Een leeservaring met het boek Richteren door Kees den Dulk met commentaren van Maarten den Dulk en een preek over de fabel van Jotam (van ds.Olivier Elseman) , maart 2024
Inhoud
Reactie Maarten op de INTRO.. 5
Eerste neerslag leeservaring. 6
Reactie Maarten op deze eerste neerslag. 13
Vervolg eerste neerlag en reactie Maarten: 15
De leesvolgorde van Richteren. 19
Gedachtewisseling tussen Kees en Maarten over de Leesvolgorde. 61
INTRO
De bijbelboeken van de vroege profeten- Jozua, Richteren, Samuel en Koningen- vormen een bundel bijbelteksten, die als een roman lezen. Een roman over de aankomst van een zwervend volk in een door hun God beloofd land, en over de daaropvolgende worsteling en inspanningen om daar een samenleving op te bouwen. Een samenleving, die “ tov” zal zijn in de ogen van die God.
In de Thora – de vijf boeken van Mozes daaraan voorafgaand- – wordt het verhaal van de zwerftocht uit de doeken gedaan. De nomaden, zo wordt verteld, vormen een verband van een aantal stammen, van oorsprong afstammend van een Kanaäniet Jacob, die zijn bestaan te danken had aan zijn vader Isaak en oervader Abraham. Zij zijn het rijk van de farao van Egypte ontvlucht, waar ze ooit, als vreemdelingen en hecht familie stamverband van zo’n 90 mensen terecht waren gekomen. Uitgegroeid tot een groot volk worden ze hardvochtig onderdrukt en als slaven behandeld omdat de farao als de dood zo bang is dat ze als een meerderheid de dienst gaan uitmaken. En dat ook nog eens versterkt doordat ze met elkaar hecht verbonden zijn in een religieuze cultuur waar de “Ene God” wordt aanbeden. Het (Thora-) verhaal gaat dat hun God zich hun lot aantrok, hen tot een bevrijdingsuittocht aanvuurde en hen daarin bijstond en hen een bestemming verzekerde van een welvarend toekomstland buiten de invloedssfeer van de onderdrukkers uit Egypte. De tekst in het tweede boek van de Thora (Exodus 3: 7-10) – ik lees het als de basiswoorden bij een bevrijdingsfeest- zegt het klip en klaar:
De HEER zei: ‘Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is, Ik heb hun jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord, Ik weet hoe ze lijden. Daarom ben Ik afgedaald om hen uit de macht van de Egyptenaren te bevrijden, en om hen uit Egypte naar een mooi en uitgestrekt land te brengen, een land dat overvloeit van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten. De jammerklacht van de Israëlieten is tot Mij doorgedrongen en Ik heb gezien hoe wreed de Egyptenaren hen onderdrukken. Daarom stuur Ik jou nu naar de farao: jij moet mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte wegleiden.’
En dan staan ze voor de grenzen van het oerland Kanaän om binnen te trekken. Hun voortrekker/reisleider Mozes heeft hen daar, na de jarenlange periode van onderdrukking en slavernij en na veel omzwervingen teruggebracht. Hij heeft tijdens de reis verzekeringspapieren van Jahweh, de Ene of Eeuwige, zoals de God van Israël ook wordt genoemd, gekregen die hij steeds heeft moeten voorlezen om het volk op het goede spoor te houden. Jozua moet, na Mozes ’dood de feitelijke intrek in Kanaän regelen. Hij brengt de belofte van God en de afspraken die hij met het volk (“am” In de Hebreeuwse taal) wil maken, nog eens in kaart. En zet ze op weg met, zoals ik het zou willen noemen, ieder een ID kaart op zak. Daarop op de voorzijde hun persoonlijke naam, de naam van de stam waartoe ze behoren en de regio waarin ze hun woonplek zullen vinden. Op de achterzijde het stempel van de belofte en de afspraken met Hem: Ik heb jullie uit de slavernij bevrijd. Ik ben jullie enige God. En maak van jullie samenleving een samenleving die goed (“tov”) is. Daar heb ik mijn oog op geslagen, dat zou me bevallen. Als je er de brui aan geeft, kan ik niet tegenhouden dat jullie een groot probleem over jezelf uitroepen. Ik blijf jullie wel trouw, wees je daarvan bewust. Maar hou in de gaten dat je er een hoge prijs voor betaalt, als het misloopt. De stammen trekken binnen, worden met andere volkeren, andere culturen, andere goden geconfronteerd. De ID-kaarten worden eerst nog stevig in de hand gehouden. Maar de overheersers staan te trappelen om hen te verdrijven, de stammen en de leiders vechten ook niet zachtjes terug, het loopt niet zomaar goed af. En van lieverlee en door de tijd heen is er steeds weer de verleiding om de ID-kaarten ver weg op te bergen, misschien wel weg te gooien en eigen wegen en goden te zoeken om zich staande te houden. En zich in hun omgang met andere mensen en volken zelfs misselijkmakend te gedragen, niet-proportionele tegenacties uit te voeren.
Dan is God degene die zijn blik laat gaan over deze gang van zaken en zegt: “het is niet goed in mijn ogen, wat daar gebeurt”. En Hij grijpt nu eens in, en dan weer laat hij het begaan, het lijkt erop dat Hij ook wil dat ze voelen wat de consequenties van een nier ”tov”-gedrag is. Wat bij de bouw van een nieuwe samenleving op een vast grondgebied wel nodig is, zo geeft Hij aan, is het aanwijzen van een “sjofeet”. Wij zeggen richter, rechter, het zou zelfs ons begrip “stadhouder” benaderen. En later een “melek”, koning, daar wordt veel later binnen de stammen om geroepen (“dat hebben ze bij de andere volkeren toch ook, waarom wij niet”?). Als spiegel om hun gedrag duidelijk te maken en aan te zetten om om te keren, zet Hij tegelijk de profeten (“ neviim”) in. Tegenover de overtreding van de grenzen van gerechtigheid is het vuur van de woede als ook de wegwijzer naar recht en vrede van de Ene nodig, door de mond van de profeten geroepen.
