Iets over bezieling en worstelen met woorden

Iets over bezieling en worstelen met woorden
Een antwoord op vragen van geduldige en kritische lezers van de teksten van deze website door Kees den Dulk

Intro op de poezie

“…poetry is not a luxury. It is a vital necessity of our existence. It forms the quality of the light wit hin which we predicate our hopes and dreams toward survival and change, first made into language, then into idea, then into more tangible action. Poetry is the way we help give name to the nameless so it can be thought. The farthest horizons of our hopes and fears are cobbled by our poems, carved from the rock experiences of our daily lives.”

Audre Lorde (in: Your silence will not protect you, Silver press, 2017 (1977)

Hoe gaat dat dan, gedichten schrijven?

Wel, het  is  voor een deel een natuurlijk proces. Ik bedoel daarmee, het is geen georganiseerd fabricageproces, zo van om negen uur achter je bureau/ pc en dan een aantal werkuren en een mooie tekst  maken. Het loopt anders, en het begint op onverwachte momenten, heel vaak ’s nachts, als je wat ligt te mijneren. Er valt een woord, een paar samenhangende woorden, een zin bij me binnen. Waarvan ik denk, daar kan ( moet?) ik wat mee. Die woorden schrijf ik op een papiertje; dat is vooral’s nachts heel handig want anders ben je ze de volgende ochtend gegarandeerd kwijt. Voorbeeld: ik vond op een ochtend een krabbel terug : kinderen zwieren door de lucht. Dat komt  dan bij mij binnen als  een beeld van een  dynamiek van vrijheid enerzijds en een beetje zorgelijke angst anderzijds.  Daar ga ik dan op een moment als ik er zin in heb en tijd voor kan nemen, mee aan het werk, zet het in een soort kader( in dit geval werd het  kermis), en schrijf zinnen en regels. Leg het weg en breng het later weer onder mijn aandacht.
Dan wordt het iets spannender, want om er een gedicht van te maken moet ik kiezen voor ritme, al dan niet rijm  en vrije of vaste  versvorm. Natuurlijk ook lengte, maar het einde krijgt meestal  werkende weg wel haar beslag. De keuzes die ik heb gemaakt geven daarna aanleiding tot een langer proces van slijpen en schrappen, meerdere malen weer opnieuw beginnen, en zo nog meer “ boetseerwerk”.
De “ zwierende “ kinderen zijn uiteindelijk zo in dit gedicht terechtgekomen:

Kermis

Kinderen zwieren door de lucht
bij hoog en bij laag verzekerd
door vasthoudendheid.


De achtbaan raakt niet aan de grond.
Toezichtkijkers houden hun adem in.


|Wanneer de gierende angst de bodem
heeft bereikt, stopt de sirene.
Uitstappen voor een suikerspin
.

Dus hier geen rijm , geen vast versvorm , wel ritme in de doorlopende zinnen en regels.

Een rijmgedicht met vaste regellengtes per strofe  heb ik meer recent gemaakt. Het heeft me hoofdbrekens gekost, dat is zeker. En de vraag is of het een gedicht is wat beklijft. Het gaat om

Keerpunt

Hij schiet zijn doel voorbij,
op eigen horizon gericht.
Geen baken keert zijn tij,
zijn duister geeft geen zicht.


Storm keert zijn drijfveer om.
Hij koerst op onbekend en strandt
-zonder signaal waarom-
op leegten van nieuw land,


waar door een hoog gerucht
zijn verte in verlangen keert,
dat hem van wind en lucht,
van hemel en van aarde leert.


Zijn ogen krijgen rust
voor tekens die nu woorden zijn
van nieuwe taal. Gekust
door zon laaft hij zich aan de wijn.


Mijn sterke punt – en dat hoor ik vaak  in reacties- is het oproepen van beelden met zo weinig mogelijk woorden. En daarbij woorden in onverdachte en onverwachte betekenis een plaats geven waardoor de beeldvorming nog meer kracht krijgt. Tegelijk is dat ook een valkuil: een te compacte tekst kan tot onbegrepen taal leiden. Aan de andere kant van deze schaal staat de langere vorm van de tekst. Dat pas ik enkele malen ook toe. Daar kruipt dan wel eens de verhalende vorm ( “parlando”in kennerskringen) naar binnen. Om de kracht van poezie te behouden probeer ik dan tezoeken naar een structuur van (groepen van) strofen die elk een eigen betekenis hebben; je zou ze los van elkaar moeten kunnen lezen. Het lukt me zeker  niet altijd.   Ik vond het wel sterk terug in “  Spel van de wilde Jacht”van Gerrit Achterberg. En  Wislawa Scymborska weet op annavolgbare wijze langere gedichten te maken waar het parlando geen of nauwelijks een rol speelt.  Het is een uitdaging om daar in de komende tijd aan te gaan werken.

