om mensen, miljoenen mensen die bedoeld zijn om te leven in vrede. En die mensen leven -en tallozen van hen stierven – zonder enige menselijke aanleiding in een gruwel. Kinderen en vrouwen, ouderen en armen waren weer de kwetsbaarste groepen. Mensen, ook de mensen die zoeken naar wie ze missen, lijden onnoemelijke pijn.
O, ja, in de geschiedenis van mensen is er steeds rampspoed geweest. Oorlogen, moorden, uitbuiting, het houdt niet op. En steeds weer zijn we verder gegaan met leven.
Wat mij betreft en ik weet dat dat bij jou ook zo is, niet uit fatalisme. Zo cynisch zijn we niet. Er is altijd weer de veerkracht geweest om de draad op te pakken. We hebben zoveel met elkaar en aan elkaar en hebben zoveel goeds te leven met onze kinderen en kleinkinderen dat we door kunnen. Er bleven wel vragen hangen, dat wel.
De veerkracht heeft in ons beider leven tot dusver ook te maken met wat wij God noemen. En ik dacht in de laatste jaren zijn betekenis juist beter onder de knie gekregen te hebben.. Door te onderkennen dat hij de mensen vrijheid van keuze heeft gegeven. En dat die keuze gedrag kan ontwikkelen waardoor het helemaal mis kan gaan. God houdt die keuzevrijheid niet tegen. Geeft dan, zoals dat mooi heet, zijn genade om verder te kunnen gaan.
Ik ben dat gevoel helemaal kwijt geraakt deze week. Omdat er iets bij is gekomen wat ik nooit ervaren had. Het is het feit dat in alle omvang de ramp in Azie op geen enkele wijze te maken kan hebben met een menselijke aanleiding, er is geen keuzevrijheid aan te pas gekomen. Wat er gebeurde was, om zo te zeggen : schepping vernietigt schepping.
Want die god had toch de aarde geschapen, het licht, het water gescheiden van het land en alles wat verder geschapen is? “ En hij zag dat het goed was” En dan zou die zelfde schepping tegen zich zelf tekeer gaan ? De wateren hebben toch geen keuzevrijheid, dat is toch alleen aan mensen overgelaten. Zelfs het verhaal van Noach en de zondvloed had daar ten diepste mee te maken. En het verhaal gaat dat god toen zei: “Nooit weer zal alles wat leeft door het water van een vloed worden uitgeroeid, nooit weer zal er een zondvloed komen om de aarde te vernietigen”. Hij zag dat het goed was, maar het is helemaal niet goed en die vloed is er weer gekomen.
Zo’n god, daar kan ik niet mee leven. Het kan niet zo zijn dat er iets is wat ons geschapen heeft en ons wel in vrijheid laat kiezen om met elkaar als mensen al dan niet te leven in vrede maar vervolgens ons aan chaos van de natuur overlaat.
Het zijn wij zelf als mensen die met elkaar doorkunnen, wij samen met elkaar zeker. De woorden van Huub Oosterhuis in het lied ( Licht dat ons aanstoot in de morgen) dat ons deze dagen net zo had geroerd lees ik nu anders:
“ dat wij allen,
zo zwaar en droevig als wij zijn, niet uit elkaars genade vallen , en doelloos en onvindbaar zijn.”
Jij en ik zullen ’niet uit elkaars genade vallen’ en samen verder leven. Voor mijn gevoel ga ik 2005 zonder god in. Dat is wennen.
Je Kees Maastricht, 31 december 2004
Cultuurschok(je)
Er is me zo’n kleine 20 jaar geleden iets overkomen, wat ik met jullie wil delen. Ik noem het een cultuurschok(je). Achteraf gezien een incident, maar wat je ook als een voorlopertje kan ervaren op hoe wij de barre gebeurtenissen in de wereld van nu ervaren.
Het is april 1998 op het eiland Zanzibar. Mijn dochter en schoonzoon werkten en woonden daar toen ( met ons eerste net geboren kleinkind). Het is hun derde standplaats voor de VN in Afrika. En wij krijgen ook daar de gelegenheid om , zoals in al die leefplekken van hen in de afgelopen 25 jaar, de cultuur een beetje te leren kennen.
Wat was dan de “cultuur”?

Zanzibar ligt als klein eiland iets ten oosten van Tanzania , zie het kaartje. Je komt er of door te vliegen, of vanaf de hoofdstad en kustplaats Dar-Es-Salam met een veerpont over te steken. Op het eiland is één stedelijke lokatie, de stad Stonetown.De oppervlakte: minder dan 2 ½ maal Terschelling. Eiland-populatie 1,5 miljoen mensen. Overwegend moslimbevolking, naast hindoes – en christenen.
Zanzibar heeft een eeuwenlange geschiedenis , begonnen als nederzetting van Afrikaanse bevolkingsgroepen, met al vanaf de 6e eeuw
omvangrijke Arabische handelsrelaties en vestiging van een sultanaat op het eiland, en waar vanaf ca 1500 achtereenvolgens portugese, en engelse koloniale overheersing gold tot in de tweede helft van de 20e eeuw. De arabische invloed ( sultanaat Oman) heeft zich laten gelden in de drie pijlers van de economische ontwikkeling van het eiland : de specerijen-cultuur en – handel ( nootmuskaat, kruidnagels, etc.) , de ivoorhandel ( olifanten, nu nog!) en slavenhandel ( tussenpost tussen vasteland Afrika en Arabie, Perzie, Ottomaanse rijk en Noord-Afrika, vervoer in zeilschepen , de dhows) ) . Deze Oost-Afrikaanse slavernijgeschiedenis is weinig belicht geweest, maar was veel langduriger dan de West-Afrikaanse variant ( handel op Amerika, Cariben, die ca twee eeuwen duurde), en met naar schatting 20 miljoen slaven veel omvangrijker. De specerijenplantages van Zanzibar waren zelf de plaatsen waar slaven – onder gruwelijke omstandigheden – te werk gesteld werden. De als handelswaar vervoerde slaven naar Arabië , etc. hebben in deze wereld geen geschiedenis meer opgebouwd: oorzaak daarvan was dat de jongens en mannen allemaal gecastreerd werden. Er is dus geen 2e generatie die , zoals in de westerse wereld, het slavenverleden op de kaart van onze herinnering heeft kunnen zetten. Het United Kingdom heeft middels de handelsrelaties in de 19e eeuw zware druk gelegd bij de Ottomaanse Sultan om de slavenhandel te beëindigen; het heeft tot 1897 geduurd voordat de slavernij werd afgeschaft. Vanaf 1890 was Zanzibar een Engels protectoraat, het bestuur was in handen van de Arabische sultans.
Eind 1963 is de onafhankelijkheid door Engeland aan Zanzibar overgedragen en werd formeel een constitutionele monarchie onder het bewind van de Sultan gesticht, maar deze situatie is van heel korte duur geweest . Een paar maanden later heeft een bloedige opstand van bevolking van Afrikaanse origine – duizenden Arabische en Indische eilandbewoners werden vermoord en nog eens duizenden verbannen van het eiland- tot een revolutionaire regering geleid. Nog een paar maande later heeft de toenmalige kolonie Tanganyika zich verenigd met Zanzibar. Daar is de huidige naam Tan- zan- ia voor de nieuwe republiek uit voortgekomen. In de laatste decennia is er een voortdurende spanning tussen de beweging die Zanzibar weer los wil maken van Tanzania en de regering van dat land.