Zo laat zich de geschiedeins van de Israëlieten in Kanaän/Palestina lezen, beginnend met het boek van Jozua, doorlopend in de Richteren, Samuel en Koningen. En dwars op die teksten hoor je de stemmen van de Profeten, waarvan Jesaja een geluid van groot gezag is.
Kees den Dulk – 1937, geen theoloog- schreef dit document “Samenleving in wording” als leeservaring van het boek Richteren in de periode 2023/2024, zodanig dat ze verstaan kunnen worden in de wereld van de 21e eeuw. Hij kon een beroep doen op de theoloog Maarten den Dulk (1941) om mee te lezen en commentaar te krijgen. Daar heeft hij met dankbaarheid gebruik van gemaakt. Het geval wilde voorts dat Maarten in diezelfde periode bezig was met het boek Jesaja, de bovengenoemde profeet. De synergie in schrijven en denken tussen de twee broers gaf een bijzonder cachet aan het tot stand komen van deze leeservaring.
>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>
Reactie Maarten op de INTRO
Dank voor je reactie, Kees, op mijn ‘Jesaja’ – en wat een mooie samenloop van handelen, dat we beiden de profetenboeken volgen. Jij hebt de ‘vroege profeten’ gekozen en ik ben met één van de schriftprofeten op gang gegaan. Blijkbaar vraagt deze tijd om deze verhalen. En ze hebben inderdaad alles met elkaar te maken. Ik ga zo gauw ik kan je tocht door Richteren volgen. Morgen een heel zieke vriend bezoeken, overmorgen de begrafenis meemaken van een collega. Maar de tijd komt wel.
De profeten gaan spreken in tijden van omkeer en verandering. Toen ik begon als predikant, jaren zeventig, raakten de profeten aan de stemming van de revolutie van links. We moesten ze wel horen. In de jaren zeventig heb ik Richteren vaak aan de orde gesteld in Wormer. De tijd vroeg erom. Maar in de jaren tachtig en negentig stonden ze meer op afstand. In die tijd ben ik niet met de Profeten maar met de Thora aan de gang gegaan. En nu, sinds een paar jaar, in de tijd van de revolutie van rechts, zijn het opnieuw de profeten die zich roeren. Nee, het is geen toeval dat we beiden met deze taal bezig zijn. Ook de manier waarop we bezig zijn is interessant: we hebben er beiden voor gekozen om de samenhang van een heel boek op de voet te volgen. Dat was ooit de ambitie van de reformatie, namelijk om de Bijbelboeken zelf te laten spreken in hun geheel en niet in losse fragmenten. Het boek is samengesteld als leerboek en geeft de volgorde van het leren aan. Er is geen betere weg dan gewoon de vertelling te volgen.
Als ik even je tekst ‘scan’ komen de herinneringen aan mijn eerste jaren in Wormer weer boven. Ben heel benieuwd hoe jij het nu ‘hoort’. Hoe dan ook, je hoort nog van me!
Maarten
>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>
Eerste neerslag leeservaring
Kees: zo begon ik mijn leeservaring met Richteren:
Vooraf
Het begon zo. Ik pakte de draad weer op om een Bijbelboek te lezen en mijn ervaring in woorden neer te schrijven. Dit keer koos ik de literatuur over de tijd dat het volk Israël na de omzwervingen uit Egypte een samenleving in Kanaän opbouwt, al dan niet in het besef van het verbond dat de ene God met hen heeft gesloten. Het volk dat zich staande probeert te houden tussen de andere volkeren, zichzelf in tweeën scheurt, en tenslotte tot diaspora wordt veroordeeld. Het gaat dan om de boeken Jozua, Richteren, Samuel, Koningen. Het is de tijd die men inschat te liggen tussen ca 1404 en 586 voor Chr. Het gaat om de verhalen over een samenleving waar eerst 12 Richteren het volk (als verspreide bevolkingsgroepen als ook bevolkingen van steden) militair en juridisch bij elkaar houden, daarna 41 Koningen, die als heersers over het hele volk, later gesplitst in twee delen, Israël, resp. Juda, worden aangesteld of geroepen. Veel en lange verhalen, hoe ga ik daar mee om?
Ik schreef boven “al dan niet in het besef van… de ene God”. En dat is een van de verhaallijnen. Hoe gaan het volk en de leiders om met dat Godsbesef en wat is de reactie van die God, zoals de auteurs dat optekenen als ervaringen binnen allerlei geledingen van dat volk. Een God waarvan het verhaal gaat dat hij in een eerder stadium van de geschiedenis van de mensheid een verbond met dit volk had gesloten. Met de bedoeling om een duurzame samenleving te creëren op grond van een tiental basis-leefregels en een samenstel van praktische -”bijsluiters”: de Thora, de 5 boeken van Mozes. Die moesten voor het volk van Israël tot religieuze leidraad gaan dienen.
De verhalen van Jozua, Richteren, Samuel en Koningen spelen zich af in wisselende tijden van vrede en heftige strijd met omliggende volkeren. Met grote verliezen en grote overwinningen aan beide zijden. En juist in die context wordt het verbond op de proef gesteld. Volk en leider leefden heel vaak niet “goed in de ogen van God” en de reactie bleef dan niet uit; onderdrukking, moordpartijen, afzweren van die god en Baal dienen, verbanningen en deportatie. Om tenslotte als over de wereld verspreide groepen Joden, of als in Juda op hun eigen Joodse religieuze stellingen teruggetrokken en door andere volkeren door de Romeinen overheerst, zonder daadwerkelijke leiders, voort te blijven bestaan. Eén visioen blijft voor de joodse gelovigen een samenbindende gedachte: er zal een Messias komen, die de wereldorde weer herstelt waarvan gezegd kan worden dat “die beste Zeit iszt Gottes Zeit”.