Er ontbreekt in de beoordeling van literatuur, en zeker ook in de poezie, zelden of nooit de maatstaf van het al dan niet aanwezig zijn van ( verdiepende ) lagen. Teksten in “platte” taal worden op hun best welwillend gelezen, maar snel aan de kant geschoven. Voor schrijvers en dichters een taak om daaraan te ontkomen. Je moet een zekere passie hebben voor het onthullen van meerdere werkelijkheden in het menselijk bestaan en taal is daarvoor uitermate geschikt. Dat is mooi gezegd, zal je zeggen, maar ik heb met scha en schande geleerd dat het tegelijk een valkuil is. Verschillende, op zich voor de hand liggende, lagen ( in- en uitzoomen van situaties, perspectieven, actoren, aspecten op aaneensluitende niveaus) kunnen al tot chaos leiden als er geen duidelijk verband in wordt aangebracht. En, dat verband kan te maken hebben met de filosofie of levenshouding van de schrijver/ dichter. Dan is er een verdieping aan de orde waar ik zelf niet aan ontkom, zo merk ik. Dat is mijn ( protestants-) christelijke achtergrond . Er is niet veel voor nodig om daarmee slordig om te gaan. Een makkelijk sausje over de taal heen leggen, archaisch taalgebruik toepassen van waar je vroeger mee werd grootgebracht, moralisme als slotakkoord zijn dan gewillige ingredienten. In de erste aanloop ( de Proeftuin-serie) in mijn dicht-periode had ik nog redelijk veel neiging om me vaak te bedienen van – overigens niet al te zalvende – “gods”aanduidingen. In de daaropvolgende periode begon ik daar kritisch naar te kijken. En dacht wat meer na over wat ik met mijn passie op dit gebied nu precies wilde doen. Als het uitsluitend een religieus ritueel dient, als ik dat tenminste goed herken, laat ik het achterwege. Wanneer ik verwijzingen naar basistonen van geloof een essentiele bijdrage nodig heb, dan zoek ik naar de taal die daarbij hoort. Denk aan humaniteit, hoop, verlangen. En daar komt de valkuil op de proppen. Want als ik te nadrukkelijk termen ga vermijden ( God, Jezus, bijbelse vertellingen) om maar niet te christelijk over te komen , maar tegelijk deze verwijzingen wel zo bedoel, dan ius de taal niet transparant en zal de lezer in verwarring raken. Ook op dit punt zal ik in de komende periode op moeten letten om een goede balans te vinden.
Een voorbeeld van een gedicht waar  levenshouding,  in mijn taalgebruik doorklinkt, nadrukkelijk maar niet verhuld, is  het gedicht dat in 2018 als eerst werd gepubliceerd in een lokale gedichtenbundel:

Syrië


Kind was ik, keek om me heen en zag de beelden
waarover elders in de wereld werd geschreven
daIk zag mijn dode moeder, zocht tevergeefs haar hand,



er lagen stapels stenen waarin ik gisteren nog speelde.
Er klonk geluid, dat ik pas later zou verstaan.


Nu lees ik mijn geschiedenis, bevrijd. Maar scherp
voel ik de pijn van kinderen die zinloos lijden,
van volken op de vlucht, en ik weet zeker:

ik zal het doorvertellen zolang ik leven heb.

Ik bid, o God, dat als een leven wordt ontkend,
er naar “uw wil in hemel en op aarde” even geen oren zijn.
Ik hoor uw woorden van bevrijding

en zal daarover steeds verhalen.



Intro op de poezie, de vertellingen en bijbelse verkenningen

“Schrijven gaat bij mij om het schrijven zelf, om het proces van taal vinden voor iets waarvan je niet weet wat het precies is. Dat vind ik het mooiste wat er is, dat je iets schept en tegelijkertijd getuige bent van wat ontstaat. Dat is iets magisch, iets alchemisch, niets komt daarbij in de buurt. Alleen als ik aan het schrijven ben, voel ik mij helemaal op mijn plaats. Dan vraag ik mij niet af: Waar ben ik mee bezig? Wie ben ik? Doe ik het wel goed? Dat valt allemaal weg.”

(Daan Heerma van Voss in gesprek met Rien Fraanje, themanummer “Vrees niet”, Liter 104, maart 2022, blz 20).