De precieze geschiedenis achter ons latend- want daar was deze bijdrage eigenlijk niet voor bedoeld, maar wel van betekenis- kom ik terug op ons familieverblijf daar op dat eiland. En dan proef ik – al is het bijna 20 jaar geleden- nog steeds de bijzondere sfeer die er heerste. De historie ( zoals net samengevat) komt in het culturele karakter duidelijk op je af: de arabische architectuur, in gebouwen en bijv. kenmerkende houtgesneden deuren. De steegjes, kronkelende straatjes met verrassende bebouwing,

de specerijenplantages en de verhalen over Oosterse prinsessen en Arabische handelaren daarover verteld door lokale gidsen, de uiteraard weerstand oproepende slavenkelders, en de tientallen moskeeën. En dan vergeet ik zeker niet de exotische stranden, zilverwit, en de beelden van vissersbootjes in de Indische Oceaan. We hebben alle aspecten olv onze kinderen kunnen voelen, tasten, en beluisteren. Het was een verblijf waar we in alle opzichten van konden genieten. Ze noemen het niet voor niets een “sprookje van duizend -en – een -nacht”.
En wat was dan dat cultuurschokje
En dan komt in dat sprookje een boosaardig gedrocht binnen geslopen. Dat komt zo. We liepen met onze dochter door een van die straatjes, waarover ik vertelde, en ik kon het niet laten om aan de series toeristische ansichtkaarten die je kon krijgen er toch nog een toe te voegen die van eigen maaksel. Zo pretentieus zijn we allemaal tijdens vakantie, toch?
Ik nam in allerlei standen en uit allerlei hoeken fotos – bijv, om dat oerwoud van electrische bedrading die je daar, zoals in al die niet-westerse steden te vermijden in je beelden- en tegelijk liepen Dien en dochter Caroline gewoon door; “hij zal ons wel weer kunnen vinden dadelijk”En ineens keek ik op van mijn fotografisch gedoe… en zag mij omringd door een vijftal Zanzibari’s, moslim jongeren van ca 20 jaar , gekleed in djabella’s. “Of ik eigenlijk wel goed begreep dat al die fotos die ik nam van hun mooie eiland, haaks stonden op de situatie waarin zij verkeerden: armoede, werkloosheid, ziekte ( van oma’s en tantes), onderdrukking door het vasteland, etc. En dat ik maar beter mijn geld aan hen kon afgeven, om vervelende dingen te voortkomen”. Dat was toch even schrikken; en je voelt je in een verkeerde film , je weerhoudt je van paniek gedrag en gaan roepen of schreeuwen ( het maakt het misschien allemaal erger) en denkt “die paar centen , die ik bij me heb, daar kan ik wel wat van geven om de zaak te redden “. Dus ik frutsel uit mijn portemonnee een handje lokale biljetten en geef dat aan de leider van het stel. Dat was niet voldoende, ze hadden meer in de portemonnee zien zitten. En de tot dan nog kwajongensachtige houding sloeg om in een dreigende lichaamstaal; een van de jongens trok onder zijn jabella een flink slagersmes tevoorschijn. De rest van het geld gaf ik af, geen ogenblik twijfelde ik. De groep was meteen verdwenen, als of er niets was gebeurd stond ik weer in dat straatje toerist te zijn. Andere passanten, voorzover in de buurt, lieten niet merken er iets van meegekregen te hebben.
Dien en dochter Caroline , die ik per toeval dus vlak voor het incident mee op de plaat had vastgelegd , en die niets van de ontmoeting hadden gezien, ontfermden zich even later professioneel en liefderijk over mij met mijn verhaal. Je hebt er een momentje voor nodig om de foute film op je te laten inwerken.

Het bleef er overigens niet bij dit ene voorval. Een paar dagen later weren mij schoonzoon en ik uit de auto gehaald , vlak bij een militaire post van het eiland, ook weer door een fototoestel dat ze zagen. En een dik uur werden we onder controle — met geweren- gehouden in hun wachthok. Het was overigens duidelijk dat deze militairen nogal gedrogeerd rondliepen. Nadat ze zelf niet meer wisten wat ze eigenlijk met ons moesten doen, konden we weer vertrekken.
Vrouwen en kleinkinderen waren in de auto blijven wachten…
Wat we er van vonden?
Terrorisme? Neen. Opkomend maatschappelijk en politiek onlustgevoel bij de Zanzibari ‘s? Daar leek het op. En mijn dochter bracht haar grote teleurstelling onder woorden: “Wat ontzettend jammer, dat op dit zo rustig lijkende eiland, dit kennelijk toch ook voor gaat komen”.
Het is in de jaren daarna sterker aan het daglicht gekomen. DE altijd aanwezig gebleven onafhankelijkheidsbeweging, de opkomende vijandige elementen in de moslimcultuur kregen meer en meer invloed. Inderdaad, jammer dat ons beeld zo veranderd is.
Herinnerd worden
Gisteren werden in den Haag bij het Indische monument de slachtoffers van de Japanse overheersing in Ned.- Indie herdacht. Dien volgde de tv-uitzending, ik zag er later ook enige beelden van. De toespraak van Geert mak met zijn “hutkoffer- “verhalen en de zang en muziek (met o.a. Wieteke van Dort, die lang geleden al de Indie-sfeer zo treffend opriep in de Stratenmaker op Zee show). Het was een ontroerende bijeenkomst en Geert Mak gaf in een gesprek aan dat deze (maar niet alleen deze) geschiedenis pas nu goed gaat leven en in alle breedte moet worden “bedreven”.
Dien en ik realiseerden ons, eigenlijk pas goed na de beelden, dat we beiden in de directe lijn familieleden hebben die in Indie in die tijd ook getroffen werden door het optreden van de Japanse overheersers.
De vader van Dien had een jongste zusje, Janny Visser, die in de dertiger jaren met haar echtgenoot Jan Miolee (werkzaam op een plantage op Sumatra, een zgn. “Indo”) zich daar vestigde. Beiden werden krijgsgevangenen: Janny met 2 kinderen op Java, Jan tewerkgesteld in Birma (spoorlijn met Thailand). teruggekomen in Nederland is het huwelijk gestrand. Janny is “lastig” gedrag gaan vertonen, kinderen werden in gastgezinnen ondergebracht. Verondersteld wordt dat bij haar mee heeft gespeeld wat zij in de kampen (o.a. verkrachting) heeft moeten ondergaan. Wij (Dien en ik) hebben beide – Janny en Jan – ontmoet, hebben met een van hun twee kinderen, Hedy, getrouwd met Hans- nog periodiek goed contact; ze komt vanuit Amerika regelmatig bij een neven- en nichten reünie over. ( beiden zijn inmiddels overleden)
Bij de ouders van Kees: zijn vader had een broer (Gerrit) die ook in de dertiger jaren naar Indie vertrok, was als administrateur werkzaam. Hij werd ook naar een Jappenkamp vervoerd en is aan de Birma-spoorweg overleden. Maarten heeft over hem een treffend levensverhaal geschreven. Er is een graf op het cimetary in Thailand van hem..