Het verhaal van Jozua, Richteren, Samuel en Koningen eindigt – afgezien van de genoemde toekomstvisie- bijbels historisch gezien- schijnbaar als eindpunt van het verhaal van Gods bemoeienis met het volk van Israël en de wereld. Dat is het echter voor een betrekkelijk kleine groep joodse mensen rond het jaar 30 na Chr. niet het geval. Zij hebben zich laten inspireren door een kleine, koppige man uit Galilea, met de naam Jezus, geboortig uit joodse ouders uit Nazareth. Die heeft een manier van optreden waar gezag van uitstraalt. Gesuggereerd wordt dat het een richter, nog liever een koning is; hij lijkt in zijn optreden overigens nog het meeste op een profeet, maar is dat toch eigenlijk ook weer niet. Hij had zich na zijn religieuze jeugdervaringen thuis en in de synagogen in zijn regio en in de tempel in Jeruzalem, en na een lange tijd van leven in de anonimiteit, o.a. binnen de afzondering van de strenge religieuze groepering van de Essenen, op zijn dertigste levensjaar gezet aan pelgrimages door Galilea en Juda. Hij weet veel mensen, die hij in een periode van drie jaar ontmoet op zijn omzwervingen, eindigend in Jeruzalem met de doodstraf, aan zich te binden en hen te overtuigen van een bijzondere boodschap en oproep tot een andere levensstijl. Zonder dat hij het verhaal van het verbond van de ene God met hun volk ook maar voor een millimeter opgeeft. Hij doet dat ook op gezag van die God, zich beroepend op de overgeleverde geschiedenis van de zoektocht van de mensen en God naar elkaar. Een geschiedenis die in een indrukwekkend palet van verhalen (Thora, Newiim en Chetoeviim, samen de Tenach, door de tijd heen verteld en opgeschreven werden. Jezus heeft die verhalen tot zich laten doordringen, het is de basisbagage van zijn eigen pelgrimsreis. Hij roept mensen op “om te keren ”, leert hen wat humaniteit is en doet dat in de praktijk voor. Last but not least wordt hij door de Joodse elite als opstandeling tegen het gezag aangeklaagd, veroordeeld tot doodstraf (aan het kruis), maar komt in een bijzondere gedaante bij zijn volgelingen weer op hun pad en spreekt met hen als de opgestane Heer, voordat hij de wereld definitief verlaat. En die bijzondere ervaring is de doorstart geworden van de geschiedenis van mensen, die met de bagage van de Tenach – uitgebreid met die van de levensweg van Jezus- een Joods-Christelijke beweging van ongekende omvang aan de gang hebben gezet waar de wereld tot op vandaag mee te maken heeft.
Toen ik mij na een eerste – nog maar zeer oppervlakkige- lezing van de Richteren- en Konings boeken deze verhaallijn nog eens goed realiseerde, werd me duidelijk dat “Bijbelse” geschiedenis haar zin ontleent aan drie handelingen van mensen: lezen of luisteren naar de verhalen, daarin onderscheiden wat wijst op het verbond van God met de mensen en – net als Jezus- dit als basisbagage en voedsel voor onderweg meenemen om te delen met anderen en te vragen of ze ook zo willen leven.
In onderstaande tekst heb ik mij beperkt tot het boek Richteren. Dat boek alleen al vormt een veelvoud aan beelden die niet makkelijk met grote verfstreken zijn samen te vatten.
Ik ga proberen het boek zo te lezen dat ik de zin ervan met de reisgids zoals boven geschetst in mijn rugzakje meeneem. Hopelijk blijf ik op het goede spoor.
Ik kies ervoor in dit leesdocument het woord Richteren te gebruiken. Het woord dat in het Hebreeuws wordt gebruikt is “Sjofeet” en betekent : iemand die orde aanbrengt in de maatschappij. Dat kan op allerlei manieren: door regeren, bevrijden van onderdrukkers, en ook door rechtspreken. Al die betekenissen komen ook voor in de bijnel, zoals in Richteren 2: 16
“Dan liet de Heer een richter optreden om het volk te leiden en het te bevrijden van de roversbenden”
Twee woorden
Ik ga eerst even terug naar de Thora en wel naar Exodus 1: 7. In deze tekst uit de Thora worden de nazaten van Israël (= Jacob) voor het eerst met een gezamenlijke naam, als “Israëlieten”, aangeduid. Nadrukkelijk als meervoud: “Jozef en zijn broers en al hun generatiegenoten stierven, maar hun nakomelingen kregen veel kinderen en zo breidden de Israëlieten zich steeds meer uit. Ze werden zo talrijk dat ze het hele land bevolkten “.
In de verdere loop van hun prille geschiedenis worden ze steeds vaker “het volk van Israël” genoemd. Zo voelen ze zich door de God van hun vader(en) aangesproken, ze horen bij elkaar als een samenleving, ontstaan als een extended family. Er ontrolt zich de geschiedenis van een verbond dat deze God met Mozes had gesloten op de berg Sinaï. Een verbond tussen Hem die de enige God wil zijn met en voor het hele volk Israël.
En in die onopzegbare verbondenheid trekt het volk Israël door de geschiedenis van mensen. Het zal ondervinden dat het onttrekken aan de leefregels die meegegeven worden met uiterst pijnlijke valpartijen, opstandigheid, breuken, en dan weer opkrabbelen gepaard gaat. Het is een leerproces om de zin van een samenleving in de geschiedenis van je volk te ontdekken.
Het wordt ons in de Thora verteld als het verhaal dat begint met een ontsnapping uit de greep van een aan hun volk vreemde cultuur waar vreemde goden vereerd worden, het land van Egypte, waar ze als slaven werden ingezet in de economie van dat land. Hun God, hun enige God zal hen in de lange loop van hun bestaan steeds herinneren aan zijn rol daarin: “ik ben de Heer, uw God, die u uitgeleid heeft uit land van Egypte”. Het is het terugkerende, herhalende woord van God zelf. Maar het blijft niet bij het uitleiden, het gaat in het verhaal van het volk van Israël vervolgens om het (beloofde) nieuwe begin: het weer terugkomen op een stuk aarde waar hun roots liggen. Deze werdegang in Israëls geschiedenis is cruciaal. Het wordt hen door boodschappers van hun God verteld, dat ze daar weer opnieuw mogen beginnen om een samenleving op te bouwen. Dat is het eerste woord.