Het begon zo:

Ik vroeg me af wat het is: oerknal of schepping. Ik zocht her en der in de bijbelse verhalen naar een begin. En er kwam geen eind aan. Terwijl ik door bleef lezen begon ik op mijn digitale tafel in eigen woorden op te schrijven wat deze leeslessen bij me opriepen. En speurde wat in literatuur en correspondeerde met vrienden om een en ander helder te krijgen. Maar wat mij het meest hielp en enthousiast maakte in deze zoektocht waren de reacties en commentaren van Maarten den Dulk, mijn broer en professioneel theoloog ( in zijn werkzame leven predikant en later hoogleraar theologie op de leerstoel Praktische theologie in Leiden). Dat was nodig ook, ikzelf heb een economische opleiding en werkte bij het Centraal Bureau voor de Statistiek. Door zijn bijdragen voorkwam ik lekepraat in mijn teksten en gaf het me begrip van de bijbelse theologie, dat mij zo aansprak. De leeservaringen van mijzelf , gecombineerd met commentaren van Maarten, heeft teksten opgeleverd die ik in een bundeltje (map) onder de titel Bijbelse verkenningen  heb vastgelegd. Ik ben mijn broer veel dank verschuldigd, dat heb ik hem ook geschreven.

En ik schreef  aan  Maarten:

“Ik hoop alles wel ? De zon begint langzaam te ontdekken dat we haar nodig hebben, en dat geeft weer wat ander schwung aan het bestaan voor jullie in goede zin. Bij ons alles goed te noemen. Of het met die zon te maken heeft, weet ik niet, maar ik kreeg de ingeving om een kleine wending in mijn activiteiten aan te brengen. Ik heb de laatste jaren nogal wat plezier gehad aan het op papier zetten van allerlei gedachten en geschiedenissen. Mijn bundeltje levensverhalen en het gedichtenbundeltje waren daar voorbeelden van. En in de afgelopen jaren, maar ook daarvoor al had ik met jou inspirerende gedachtewisselingen over allerlei items die de theologie hier en daar raakte.
Ik ontdekte gaandeweg dat de oorsprong van ons bestaan niet simpel en alleen een oerknal is. Hoe die woorden etymologisch ook op elkaar lijken, ze staan voor twee poorten naar ons leven: de oerknal van de evolutie en de oorsprong van de schepping. We omarmen van harte de natuurwetenschappelijke kennis over ontstaan en duizelingwekkende ontwikkeling van kosmos en leven, van Copernicus tot Hawking en nog lang hierna ten diepste bestudeerd. Tegelijk weten we ons geborgen in de armen van de Eeuwige en gaan we samen met alle anderen een weg ten leven. En dat laatste, die weg, is uitdaging én struikelblok, ondanks de evolutie. Zo zeg jij het ook ( “Voor een nieuw begin”,blz 89): Mensen verwekken mensen en zij vormen een duurzame samenleving en zij maken geschiedenis .De toekomst is aan de Humaniteit!.” En je geeft vervolgens aan hoe we die geschiedenis met vallen en opstaan gestalte geven. Over humaniteit en de bedreiging van onmenselijkheid schreef ik (ook al wat eerder) wat gedachten op. Ik dank je zeer voor de inspiraties die mij aanzetten tot een en ander“.

Kees 

Ik vind het nu tijd om de teksten die daar uit volgden een beetje te ordenen.  Dat heeft betekend dat ik onze discussie over Genesis, Richteren, Lucas, Handelingen en Openbaring en nog wat meer tot een mooi einde wil brengen. Dat deed ik door een en ander te bundelen en in een kader te zetten. En omdat jij meedenker en meeschrijver was in de discussies, wil ik je deze bundeling toesturen. En daarvoor dank ik je zeer. Groeten, ook aan Greet (die zal herkennen waarover Dien ook wel eens zuchtte: “hij houdt maar niet op”.
En die beginvraag (Oerknal of Schepping?) heb ik daar nog antwoord op gevonden?
Heel voorzichtig kwam ik na enige tijd tot inzichten, zoals boven al ingeleid. Maar het zal steeds weer aangevuld en bijgeschaafd worden, “het houdt niet op”. Maar veel meer opschrijven doe ik niet meer. Ik geniet genoeg van elke dag en van alle dagen met Dien. Dien, die me zo helpt om dat moeilijke woord geloven te “vertalen “in vertrouwen. Daar ben haar ik dankbaar voor.

Tenslotte,
Ik ben zeer  dankbaar dat  deze passie mij in mijn  latere levensfase is overkomen, dat ik lieve en professionele mensen  in mijn omgeving heb die mij voor valkuilen  behoeden en mij verder op weg helpen. Ik ga nog maar even door. Het bevalt me.