Caroline, die met Paul op het kerkhof zijn geweest bij de twee graven
Zijn moeder had zes broers. Drie broers daarvan trokken ook in de dertiger jaren naar Indie en omstreken zijn en ondervonden de Japanse overheersing aan den lijve. Dik, de jongste is niet lang na zijn komst daar in oorlogstoestanden verzeild, gevangengenomen en aan de Birma spoorlijn is overleden. Ook van hem is daar een graf.

Kanchanaburi kerkhof gevallenen Birma spoorweg, Bloemen (zie fotos met de twee bloemen) neergelegd door Paul en Caroline en later ook nog door vrienden van Paul en Caroline Valkenburg, 21-03-20124
De oudste – Arie—woonde in Bandoeng met zijn vrouw Thea Leertouwer in Bandoeng. Hij werkte ook voor een plantagebedrijf, voorover ik mij herinner). Beiden zijn in kampen op Java geïnterneerd. Thea is daar overleden. Arie is na de oorlog naar Nederland teruggekomen. Hij heeft daar eerst teruggetrokken, door de kampervaring getekend, bij zijn ouders ingewoond. Later is hij weer werkzaam geraakt bij de gemeentelijke overheid, maar werd getroffen door een verlamming, en is overleden – zonder te kunnen spreken-, in het ouderlijk huis van Kees nog een tijd verzorgd.
Haar broer Wout is voor de oorlog dienst getreden bij de Java-China- Paketlijn en voer als stuurman op de Indische Oceaan. Daar heeft hij luchtaanvallen op schepen meegemaakt en is
i.v.m. optreden bij een daarvan nog onderscheiden met een kruis van verdienste. Na de oorlog getrouwd met Mimi, die hem overleefde. .
Deze levensgeschiedenissen werden ons ineens duidelijker en memorabeler door die herdenking van gisteren. En er zijn misschien ook verhalen uit de kring van Rianne, Maarten of Paul die daarbij horen. Ik wilde het – ook door de toespraak van Geert Mak- op deze manier op papier kwijt.
Valkenburg, 16-08-2018
Ik vul dit oorlogsdocument aan met een schril contrast. In het gezin van de moeder van Kees . was ook een broer ( Wim), die in dezelfde tijd waarin zijn drie broers in de Zd-Oost Aziatische regio leden onder de Japanse overheersing, hier in Nederland een andere keus maakte. Hij sloot zich aan bij de NSB. Heeft na de WOII een tijd in de gevangenis doorgebracht.
Leren Lezen
Mijn eerste leesles kreeg ik in najaar 1942. In april van dat jaar was ik 5 jaar geworden. In alle wijsheid waren mijn ouders meegegaan met het toen veel gebruikte leertraject om kinderen die op een onhandige tijd ( voor de start van de lagere school) jarig waren, alvast op hun 5e thuis les te laten geven zodat je op je 6e meteen in de 2e klas van een reguliere school kon beginnen. Zogezegd zo gedaan. Terwijl ik nog in de kleuterklas van de Kralingse School spelend leerde opgroeien, kreeg ik thuis ook les in schrijven en lezen en rekenen ; ik ben helemaal vergeten welke professional daarvoor werd ingehuurd. Ook mijn zus Nel was op dit vroege leertraject getrakteerd.
Het heeft geen bijzondere herinnering in mijn geheugen gegrift. Dat is – achteraf bezien- jammer. Of het de traditionele aap-noot-mies spelplank is geweest die mij in de wereld van kennis heeft geïntroduceerd weet ik niet meer, misschien waren het toch de in bruin gekafte boekjes met grote letters en plaatjes, die laatste herinner ik me althans duidelijker. Wat in ieder geval wel moet zijn gebeurd is dat mijn van nature aangeboren en in het talige nest van mijn vader meegekregen nieuwsgierigheid voor woordspel daar een stevige ondergrond heeft gekregen. De praktijk van het met succes snel spellen deed zich dan ook al gauw voor in een typische Dulkse setting. De tramlijn 16/17 die aan het begin van de Essenlaan, waar wij woonden, op de overgang van ’s Gravenweg naar Oudendijk de beginhalte had, bracht ons – vader, moeder en Nel en ik- regelmatig via de Vlietlaan over de Goudse Rijweg naar de stad. Mijn vader wees mij op een gegeven dag, midden in de oorlogsjaren, in die laatstgenoemde straat vanuit de tram naar de in kapitale letters aangebrachte naam van een van de winkels: Slagerij A. Bil. Gillend van plezier heb ik, na spelling van die naam, de tramreizigers duidelijk laten weten hoe bedreven ik op mijn jonge leeftijd was in het lezen. En dan vooral waar het de Dulkse Dictionnaire betrof, waar poep en pies tot hilarische uitbarstingen leidde. De tramrit van 16/17 werd op mijn dringend verzoek nog vele malen herhaald, en ik claimde een plaats naast het raam om geen letter te kunnen missen.
Nel vulde dit verhaal “meester”- lijk aan:
Lieve Kees,
Wat bijzonder, die twee ervaringen (die van jou en mij) op twee verschillende scholen in Kralingen.
En de ware geschiedenis van “ klasje springen” : met je vijfde naar klas 1 van de lagere school was verboden, maar met je zesde naar klas 2 mocht weer wel, tenminste als je op het gewenste niveau was van taal en rekenen. Daarvoor moest je dan “ bijgewerkt“ worden door een bevoegde leerkracht. Wie dat in ons geval is geweest, weet ik niet, maar ik herinner me niet dat het een kennis van vader en moeder was.
O,ja ik bedacht me later dat het hoofd van de Park Rosenburgschool de heer Hogervorst was.
Jij had dus gelijk dat die van de Kralingse Scool de heer van der Mark was.
Ten slotte nog een staartje van a. bil.
De beelden staan nog vers in mijn geheugen en ik ben benieuwd of jij ze herkent.
We zitten in de tram, 16/17, op de terug weg naar huis van uit Rotterdam (?) . Vader, jij en ik en misschien ook moeder en Maarten. In ieder geval , de sfeer was om te snijden, waarschijnlijk omdat een van ons lastig was geweest. Vader was danig uit zijn humeur en zat nors voor zich uit te kijken.Wij hielden ons natuurlijk koest.
Toen we in de Essenlaan naar huis liepen begreep Kees dat er nu snel moest worden opgetreden om erger te voorkomen. Zodra we in de kamer stonden, en vader zijn mond opende. Riep Kees triomfantelijk “ ik heb lekker Slager A. Bil gezien”.
Iedereen lachen natuurlijk, vader het hardst en Kees was de held van de dag…. Facts or fiction? Voor mij is het “ waar gebeurd”
Nel
Antwoord Kees: Waarlijk gebeurd!!
Leren luisteren
Er is, zo weten we , aan de taalontwikkeling in het kinderbrein, wat meer toe te voegen dan alleen spellen. Er zal ook begrijpend moeten worden gelezen. En dat heeft nu juist bij mij – als ik het althans achteraf op een rijtje zet- een route met omleidingen gekregen. De tramrit langs slagerij A. Bil was daarvan het begin.