Exodus 23: 20-33
Ik stuur een engel voor jullie uit om je op je tocht te beschermen en je naar de plaats te brengen die Ik voor jullie bestemd heb. Neem je voor hem in acht, gehoorzaam hem zonder tegenspreken, want hij handelt in mijn naam en zou jullie je opstandigheid niet vergeven. Als je hem gehoorzaamt en alles doet wat Ik zeg, zal Ik de vijand van jullie vijanden zijn en jullie onderdrukkers onderdrukken. Mijn engel zal voor jullie uit gaan naar het gebied van de Amorieten, de Hethieten, Perizzieten, Kanaänieten, Chiwwieten en Jebusieten, en Ik zal die volken uitroeien. Neem hun gebruiken niet over, kniel niet neer voor hun goden en vereer ze niet; haal hun godenbeelden omver en verbrijzel hun gewijde stenen. Vereer de HEER, jullie God, dan zal Hij je voedsel en je water zegenen en jullie vrijwaren van ziekten. Geen enkele vrouw in jullie land zal dan een miskraam krijgen of onvruchtbaar zijn, en Ik zal je een lang leven schenken.
De schrik voor Mij stuur Ik voor jullie uit, Ik zal paniek zaaien onder elk volk waarmee jullie in aanraking komen, zodat al je vijanden op de vlucht slaan. Ook stuur Ik een zwerm horzels voor jullie uit, die de Chiwwieten, de Kanaänieten en Hethieten zullen verjagen. Maar Ik verdrijf hen niet allemaal in één jaar, anders zou het land verwilderen en zouden er te veel wilde dieren komen; Ik zal het geleidelijk doen, totdat jullie met zo velen zijn dat je hun land in bezit kunt nemen. Ik zal jullie een gebied geven dat zich uitstrekt van de Rode Zee tot aan de zee waaraan de Filistijnen wonen, en van de woestijn tot aan de Eufraat. De bewoners van dat hele gebied geef Ik in jullie macht, en jullie zullen hen verdrijven. Sluit geen verbond met hen of met hun goden. Zij mogen niet in jullie land blijven, anders zouden ze jullie ertoe verleiden hun goden te vereren en tegen Mij te zondigen. Dat zou jullie ondergang zijn.’
Een stuk aarde, een land, je eigen comfort-zone waarin je zit, moeten verlaten, onderwerping aan andere machten ondergaan, een ongewisse doortocht meemaken en weer opnieuw beginnen, dat is de never ending story van de bijbelse geschiedenis. En of je dit op eigen kracht wilt volvoeren onder een leiderschap, dat alleen gebaseerd is op een (sociaal) contract, of dat er een (sociaal) verbond nodig is binnen jouw samenleving, gebaseerd op een verbond met een God. Een die zegt daar niet aan te tornen. Dat nu is het dilemma dat de Bijbelse verhalen van Jozua, Richteren, Samuel en Koningen, ons als lezers in de 21 eeuw als een spiegel voorhouden. Niet meer en niet minder.
Er dan is er een tweede woord waar een klemtoon op ligt en steeds wordt herhaald in de verhalen. Dat is het woord “goed”, tov in het Hebreeuws. Het volk Israël de ene keer, de leiders, Richteren en koningen, de andere keer doen het, zoals de verhalenschrijvers het verwoorden, al dan niet “goed” in de ogen van God”. Het zijn geen toffe jongens (en meisjes) in veel gevallen, als het gaat om het trouw zijn aan het verbond en de leefregels volgen. In een aantal gevallen juist wel, dan gaan ze “ tov” in Gods ogen. De gevolgen van dit gedrag liegen er niet om. Het is ofwel pijnlijk puinruimen, ofwel, als het “ tov” is, een periode van rust in de tenten van het volk van Israël. Ook hier is er een vindplaats in de Thora, Exodus 15: 26 waar de basis van deze woorden te vinden is :
Hij (God) zei: “Als jullie de woorden van de HEER, jullie God, ter harte nemen, als jullie doen wat goed is in zijn ogen en al zijn geboden en wetten gehoorzamen, zal ik jullie met geen van de kwalen treffen waarmee ik Egypte heb gestraft. Ik, de HEER, ben het die jullie geneest”.
Duurzaamheid, gerechtigheid, ijkpunt van Zijn bedoelingen met de aarde en de mens, schepping van tijd en ruimte voor ons bestaan, dat zijn de diepere lagen in het zien van God. In dat licht lees ik de herhalende woorden in Richteren “(niet) goed in de ogen van God”.
Er is over de woorden :” goed in de ogen van God “ nog wat meer te zeggen. Het werd ook gebruikt in het eerste scheppingsverhaal uit Genesis 1: “God zag dat het goed was” , tot zeven keer daar herhaald. Dingena Spreeuwenberg citeert in haar ( in eigen beheer uitgegeven) boek “ In een begin…”( Maastricht, 1990) gedachten over deze scheppingswoorden uit
Artscroll :,“ De voortdurende bestaanswijze is tot Zijn genoegen. Hij wil dat het eeuwig zal bestaan. De duurzaamheid is vastgesteld ”.
Zoals er gezegd is over de Schepping ( I. Soetendorp) : “ God ziet dat het “ goed” is en niet “ mooi” of “ schoon”. De Grieken zagen hun hoogste norm in “ het schone”. In de Joodse traditie worden echter het “ goede” en de “ gerechtigheid” boven het schone gesteld”.
Dichter bij Genesis ( K. Bouhuijs en K. Deurloo): “ Het is goed voor Gods bedoelingen. Als er een situatie ontstaat, die niet goed is, moeten wij er naar streven dat het weer goed komt.Wij moeten niet meer willen dan God wilde. Goed is goed genoeg. Goed is datgene wat het menselijk leven mogelijk maakt, wat de tijd en de ruimte geeft waarin de mens kan bestaan”.
De spiegel, waar ik boven van sprak, beslaat van tijd tot tijd, er is een stevige poetsbeurt nodig om helderheid in het beeld van de verhoudingen te krijgen. Nergens heftiger dan in dit bijbelboek wordt mijn beeld op de proef gesteld als het gaat om “ingrijpen” van God in de geschiedenis, oorlogvoeren in alle denkbare en ondenkbare vormen omwille van landbezit en vrijheid”, “verzoening en genade”, maar ook “vriendschap en vertrouwen”, “leiderschap, bestuurlijk en religieus” “het klokgelui en opgeheven vuisten van de profeten” en, last but not least “moraliteit versus humaniteit”.
Zo wordt het curriculum van de geschiedenisles stap voor stap opgebouwd.
>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>
Reactie Maarten op deze eerste neerslag
Dank je Kees, vanmiddag heb ik je tekst opnieuw gelezen en mijn eerste indruk dat het een goede stap op de weg is, werd bevestigd. Toegankelijk en helder geschreven.
Een paar kanttekeningen:
Je begint terecht bij de Thora. Daar verschijnt het volk Israël. In het Hebreeuws wordt hier niet over ‘Israëlieten’ gesproken (als collectief) , maar subtieler over ‘de zonen van Israël’. Dat zijn dus de onderling heel verschillende mannen en vrouwen die van generatie tot generatie de naam en de roeping van Israël (Jacob) voortzetten. De uitdrukking ‘Dit zijn de zonen van Israël’ komt overigens al in Genesis 46:8 voor. Maar in de vertalingen gaat het al gauw over ‘Israëlieten’. En in de huidige staat Israël wordt naar ik meen ook meestal over Israëli’s gesproken. De vraag is of je die ‘zonen’ in je eigen weergave moet bewaren of niet….
Je onderzoek begint bij de boeken die volgen op de Thora. Volgens de Hebreeuwse telling zijn dat: Jozua Richteren, Samuel en Koningen. Deze boeken worden wel de Vroege Profeten genoemd. Ze vertellen op profetische wijze de geschiedenis van het volk vanaf de intocht in het land tot de Babylonische ballingschap. Daarna komen de grote Profeten, Jesaja, Jeremia en Ezechiël en de twaalf kleine profeten en deze reageren op de wijze waarop het volk vanuit de ballingschap een nieuw bestaan opbouwt. Waar het mij om gaat is de opmerkelijke overgang van de Thora naar de Profeten. In de Thora horen we wel over de uittocht uit Egypte, maar niet over de intocht in het nieuwe land. Die intocht blijft binnen de Thora een belofte. Pas in de Profetische boeken (te beginnen bij Jozua, bij de doortocht door de Jordaan) komt dat nieuwe land binnen de horizon. En dan komt het erop aan of het volk in staat is daar een eigen politieke samenleving te vormen, met charismatische leiders of met koningen. Een hachelijke geschiedenis die door een diepe crisis heengaat. Ik zou dus die overgang van Wet naar Profeten scherper aangeven. Karel Deurloo had als vast beeld: tussen de Thora en de Profeten stroomt de Jordaan.
En ja, zeker, alles draait om die kennis van goed en kwaad. Goed handelen is: met elkaar rechtvaardig en betrouwbaar leven. Dat is leven. Er is geen alternatief. Wanneer er niet goed gehandeld wordt, raakt de samenleving verstrikt in het kwaad en wordt het een chaos.
En nu ga je verder met de tocht door de vroege profeten. Ik hoor graag hoe het je onderweg vergaat. Toen ik begon in Wormer, ging ik over van het boek Jozua (dat we noch in de faculteit gelezen hadden) naar het boek Richteren. Dat strijdbare boek liet zich goed lezen als begeleiding van de revolutionaire geest van de jaren zestig. In de loop van de jaren tachtig raakte het boek wat uit mijn blikveld. En zie…je brengt het weer aan het licht!
Maarten
>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>
Vervolg eerste neerlag en reactie Maarten:
een valluik
Kees schreef”:
Een kritische vraag: wie heeft de touwtjes in handen?
Ik kom terug op de betekenis die het boek Richteren voor mij gaat krijgen. Een voorlopig beeld, dat wil ik hier duidelijk zeggen. Maar het lijkt of ik tot mijn eigen teleurstelling na een eerste lezing op een dood spoor uitkom.
IK kan het natuurlijk zo verstaan dat de verteller(s) zich voorstellen hoe God zijn plan met het volk Israël, voordat dit het beloofde land Kanaän in kon trekken, openbaar maakte, en wel met deze woorden:
“Jullie zijn als nazaten van de zonen van Jacob, die later de naam Israël heeft gekregen, nu geworden tot een beweging van 12 stammen, elk met de naam van een van die zonen. Daar ging een hardvochtige periode als slaven in een vreemde cultuur met vreemde goden aan vooraf. Dat was in het land Egypte. Ik zorgde ervoor dat een ontsnapping uit dat land mogelijk werd en daarna bleef ik bij jullie op je terugtocht door de woestijn naar het land Kanaän, waar je op het punt staat binnen te gaan,
En nu beloof ik jullie dat de grond die je nu gaat betrekken het land voor jullie zal zijn waar je kan rekenen op duurzame vrede, voorspoed en gerechtigheid (“van melk en honing”). Dat is een plek waar het in mijn ogen goed is.
Ik geef mij er helaas rekenschap van dat het niet allemaal zo goed zal vergaan.
Jullie zullen in Kanaän ruimte voor moeten bevechten door de daar wonende bevolkingen te verdrijven, jullie zullen door vijandschap van andere volkeren ondergaan, jullie zullen geconfronteerd worden met overheersingen en binnentrekken van volkeren met vreemde culturen en vreemde goden. Ik zal jullie helpen met het opbouwen van een samenleving die tegen die stoten kan door Richteren aan te stellen die orde op zaken moeten stellen in en tussen jullie stammen. Jullie zullen net als de omliggende volken, koningen willen hebben om één volk te vormen onder één leider.