Het kreeg een vervolg met liever luisteren naar een goed verhaal en wat doorfantaseren dan vanuit de basis van goed lezen een verhaal kunnen reproduceren, zoals de pedagogische leerschool graag wil. Dat goede verhaal kreeg al in onze vroegste jaren een luisterend oor door de vertelkunst van onze vader. Hij las ons voor het slapen geen kinderboeken voor , hij was zelf begonnen met een eigen kinderverhaal dat hij in de beginjaren van de oorlog aan Nel en mij aan onze kinderspondes vertelde; het verhaal spon hij zelf in de loop van de vele avonden die daarop volgden tot een in onze ogen en oren buitengewoon spannende thriller. Eén waar een broertje en een zusje, Kees-Jan en Gerritje (tevens de titel van het verhaal) , op het strand turen naar de zee waar hun vader op een vissersschip de kost voor het gezin verdiende; en wat tot een bizar avontuur in een dobberende ton op weg naar een verkeerd schip, , een bezorgde moeder in het dorpshuisje aan de kust , en een happy end met vermanende woorden van een scheepskapitein. Zo ongeveer en in een nutshell. WE hebben nog steeds een met zijn hand geschreven exemplaar in bezit. Terzijde: als je het verhaal nu weer leest, hoor een moralistische ondertoon die de wenkbrauwen doet fronsen Dan leer je op een heel andere manier begrijpen….
Los van het moralisme, wat nam ik er van mee? Spanning opbouwen in het verhaal wat je aan anderen vertelt, is meer gebaat met een scheut gezonde fantasie, dan met naar volle waarheid geschiedenis doceren. Dat als eerste . En dat ben ik zelf ook toe gaan passen, in mijn ogen een manier om de waarheid een beetje geweld aan te doen maar wel nodig om het beter te begrijpen. Kees-Jan en Gerritje in een ton op zee is natuurlijk onzin, maar een weg zoeken om eigen wil te realiseren is een aantrekkelijke gedachte en moet op een heldere manier duidelijk gemaakt worden. Zo kon ik ook , later, de “Sinterklaas-bestaat-niet “ bekentenis die door mijn oudere zusje aan mij werd gedaan, zonder veel pijn aan de kinderziel aanvaarden : “natuurlijk” moet ik gedacht hebben, ”het gaat er om dat iedereen cadeautjes krijgt , maar je moet het wel in een leuk verhaal verpakken”. En dat die Sinterklaas bij ons thuis de mijnheer Piet Steinz bleek te zijn geweest , vond ik een even spannende als schitterende enscenering. En zo ben ik eigenlijk tot op de dag van vandaag niet helemaal losgekomen van de verhaaltrant waar in mijn beleving de fantasie een rol in mag spelen.
Het had echter ook een ander effect. Iets minder effectief. Dat was het gemak om teksten die er nu juist zijn om goed begrepen te worden veel te snel te lezen als een verhaaltje en dan wat je “hoort” in die tekst niet op te slaan en rationeel te verwerken, maar te denken ”o, dat is mooi gezegd, wat daar staat” en er een zelf ingevulde impressie van aan anderen door te geven. Na een “Kees-Jan en Gerritje “ aflevering voor het slapen gaan lekker wegsoezen en later aan de haal gaan met wat je dacht gehoord te hebben. Die lees-praktijk is me later flink gaan opbreken. Middelbare school en academische opleiding hebben geen te snel gemaakte “ verbeeldingen” nodig. De niet al te rooskleurige uitkomsten van een ( herhaald) eindexamen gymnasium , en een met vallen en opstaan traag verlopend kandidaatstraject economie in Rotterdam zullen daar zeker mee te maken hebben gehad. Het begon me in die tijd op dit vlak niet helemaal mee te zitten, dat was me duidelijk. O ja, het was ook de tijd van de ontdekkingen en vrije levenskunsten met prachtige vriendenclubs om je heen. Maar studeren, dat is toch echt wat anders dan zomaar wat beweren.
Iedereen in mijn omgeving hielp mee om mij op een goed spoor te krijgen. : Dien met ongelofelijk geduld, de ouders van Dien die een kamer in Eeckenrhode organiseerden zodat ik ongestoord kon studeren, mijn studievrienden, en heel in het bijzonder Wout Siddré, die mij stap voor stap door de tentamenstof heen dirigeerde. En het lukte zowaar. Ik ging langzaamaan begrijpen wat luisterend lezen betekende.
En de weg omhoog lukte . Die kreeg ook nog eens een boost doordat ik na het kandidaats voor een in de eind vijftiger jaren gestart leertraject aan de NEH ( nu onderdeel van de
Erasmusuniversiteit) koos om het toen nieuw ingestelde “Baccaleaureaats examen economie “ te halen.
Het heeft niets te maken met het huidige bachelor, het was een door het bedrijfsleven samen met een 4 ( of 5-tal) economische faculteiten in Nederland geïnitieerde studieroute na het kandidaatsexamen. Doel: er moeten meer practisch geschoolde academici als alternatief voor de theoretische doctoraalroute op het gebied van de economie komen. In een klein jaar werd in een setting van kleine leergroepen een continu progamma afgewerkt met de hoofd aspecten van de economische leerroutes op doctoraalnivo, inclusief workshops en korte stages. Het programma is na een paar jaar een veel te vroege dood gestorven. Te weinig animo? Te experimenteel? Ik weet het niet. Maar voor mij was het een uitkomst (en ik behoor tot een select gezelschap academici, die de bul “ Baccaleureus Economicus “ sinds juni 1960 in bezit heeft…).
Een relaas over mijn verdere studie- en werkloopbaan past niet in deze serie inkijkjes in mijn leven. Wat veel belangrijker is : ik weet zeker dat die keuze mijn verdere leven positief heeft beïnvloed.
Gids en motor
Dien was, en is nog steeds degene die mij niet aflatend bijstaat, aanjaagt en inspireert. En dat op een bijzondere manier om het samenleven met mij en de kinderen een invulling van jewelste te geven en met haar drive om in de maatschappij een flinke steen bij te dragen. Dat was al begonnen voor ons trouwen. Haar professionele én gevoelsmatige kijk op kinderen bijvoorbeeld was een eye opener voor mij. De opleiding Kinderverzorging en Opvoeding in Rotterdam ( de tegenwoordige HBO-opleiding) bracht haar o.a. naar stages in een weeshuis ( in Buren) en boerengezinnen in Brabant. Na een duidelijk goed gewaardeerde afsluiting in juni 1960 ( tegelijk met die van mij) zonder haperingen zette ze in dat jaar haar eerste carrière-stap in het Medisch Kleuterdagverblijf, gevestigd in de Haagse Duinen. Verzorging en opvoeding van onze eigen kinderen ( Maarten 1962, Lysbeth 1964 en Caroline 1966) was in de periode 1962- 1973 een baan op zich. Een glorieuze gezinsopbouw en opbouw van een heel rijk sociaal netwerk die ik niet vergeten zal, waar Dien de permanent betrokken gids en motor van vormde. Woonplekken den Haag, Leiden en Leiderdorp, in een maatschappelijke enscenering waar alles wat vanzelfsprekend leek , werd omvergeworpen en de vrijheid van keuze de kern vormde van het leven. Daar is het denk ik geweest waar we nieuwe wortels aan ons eigen leven en dat van de kinderen hebben kunnen toevoegen. Om op de titelvraag van deze verhalenbundel “Waaom zitten we eitenlik op de trap “ in een tweede, overdrachtelijke, zin weer te stellen en een antwoord te vinden in: “ Om een nieuwe weg op te gaan , zorgen dat je bagage bij je hebt om uit te breken uit banden de jou niet passen “ .