En het zal ook uitlopen op teleurstelling, op onvrede, op opstand tegen de afspraken die ik eertijds in het verbond op de Sinaï met Mozes en de stammen van Israël heb gemaakt. En het zal er zelfs toe leiden dat jullie nazaten geen kennis meer zullen hebben van die afspraken en zij zich vermengen met de vreemde indringers met hun culturen en goden. Ik zal woedend zijn over dit gedrag. Ik zal niet tegenhouden dat jullie niet alleen worden overheerst, maar dat er ook binnen jullie volk een scheiding in twee stammenrijken plaats vindt. En zelfs dat die twee bevolkingen weer in ballingschap naar buurlanden worden gedeporteerd en daar lang moeten leven.
Natuurlijk, er zal tussendoor ook voor langere of kortere tijd rust en vrede heersen, er zal ook vriendschap zijn en voorbeelden van rechtvaardig leiderschap en saamhorigheid in de bevolking. Maar van een eeuwigdurende toestand van een land van “melk en honing” is geen sprake.
Het blijft ondanks alles wel zo dat jullie volk mag blijven vertrouwen op mijn niet aflatend bij-jullie-blijven. Blijf dan toch standhouden op jullie tocht door het leven met de afspraken die ik met jullie maakte als richtingwijzers. Dan zal er uitzicht blijven op een samenleving met een vernieuwd Koningschap, waar het goed is in mijn ogen.”
En zo geschiedde. Lees Richteren er maar op na.
Deze voorstelling van zaken lijkt plausibel. Maar als ik het goed tot me door laat dringen, ga ik me meer en meer ongemakkelijk voelen. Als God op deze manier te werk gaat, op deze manier mensen tegemoet treedt, op deze manier zich bemoeit met het opbouwen van een samenleving, komt bij mij een schurend gevoel van onverteerbare gezagsverhoudingen naar boven.
Het is alsof “er-bij-zijn” betekent dat het neerslaan van je vijand of zelfs onder dwang mensen die jou in de weg staan op onmenselijke manier verdrijven of laten verdwijnen gelegitimeerd optreden kan inhouden. En – nog onverteerbaarder- dat God het zelf is die rampen als deze initieert en uitvoert. Dit alles op basis van een voor-wat/ hoort -wat contract (met te mooie woorden “verbond “genoemd).
Als ik zo naar de werkelijkheid van de hedendaagse geschiedenis van de mensheid zou kijken, zou ik een orthodoxie aanhangen die mij niet past en ik verre van me gooi.
Maar wat dan wel? Ik kom daar niet goed uit als ik die boeken lees. Ik moet er nog eens goed doorheen, en anders naar kijken. Even pauze.
Valkenburg, 20 jan. 2024
>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>
Op 20-01-2024 16:04 CET schreef Kees den Dulk :
Hallo Maarten,
Niet omdat mijn fysiotherapeut mij op het verkeerde been zou zetten (verre van dat) …maar een valluik in mijn bijbels gepuzzel zorgt voor een (voorlopig?) pauzeren in mijn gang door de Richters-Samuel-Koningen exercitie. Een klassiek valluik zal jij uit professionele hoek zeggen. Over de inmenging van God in ons bestaan zijn natuurlijk boekenkasten vol geschreven, ik kom er even niet verder mee. Ik heb het woorden gegeven in een derde luik van de intro die ik dacht te kunnen afsluiten.
Kees
Op 20-01-2024 antwoordde Maarten:
Ja, Kees, op die blokkade moet je wel stoten en vastlopen, als je eerlijk bent. Je geeft een prima samenvatting van de ‘opdracht’ die aan het volk gegeven wordt, echt duidelijk en zuiver, maar je beseft het gevaar. Op het moment dat deze teksten gelezen worden als legitimering voor landjepik en etnische zuivering, dan gaat alles mis. En als je het nu leest tegen de achtergrond van het regeringsbeleid van de staat Israël besef je dat daar inderdaad alles misgaat. Op zulke ogenblikken is zwijgen een goede houding. Na mijn bezoek aan de staat Israël in de jaren tachtig heb ik – in grote verlegenheid en verwarring – geprobeerd te zwijgen en heb dat jarenlang lang volgehouden. En toen ik werd uitgedaagd om wat te zeggen – was het of te weinig of te veel.
Over de uitleg van de Vroege Profeten (Jozua tot Koningen) valt veel te zeggen – en mensen als Karel Deurloo hebben daar goed werk geleverd. Maar ik denk dat het goed is om er even afstand van te nemen. De waarschuwing bij het lezen van deze teksten is op zich van belang. Naïef of fundamentalistisch lezen is levensgevaarlijk. Dan maar beter even niet lezen.
Zelf ben ik bezig met de achterkant van het verhaal van die Vroege Profeten. Het boek Jesaja begint daar waar het verhaal van de Landgabe en Landnahme vastloopt en uiteindelijk eindigt in het drama van de ballingschap. Heb zojuist een eerste versie van Jesaja 1-39 gemaakt. Later hoop ik het in te korten en bij te stellen – maar dit moet eerst besterven. Misschien vind je het leuk om er even in bladeren. Op de eerste bladzijden staat eigenlijk alles al.
Maar ga er geen werk van maken, Kees. Nu is het belangrijker dat je weer op de been komt. Dit tekstje zet je maar in de wacht tot je weer mobiel bent!
Beste wensen voor jullie onder dat dikke pak sneeuw!!!