Dien zette zich na onze verhuizing naar in Leiden met enthousiasme weer volop in met een werk-passie, die onnavolgbaar was, nadat er weer wat ruimte kwam in haar tijd :
- Eerst een periode van intensief vrijwilligerswerk. Jeugdwerk van de kerk in Leiden Zuid -West ( Ad Lankhout, ds. Bouter), nieuwe vormen van jeugdwerk waar kerk en maatschappij samen kwamen in de Stichting Jeugdwerk Leiderdorp ( Ad de Bruijne, mw. Boggia. Dieneke Roorda) , met een Kees die eea vanuit de kerkelijke bestuurskant een steentje bijdroeg.
- Na onze uitbraak naar Limburg in 1973 kreeg Dien de kans om haar professionele kwaliteiten in een (betaalde) baan in Maastricht en even later in Cadier en Keer ( waar wij waren neergestreken) te laten spreken. Zij fungeerde vanaf 1 sept 1974 als groepsleidster in de Stchting Jan Baptist bij het kinderdagverblijf “de Grummelkes” en verving de directrice enige tijd. Met een eervol ( en zeer verdiend) ontslag verliet zij de instelling per i april 1982.
- In de wetenschap dat Kees voor onbepaalde tijd weer bij het CBS in in Voorburg ging werken zocht en kreeg Dien vanaf 15 april 1987 werk bij de Kattekop, als directrice van het kinderdagveblijf van de Universiteit Leiden, omstreeks 1990 overgestapt naar de kinderdagopvang van Helen Hordijk in Zoetermeer, en daarna als speltherapeute in een kinderdagopvang in Vlaardingen. Uitdagende werkomgevingen en inspannende tijden,ook omdat de moeder van Dien van Aalst over was gekomen naar Voorburg, opgenomen in het verpleeghuis “t Anker. Kinderverzorging als werk en ouder-zorg in je prive- tijd, doe het haar na! Haar moeder overleed in 1992, haar broer Wiek -veel te vroeg- niet lang daarna. Emotioneel veeleisende tijden. Dien heeft met grote bewondering van ons dit weten te verwerken.
- In 1994 weer terug in Zuid-Limburg in het molenhuis In Bemelen/Wolfshuis, Kees met vroeg pensioen en als freelancer voor het CBS nog actief, bleef Dien niet op haar lauweren rusten. Het werk van de Wereldwinkels sprak haar aan, en na een korte “snuffelperiode”in de winkel in Maastricht, zette ze met Mieke Aussems uit Vilt een Wereldwinkel in Valkenburg op, in een prachtig pand aan de Lindenlaan. Dat was zin zekere zin een kroon op haar werkzaam leven, het moeten zo ‘n 12 ½ jaar zijn geweest dat ze organiserend, stimulerend, medewerkers met feestjes thuis ontvangend, klantvriendelijk bovenal de Wereldwinkel Valkenburg duidelijk op de kaart heeft gezet. Ook in een regionaal radioprogramma waar ze geïnterviewd werd: ze sprak vooraf met de reporter naar de “voer’-taal , dialect of hollands. Antwoord van de reporter: “Mens, doe normaal” !
Normaal doen, daar heeft Dien een heel eigen invulling aangegeven. Ze zit “eitenlijk” niet, maar liep en loopt nog altijd de trappen op en af – letterlijk en figuurlijk – om voor haar omgeving, in het bijzonder kinderen in allerlei omstandigheden, een goede en rechtvaardige plaats te creëren. Of start haar (bijna) geluidloze maar stimulerende motor om anderen te inspireren. Daar heb ik met vallen en opstaan van meegeprofiteerd. Naar dat bijzondere motor geluid van Dien heb ik leren luisteren, tot op de dag van vandaag.
Waarom zitten we ‘eitenlijk’ op de trap?
Voorin deze bundel gaf ik die vraag al door. Ik stelde de prangende kwestie als klein jongetje toen wij – mijn ouders , mijn zus Nel en ik- in de Essenlaan 80b, Rotterdam Kralingen bij het aanstormend geweld van de Duitse inval in mei 1940 , met koffers en knuffels in de aanslag, op de trap waren gaan zitten om weg te vluchten zodra het nog zou kunnen. En het waarom is me later pas goed duidelijk geworden. We verlieten het huis op weg met een grote stroom stadsgenoten over de ’ s Gavenweg richting Capelle aan de IJssel. Lang heb ik als beeld van die tocht als herinnering bij me gehouden dat het midden in de nacht was, omdat het in mijn beleving in een donkere lucht om ons heen. Veel later, ergens het eerste decennium van deze eeuw, wisselde ik met mijn moeder wat oorlogsgeschiedenissen en hoorde ik dat het op een zondagmiddag was. Maar niet “op klaarlichte dag”, de lucht was pikdonker gekleurd door het bombardement op de stad. Zo moet je geschiedenis leren begrijpen door met elkaar er over te praten, je eigen impressie naast de verhalen van een ander leggen. Allebei hebben ze gelijk. In het verhaal hierboven was het wel degelijk ook een donkere nacht in heel Europa , al drong dat toen natuurlijk niet tot me door. En de feiten waren ook helder : de stad stond in brand. Overigens kregen we bij onze vluchttocht een liefdevol onderkomen bij een gezin in Capelle, een paar dagen later konden we weer naar huis terug, de Essenlaan was gevrijwaard van bominslagen. Wegtrekken om terug te komen, daar wordt leven op deze aarde heel vaak mee geconfronteerd, op kleine en op grote schaal. Als dat een antwoord is op mijn vraag “waarom… “ begin ik iets te begrijpen van dat wonder dat leven heet. En ik zou veel geschiedenissen uit mijn leven, meer nog dan wat ik hier in deze bundel opschreef, een plaats kunnen geven als onbekende treden van die trap waarvan ik wilde en nog steeds wil weten waarom ik daarop en waarop zit te wachten. Nieuwsgierig blijven, dat is in ieder geval een goed begin op die reis. Proberen (voor-)oordelen, standpunten en principes buiten de deur te houden, zolang dat kan. Het lukt niet altijd , maar vasthouden aan de leuning van die trap is de moeite waard, zo is mijn ervaring.
Ik geef als voorbeelden nog een drietal paden aan die ik – op latere leeftijd- ben ingeslagen op die trektochten, ze hebben allemaal iets met schrijven te maken. Dat is voor mij altijd wel een manier geweest om van een tocht te genieten. En bovendien : het proces is vaak boeiender dan de einduitkomst. Deze voorbeelden zijn overigens geen incidenten geweest, het heeft veel losgewoeld en beziggehouden.