Maarten
>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>
De leesvolgorde van Richteren
Kees vervolgt:
Ik begin weer voorzichtig door te lezen, met wat reserve. (26 januari 2024)
Inname
Er komt een ander beeld voor ogen. Ik ga, zo stel ik me voor, staan in het land Kanaän (zo’n 1400 jaar voor Chr) tussen verschillende samenlevingen die daar als gesettelde landbouwvolkeren wonen: Amorieten, Hethieten, Perizzieten, Kanaänieten, Chiwwieten, Jebusieten en Filistijnen. En rondom dat land leven nog andere volkeren zoals de Assyriers en Babyloniers. Elk volk met eigen cultuur, eigen leiders, eigen bestaansgrond. En dan staat er op een gegeven moment een ander volk, van elders komend, voor de grens van Kanaän en dreigt het te gaan bezetten. Dat nomadische volk wordt door 12 stammen gevormd, elk met een eigen naam. Ze pretenderen afstammelingen te zijn van de 12 zonen van een zekere Jacob, die zij altijd in een adem met de namen van Isaak en Abraham hun voorvaderen noemen. Ze beweren dat die voorvaderen eertijds ook al in dit land Kanaän woonden. Jacob en zijn 12 zonen trokken daar uit economische noodzaak weg – het verhaal gaat naar Egypte- en werden daar als slaven ingelijfd. Na eeuwen van onderdrukking wisten de 12 stammen zich onder leiding van hun voorman Mozes te bevrijden en trokken ze als “volk van Israël “terug naar Kanaän. De naam Israël, zo is hen overgeleverd, is de (andere) naam die Jacob kreeg van de God van hun voorvaderen tijdens een nachtelijke ontmoeting en een worsteling (in een droom): ‘Voortaan zal je naam niet Jakob zijn maar Israël, want je hebt met God en mensen gestreden en je hebt gewonnen.’ En diezelfde God is het, die aan Mozes de belofte van een nieuw land had gedaan (“een land van melk en honing”). Dit volk dat nu voor de grens van Kanaän staat, geeft hoog op van die God (ze noemen hem de Ene). Door zijn woord en belofte voelt het zich gelegitimeerd om de strijd aan te gaan met het doel het land en de aarde te gaan bezetten, en voor ieder van de 12 stammen een plek in te ruimen en een samenleving op te gaan bouwen. En daar zien de autochtone volkeren binnen en buiten Kanaän een grote bedreiging in. Zij hebben hun eigen stuk grond onder de voeten, waar ze hun welvaart aan ontlenen, ze hechten aan hun eigen samenlevingsvorm en – last but not least aan hun eigen goden (de Baäls en de Asjera’s) en daarop gebaseerde cultuur (met aanbiddingsrituelen rond de Astarsepaal) waar ze zich sterk door voelen. Dat laten ze zich niet ontnemen. Ze zullen hun strijdbijl evn daadkrachtig opnemen.
Richteren 1: De grens overgaan
Het leiderschap van Mozes, die zelf de landinname niet zal meemaken, wordt overgenomen door Jozua. Hij zet de wegwijzers uit naar de landsdelen waar elk van de stammen een plek wordt aangewezen.
Richteren begint op het moment dat Jozua overleden is. Jozua had de opdracht meegegeven: “Houd je aan de regels van God, de ene God, Laat je niet in met andere culturen en andere goden”. Ze horen de echo van wat er in de woestijn door hun God gezegd was:
(Exodus 23: 20) ;Mijn engel zal voor jullie uit gaan naar het gebied van de Amorieten, de Hethieten, Perizzieten, Kanaänieten, Chiwwieten en Jebusieten, en Ik zal die volken uitroeien.
Nu puntje bij het (grens-) paaltje komt en ze er alleen voor staan, is hun probleem niet “Hoe gaan we het land zo inrichten en onze samenleving zo opbouwen dat we aan die regels kunnen voldoen”, maar stellen ze zich de vraag: ” Hoe verdrijven we zo snel mogelijk de aanwezige volkeren in Kanaän, zodat we het rijk alleen hebben”. En ze leggen die vraag aan hun God voor: “Heer, wie van ons moet als eerste de strijd met de Kanaänieten aanbinden”? Een beetje sluwe vraag, ze zoeken legitimatie van Godswege in de aanwijzing van eerstverantwoordelijken voor een militaire operatie. Hij wijst dan als reactie op hun vraag de stam Juda aan als voortrekker. De Judeeërs gaan er op uit, vragen op hun beurt de stam Simeon om met hen mee te geen.
God, zo lees ik het verhaal, laat op dit moment zijn volk de vrije hand in hun strategie naar de toekomst (” de Heer leverde de Kanaänieten en Perizzieten aan hen uit”).
Het avontuur begint met een bizar detail over de koning van die Kanaänieten, te weten Adonibezek. Hem worden zijn duimen en grote tenen afgehakt door de Judeeërs, als ze hem na een vlucht toch te pakken krijgen. Hij gooit zijn frustratie daarover eruit door te zijn schuld te erkennen dat hij eerder aan zijn hof zeventig koningen de duimen en grote tenen heeft laten afhakken, “en die zich in leven houden met de kruimels onder mijn tafel”. Hij ziet het zo dat God (die van Israël dan wel de god van zijn volk) vergeldt wat hij heeft misdaan. De Judeeërs gunnen hem na die bekentenis een verblijf in Jeruzalem, waar hij zal komen te overlijden. Zijn schuld wordt vereffend. Maar hij is wel gemankeerd.
De Judeeërs gaan door met hun strijd en vallen Jeruzalem aan, doden alle inwoners, branden de stad uit. Daarop volgt het verdrijven van Kanaanitische stammen, die in de Negev en het heuvelland, Hebron en en Debir wonen.
De inname van Debir (of ook Kirjat-Sefer) wordt toegeschreven aan de Judeeër Otniel. Ook nu weer beschreven als een apart verhaal. Hij wordt uitgedaagd door een van de verspieders – uit de tijd van Jozua – te weten Kaleb. Die had zijn dochter Achsa beloofd aan degene die dat militaire heldenstuk zou volbrengen. Achsa wil alleen meer dan Otniel, ze port Otniel op om aan haar vader (nota bene een oom van Otniel) een stuk vruchtbaar land te vragen.. Haar vader Kaleb ziet, als ze op haar ezel aan komt rijden, meteen dat ze wat wil. Ze vraagt om een stuk grond met bronnen, want er was na de inname door Otniel alleen een dor stuk land voor hen beschikbaar gekomen. Kaleb zorgt dat ze ook de hoog- als laaggelegen bronnen in bezit krijgen. Vruchtbare grond, daar moet je het van hebben. Kale vlakten en distels geven ellende. Het hele boek Richteren staat er vol van.