Om je roots te gaan zoeken
Een eerste was deze. In de negentiger jaren van de vorige eeuw werd mijn nieuwsgierigheid naar mijn ( Scheveningse) roots gewekt. Bij toeval? Een goede vriend in het Zuid-Limburgse komt na een trektocht door Amerika terug met het verhaal van een ontmoeting met een Amerkaan met de naam Bob den Dulk en zijn vrouw Nellie Aukema . Het liet me niet los en ik kwam , na wat pogingen, met hen in contact. Emailen en internet was gelukkig al een paar jaar ons sociale leven aan het “verrijken”, dus konden we wat uiwisselen over onze familienaam. En dan gaat de bal rollen. Dan blijkt Robert niet ver van ons te staan in ons familieverband; zijn grootvader ( nb een oudoom van mijn moeder wiens moeder ook een den Dulk is) trok met zijn vrouw en 11 rond 1920 van Scheveningen naar California om de armoede te ontvluchten en werd daar stamhouder van een demografisch uitdijend en materieel welvarend geslacht den Dulken rond het plaatsje Ripon ( niet ver van Los Angeles). Een bijzonder detail komt op tafel: in dat plaatsje is een plein, dat de officiële naam Den Dulk Court heeft gekregen. Een bezoek aan Nederland bracht een ontmoeting met hen mee en Robert had voor mij een verrassing bij zich: een uitvoerige stamboom van den Dulken op papier, vanaf ca 1650. Die was verkregen door speurwerk ion de archieven van de Historische en Genealologische Vereniging Scheveningen, e as zelfs in de Engelse taal omgezet. Ook kreeg ik een op papier gezette verslag van de roots van zijn grootvader Arie en zijn heroïsche tocht met zijn gezin in de twintiger jaren naar de Verenigde Staten. Bijna 100 jaar later in ( in sept. 2017) zouden Dien en ik, toen Caroline en Paul in New York woonden, het beroemde Ellis Island bezoeken, waar de complete immigratieadministratie en opvang/ inspectieruimtes als museum toegankelijk zijn. Daar vond ik inderdaad de immigratie gegevens van “oompje “ Arie den Dulk ( zoals mijn moeder hem noemde), zijn vroeuw Elisabeth Hoogenraad en de kinderen. Maar Dien en ik hadden, zo herinnerden we ons ineens, dat “: oompje” in levende lijve ontmoet, en wel bij zijn bezoek op hoge leeftijd aan Nederland en mijn ouders, ergens rond 1960 aan de Frankenslag. Een hilarisch moment tijdens dat contact was toen hij vertelde hoe dat gezin met 11 kinderen werd gezegend. Hij zei het zo; “Mijn lieve vrouw Elisabeth, daar hield ik zoveel van, ik hoefde haar maar aan te kijken en ze was al in verwachting”. Deze nieuwe kijk op mijn voorgeschiedenis was aanleiding om het fenomeen “stamboom” , en vooral het opbouwen daarvan, onder de knieën te krijgen. Dat is, om kort te gaan, gelukt. In een lange reeks van jaren kon ik, startend met de data die ik van Bob den Dulk uit Ripon kreeg, met hulp van het software pakket van MyHeritage, het Haags Gemeentearchief en reeksen andere digitale en persoonlijke bronnen een stamboom van de familienaam en aangetrouwden “bouwen” van ruim 6000 personen. Het begint met Adolf Claessen (16391669) en onze jongste kleizoon Wiekert Koen den Dulk ( geb. 2009) is een van de jongste telgen in de stamboom. Afgezien van onze eigen directe familie, loopt deze gedigitaliseerde geschiedenis het meest gedetailleerd door tot iets in de eerste helft 20e eeuw. Daarna is het niet het , soms wel, soms niet volledig of stoppen de lijnen van de ca 28 takken die ik in de 19e eeuw kon onderscheiden, geheel. Voor een deel heeft dat te maken met het feit dat na die tijd vanuit het dorp Scheveningen, waar lang een hecht verband van de visserijfamilies bleef bestaan, de verspreiding over Nederland, andere landen van Europa en andere continenten is ingezet en doorgezet. Het wordt dan te lastig om demografische data te verzamelen op dit gebied. Maar het was voor mij een ontdekkingstocht door het leven van eeuwen Dulken en hun partners. Wegtrekken naar waar het begon en terugkomen waar je nu je plaats hebt gevonden in de familielijn, dat was het en de gegevens zijn nog altijd in een mooie stamboomvorm toegankelijk en op allerlei manieren te doorzoeken en evt aan te vullen. ( een app op mijn bureaublad van de pc geeft toegang).
Wat ik hier memoreer is , en dit met nadruk gezegd, niet het volledige verhaal achter deze zoektocht. Want wat er in de beginjaren van deze eeuw ook gebeurde, was een zoektocht van mijn broer Maarten ( Alphen aan de Rijn) naar de oorsprong van de familienaam ‘den Dulk’. We wisten aanvankelijk niets van elkaars werk op dit punt. En toen het kwartje gevallen was ontstond er een gezamenlijke “drive” om onze roots in kaart te brengen. Het verhaal van de familie Claessen, van waaruit de naam den Dulk ( voor het eerst geregistreerd in 1735) als een duveltje uit een doos leek te zijn opgesprongen, werd door Maarten heel precies uit de Haagse, kerkelijke en notariele , archieven , uitgeplozen. En die kon ik weer knopen aan mijn demografische verhaallijnen en verhalen, die ik ook hier en daar had opgedoken. Wat overigens geen “eureka” heeft opgeleverd voor de betekenis en oorsprong van de naam den Dulk zelf. Wij koesteren sindsdien twee mogelijke opties, beide niet feitelijk te bewijzen, maar we laten het zo. Een mysterie als oerknal moet mysterie blijven, zo vinden we. Wat wel er toe leidde dat we samen een document schreven “ Dossier den Dulk” waar we begin en doortocht en plek waar we nu zijn aangekomen, hebben beschreven. Daar hoort ook bij een inkijkje in de geschiedenis van de visserskustplaats Scheveningen waar ik mij nog wat in had verdiept. Het geschrift is indertijd in de familie rondgestuurd, en ook in mijn Onlinebestanden te vinden.
Om taal voor woorden te vinden
Een tweede spoor waarop ik- onbewust- antwoord op de vraag naar “het zitten op de trap” ben gaan zoeken is die van de taal. Het werd ons met de paplepel ingegeven als kinderen: het woordenspel waar onze vader ons zaterdagsavonds toe zette ( “maak van de letters van dit woord zoveel mogelijk andere woorden “ ), het gierend van de lach door hem voorlezen van taalgrappen en colums uit de krant en weekblad, zoals die van Carmiggelt), het maken van Sinterklaasgedichten ( vader las de gedichten die hij voor moeder schreef, liever zelf voor omdat zijn puntige vondsten anders verloren zouden gaan…) ,de gedichtenbundel als kerstcadeau. Kortom een talige ondergrond is vroeg in onze kinderbreintjes aangebracht. En de gevolgen bleven niet uit: Nel heeft haar sporen op de weg in de Engelse, Mieke in die van de Nederlandse en Maarten in die van de bijbelse taal in allerlei vormen met glans verdiend. En moeder ,die ons met haar creatieve geest steeds aanzette om verdere te gaan dan het alledaagse. Ikzelf liet me aanvankelijk tijdens de middelbare school en begin van mijn sudie wel vangen door de verlokkingen van de taligheid, met name door poëzie. Van Nijhoff,
Lucebert, Achterberg kon ik genieten op mijn kamertje op de zolderverdieping aan de Frankenslag en de studentenkamers in Rotterdam. Dat ebde wat weg bij de latere jaren van de economie studie, het statistieken maken op het CBS, en door de tijdrovende activiteiten in maatschappelijk en sociaal verband. Ik wist daar altijd wel veel ( vaak te veel) woorden aan vuil te maken, maar er mee spelen… dat was geen tijdverdrijf wat daarbij paste. O ja, Sinterklaasgedichten, de jaarlijkse limerick voor de verjaardag van onze vriendin Nannie Kuiper, toespraakjes bij feestpartijen, in kerkelijk verband wat Bijbelse praat rondstrooien, daar draaide ik mij hand niet voor om, maar een echte “drive ”voor taal, neen dat was het niet. En ik lette helaas te weinig op waar Dien zoveel waarde aanhechtte: het lezen van een goed boek en het aanleggen van een eigen bibliotheek van haar gelezen boeken ( nu nog een juweel in onze zitkamer in de boekenkast van haar ouders en de boekenmolen van Mia van Kempen) , het beter spellen van kranten en het intensief luisteren naar radioprogramma’s tot diep in de nacht. Daar had ik te weinig oog en oor voor. Totdat…
Totdat rond 2015, ver in mijn gepensioneerde leven, een luikje open ging. We werden door wee meisjes van een basisschool in Valkenburg op een zondagochtend op een buitenweggetje aangesproken om een lootje trekken, in het kader van een project van hun basisschool. Op het ene lootje stond “U bent een engel” en op het andere “U wordt in het zonnetje gezet “. Thuisgekomen bleek het bij ons een gevoel van lichte ontroering te hebben veroorzaakt en was het voor mij een tijdje later een inspiratie om bij het nadenken over het ritueel van de jaarlijkse kerstkaarten een zelfgemaakte kaart met een tekst, lichtelijk poëtisch. gebaseerd op die inspiratie, te maken en te laten drukken. Dat is toen een jaarlijks terugkerend schrijfmomentje geworden, een gekozen afbeelding en een passende tekst of begin van een gedicht. Dien las en dacht mee. En de reacties van Mieke , mijn jongere zus, vormden ook vaak een dankbare stimulans. En daar bleef het niet bij. De sluimerende neiging om met taal woorden op een ander rijtje te zetten werd een passie om poëzie te maken. En dat is het nu in 2024 nog steeds. Het begon met kleine series teksten die ik op tafel legde bij Dien. Zij beschouwde, las hardop voor en gaf door korte stiltes aan waar het naar haar gevoel niet verstaanbaar was ( of gewoon taalkundig niet klopte). En waar ik mijn eigen keuzes ( zo zei ze nadrukkelijk) mee kon maken om wijzigingen aan te brengen. (En dat doen we nog steeds zo. Dien is mijn eerste oog en oor). Ik printte een en ander in kleine bundeltjes uit en liet het ook in beperkte kring om ons heen ook lezen. De reacties voelden goed, “Grond onder je voeten” , met die titel heb ik ze later samengevat. Ik ben die twee meisjes met hun lootjes nog altijd dankbaar voor de grond die ze daarmee onder mijn voeten hebben gegeven. En daarna ging de trektocht in de dichterswereld door, gestimuleerd door de omgeving nam ik contact op met professionele redacteuren. Ik ondervond de eerste afwijzingen ( “niet geschikt voor onze fondsen, maar ga vooral door met schrijven”), zette niet gehinderd door bescheidenheid door. En zo kwam het dat mij teksten in handen kwamen van Pauliene Kruithof, een jonge dichteres. die als lid van de poëzieredactie aan het tijdschrift Liter verbonden was. Zij heeft mij belangeloos een aantal jaren op voortreffelijke wijze professioneel gecoacht bij het schrijven van gedichten. E-mailend – ik heb haar nooit persoonlijk ontmoet- leerde ze mij poëtisch schrijven. Tot op de dag van vandaag neem ik de lessen ter harte en koester ik haar inspiratie.
Er zijn na “Grond onder je voeten”, wat nu als Proeftuin in mijn archief is te vinden, onder haar regie in het blad Liter ( nr. 98, jrg. 23 : juni 2020) een viertal gedichten opgenomen, met een introtekst. Er is, toen ik “op eigen benen” kon staan een in eigen beheer uitgegeven bundel “Stemgeluid “ ( bij F&N Eigen Beheer, Castricum, 2022) met 49 gedichten uitgekomen; daar heb ik een verkoop van ca 90 ex. aan vastgeknoopt waarvan de opbrengst aan de Stichting Lezen en Schrijven is geschonken. In die periode heeft mijn dochter Caroline een website ( www.woordinbeeld.com ) gebouwd waar zij mijn poëtische teksten in heeft opgenomen met beelden en ingesproken teksten, die door mijn vriend Stef Grit op camera met muziekomlijsting zijn gezet. Een pracht van een podium dat ik voortdurend actualiseer met nieuwe gedichten. Er werd in 2023 en 2024 verschillende malen in liturgische settingen in kerkdiensten van de Prot. Gem. Maas-Heuvelland en in het kader van een serie meditatieve momenten vanwege de Prot. Gem. Parkstad op You Tube gedichten voorgedragen door mij of anderen. Het Tv programma Mozaiek van L1 heeft begin 2024 een kleine opname van een ingesproken en met camera opgenomen tekst uirc. Een bijzondere presentatie vond plaats in nov. 2023 in het kader van het muzikale festival Festival Vocallis in Zuid-Limburg ( onder regie van Gert Geluk, een goede vriend). Op zijn verzoek schreef ik een sonnet binnen het thema Stilte van dat seizoen, het werd door een Engelse componiste (Juliette Romboti) op muziek gezet, en door de sopraan Bibi Ortjens, begeleid door Jana Schell, piano , gezongen , in een cultureel centrum (“de Lutherse Kerk”) in Maastricht.
Ik vul dit relaas nog wat aan. Het dichten geeft me namelijk, onverwacht en onbewust, ook een antwoord op de vraag “waarom zitten we eitenlijk op de trap ”. Ik leg uit hoe dat komt. Het zoeken naar taal voor woorden betekent voor mij in eerste instantie een proces van kijken en luisteren. Kijken naar wat je ziet en luisteren naar wat je hoort. Proberen om daarmee je koffertje te vullen. om uit te kunnen vliegen en weer terug zien te komen. En dat zo kinderlijk mogelijk, zonder vooroordelen en standpunten en principes. Horen en zien in deze wereld vergaat ons, zal je zeggen. Ja, maar er zit een werkelijkheid achter die je al dichtend bij je zelf moet zien te brengen.
Een tweede ervaring die ik op doe, is dat ik veel intenser dan vroeger, teksten van anderen, “echte, professionele” dichters lees en probeer te zoeken naar wat het mij doet, niet direct gaan afvragen wat er mee bedoeld is. Dat laatste is hels moeilijk, want te gauw ben je geneigd “uitleg te willen geven”, en dat leidt bij heel veel – zeker- moderne gedichten vaak tot frustratie. Iets van dit proces vond ik terug in een gesprek tussen de schrijver Daan Heerma van Voss en Rien Fraanje, in het themanummer “Vrees niet”, Liter 104, maart 2022, blz 20). Heerma van Voss zegt daar:
“Schrijven gaat bij mij om het schrijven zelf, om het proces van taal vinden voor iets waarvan je niet weet wat het precies is. Dat vind ik het mooiste wat er is, dat je iets schept en tegelijkertijd getuige bent van wat ontstaat. Dat is iets magisch, iets alchemisch, niets komt daarbij in de buurt. Alleen als ik aan het schrijven ben, voel ik mij helemaal op mijn plaats. Dan vraag ik mij niet af: Waar ben ik mee bezig? Wie ben ik? Doe ik het wel goed? Dat valt allemaal weg.”
De ( Poolse) Wislawa Szymborska ( 1923-2012), tenslotte, is een van die dichters die mij op deze tocht van lezen en luisteren heeft geraakt. Met het volgende gedicht van haar kwam veel van wat ik beleefde bij het schrijven, samen.
Uit: Einde en begin, Meulenhof 1999)
DE VREUGDE VAN HET SCHRIJVEN
Waar rent die geschreven ree door het geschreven bos naartoe? Gaat ze van het geschreven water drinken dat haar snuitje als een doorslag spiegelt? ‘ Waarom tilt ze haar kop op, hoort ze iets?
Op vier van de waarheid geleende pootjes steunend spitst ze onder mijn vingers haar oren. Stilte — dat woord ritselt ook over het papier en het duwt de door het woord bos veroorzaakte takken uiteen.
Boven het blanco papier liggen ze op de loer, de letters die zich misschien niet zullen schikken,
de insluitende zinnen waaraan niets of niemand ontkomt.
In elke druppel inkt zit een flinke voorraad jagers met toegeknepen oog, klaar om langs de steile pen omlaag te rennen, de ree te omsingelen en aan te leggen voor het schot.
Ze vergeten dat dit niet het leven is.
Zwart op wit heersen hier andere wetten. Een oogwenk zal zo lang duren als ik wil, ik kan hem opdelen in kleine eeuwigheden, vol in hun vlucht gestuite kogels.
Zo ik het beveel, zal hier nooit meer iets gebeuren. Buiten mijn wil zal zelfs geen blaadje vallen, geen sprietje buigen onder de punt van enig reeënhoefje.
Er bestaat dus een wereld waar ik absoluut over het lot regeer?
Een tijd die ik met tekenketens bind?
Een bestaan, continu op mijn bevel?
De vreugde van het schrijven.
Het vermogen te bewaren.
De wraak van een sterfelijke hand.
Om grond van bestaan te vinden
Ik ben, in dezelfde tijd als de zoektocht naar mijn roots, en de zoektocht naar de taal, nog op een derde spoor terechtgekomen. Dat is het lezen en in eigen woorden opschrijven van verhalen van de bijbel. De manier waarop ik vanaf mijn jeugdjaren met die verhalen was omgegaan was aanvankelijk luisteren naar het voor-lezen ervan door anderen. Thuis, Zondagschool, mijn eerste bewuste kerkgangperiode, was het eenrichtingsverkeer van de input. Natuurlijk niet altijd even aandachtig dat luisteren. Maar het leverde in de zondagschooltijd ieder jaar wel een cadeautje bij de kerstboom op: een boekje van W.G.van der Hulst – om zelf te lezen- en een sinaasappel. Velen met mij hebben hun jeugdherinneringen aan dit ritueel, dat landelijk werd uitgerold. De interactie werd gestimuleerd in een latere tijd van leer- en gespreksgroepen. Soms niet meer dan wat onderhoud, dan weer wegebbend, dan weer actiever. Vooral in de jaren van de Maastrichtse St Jan werd mijn interesse naar oorsprong en betekenis gewekt van wat de bijbel te vertellen had. Zeker speelde mee dat ik , wanneer ik wat meer wilde weten, de professionele kennis en kunde van mijn broer Maarten ( na zijn predikantschap en rectorschap van het Ned. Hervormde Seminarium Hydepark, hoogleraar praktische Theologie, inmiddels met emeritaat) kon aanroepen, zijn on-dogmatische oog en oor stonden altijd open en hij gaf duidelijk aan waar mijn leken-kar op dit gebied dreigde te ontsporen. Zijn humor, zo wezenlijk in deze zoektocht, was een soort leidsel: in de verhalen wordt een spel van het leven leren leven verbeeld, zo leek hij steeds mee te geven. En de discussies met hem, al emailend, werden voor mij ANWB-paaltjes met wegwijzers Een en ander heeft mij er toe gebracht om een aantal bijbelboeken of delen zo te gaan lezen dat ik begon te begrijpen waar het “eitenlijk”: om ging. Ik hoefde wel niet letterlijk op de trap te gaan zitten, maar soms voelde ik wel de treden kraken of zag ik mijn koffertje gevuld met appeltjes voor de dorst onderweg. En toen begon ik ook het niet bij het lezen te laten en te denken “ach, dat heb ik aardig in beeld zo” ( mijn oude fout van vroeger), maar ben ik gaan opschrijven wat mijn leeservaring was. Niet een zoveelste vertaling van het bijbelverhaal, maar mijn eigen woorden in mijn eigen beeldtaal. Dat betekende een bijbelboek meerdere keren lezen, structuur en context ontdekken. En geen vooroordeel of geijkte exegeses na-apen, gewoon dicht bij mezelf houden. Wel kennis opdoen ( Berkhof, Tillich, Schillebeekx, Levinas, Buber, Jonathan Sachs, boeken van Maarten over de Thora en nog wat meer) )
Zo verging het mij met de eerste hoofdstukken van Genesis ( hemel en aarde, schepping en vernietiging, wat doet een god met de naam de Eeuwige er toe, wat doet de mens, wat is geschiedenis, is humaniteit universeel), met het boek Richteren en stukjes Jesaja ( hoe ontwikkelt zich een samenleving, hoe schouwt God en de profeet de wereld) , Het geboorteverhaal ( hoe is het verteld , hoe vertel ik het door). Het Evangelie en de
Handelingen door Lucas geschreven ( doortocht en terugtocht) en de Openbaringen ( zien en Horen, wat is de tijdgeest). En nog wat losse elementen van het christelijke erf. En Maarten toeval of niet, was in dezelfde tijd ook op de theologische weg bezig om met de de bijbelboeken heldere antwoorden te vinden op de zinsvragen van onze tijd. Prachtige tijd is dit om samen zo te werken aan wat ons bezig houdt.en soms begrijpen waar geloof
“eitenlijk” mee te maken heeft: vertrouwen. In het documentaire gedeelte van de Schrijftafel hierna zijn de geschreven gedachten opgetekend, met de inspirerende discussies met Maarten erbij; zijn eigen leeservarngen zijn ook in de documentatie opgenomen)
Een klein slotsermoen
Zowel bij de familieverhalen, het poëtische woordspel als bij de bijbelse verkenningen stond het “waarom” centraal. . Een alleszins bevredigend antwoord gevonden? Neen. Dat moet je maar niet willen, dan is de spanning er gauw van af. Ik ben wel van de trap afgekomen en heb, samen met Dien en heel veel anderen, de weg om antwoorden te zoeken als een cadeau ervaren, de appels voor de dorst onderweg hebben gesmaakt.
Valkenburg aan de Geul, juni 2024.
Kees den Dulk
[1] Luyten, Marcia, Het Geluk van Limburg (2016), De Bezige Bij, Amsterdam/Antwerpen