De auteur van Richteren vertelt verder. De Judeeërs vinden bondgenoten in de Kenieten uit Jericho de Palmstad, stamgenoten van de schoonvader Jetro van Mozes. Samen trekken ze op naar het zuidelijk deel van het gebied dat later Juda wordt genoemd. De Kenieten vestigen zich daar, te midden van de bewoners van het gebied rond Arad. Die bewoners worden met rust gelaten, niet verdreven. De Judeeërs trekken verder, nu met de stam Simeon, en ze verslaan de Kanaänieten die nog in Sefat wonen; de stad wordt vernietigd. Het gebied van die stad wordt sindsdien Chorma genoemd. Daarna veroveren zij de gebieden Gaza, Askelon en Ekron.
Het bergland wordt (“met de hulp van de Heer”) overmeesterd maar de Judeeërs zien geen kans om de bewoners van de laagvlakte te verdrijven; die bewoners beschikten over ijzeren strijdwagens, dat was kennelijk te zware tegenstand. Tenslotte wordt het al eerder ingenomen Hebron, overeenkomstig de woorden van Mozes, toegewezen aan de eerdergenoemde verspieder Kaleb die de drie zonen van Enak (de stamvader van de Enakieten, de “reuzen”) uit de stad verdreef. In Jeruzalem wordt door de stam Benjamin een poging gedaan de daar wonende Jebusieten te verdrijven, maar dat lukt niet. Zij blijven daar met elkaar, Benjaminieten en Jebusieten, samenwonen. Overigens: de naam Jeruzalem bestaat eigenlijk dan nog niet, de stad- zo wordt wel aangenomen, heet Jebus, Pas ten tijde van David wordt de naam Jeruzalem op de kaart gezet.
De stam van Jozef neemt de stad Betel (voorheen Luz) in met een list. Verkenners weten een inwoner over te halen de plaats aan te wijzen waar hun stamgenoten het beste kunnen binnenvallen. Dit in ruil voor het sparen van hem en zijn familie. De inwoners worden gedood behalve deze familie; de man brengt zijn familie in veiligheid in het land van de Hethieten, waar hij een stad bouwt, die hij de naam uit zijn verleden geeft, te weten Luz.
Zo hebben de nazaten van de stammen Juda, Simeon, Jozef, hun land verkregen en ingenomen door de inwoners te verdrijven, uit te moorden zelfs. De verteller van Richteren meldt nadrukkelijk dat dat niet lukt bij de stammen van Benjamin, Manasse, Efraim (de laatste beiden zijn zonen van Jozef), Zebulon, Aser, Naftalie en Dan. Die stammen zijn in hun regio, al dan niet noodgedwongen, blijven samenwonen met de oorspronkelijke bewoners. In een aantal gevallen (Manasse, Zebulon, Naftali en Jozf) wordt nog wel vermeld dat de oorspronkelijke inwoners werden gedwongen tot herendienst. De stam Dan zal nog een tijd moeten rondzwerven, vindt veel later pas een woonplek.
De stammen van Ruben, Levi, Issaschar en Gad worden niet genoemd in Richteren, zij waren al in het boek van Jozua (behalve Issaschar) ten tonele gebracht bij de verdeling van steden en land, voor de inname van Kanaän.
Richteren 2: Aan de slag
Na de inname van Kanaän en de verdeling van het land over de 12 stammen, zoals in Jozua en Richteren 1 beschreven, kan de opbouw van de samenleving beginnen. Maar zo simpel, laat staan vredelievend, gaat dat niet. Verdrijving, uitmoorden, in de ban doen, vernietigen van alles, is beslist wat anders dan wat God voor ogen staat: hem als een enige God aanvaarden en zijn regels volgen. Die orde was toch aan de Israëlieten opgedragen om in Kanaän als nieuwe bewoners te kunnen leven?
Maar als ze die regels, met name het vasthouden aan de ene God, niet naleven, zal God zijn na-ijver tonen, in woede uitbarsten, en niet tegenhouden dat ze onderworpen worden aan allerlei tegenslagen en rampspoed. Om dan vervolgens toch aan zijn trouw en belofte gestand blijven en de draad weer oppakken met dit volk van Israël.
Ik vraag:
Hoe lees ik dit? Als onverteerbare kost, een verhaal over een God, die een duurzaam verblijf op een stuk aarde als geschenk belooft en zich vol inzet om met niets ontziende middelen dit voor zijn uitverkoren volk tot stand te brengen? En de daar al eeuwen wonende volkeren en de aanvallers in de omgeving op zijn gezag te laten verdreven of uit te moorden?
Of is het een samenraapsel van “ oral histories” die in de loop van de tijd (1200 – 586 voor Chr) zijn opgeschreven als verhalen, waar de focus op de vorming van een samenleving ligt, met een rode draad: hoe gaat een zich ontwikkelend volk, vallend en opstaand, met nu eens volledig foute levensstijl en dan weer vol berouw, om met de heilsboodschap van hun God. De ene God die hen voorhield ” Houd je aan de regels van mijn verbond met jullie en vestig gerechtigheid en vrede als pijlers van een samenleving die “ tov” is in mijn ogen “.
Ik zou graag voor de tweede verhaallijn willen kiezen. Maar de feitelijke teksten lezend schuurt de eerste kijk op de zaak onverbiddelijk tegen die keuze aan. Ik weet het eigenlijk niet zo precies. Ik ga Richteren maar gewoon verder lezen, zonder vooringenomen zienswijze.
Ik word toch nog verrast. De tekst in dit hoofdstuk slaat bij verder lezen zomaar een geheel andere toon aan. Met een, je zou zeggen, eu-angelion, goede boodschap. De stammen van Israël worden aangesproken door een boodschapper, een engel van de Heer. Hij komt van Gilgal (oost van de Jordaan naar Bochim, west van de Jordaan, en spreekt woorden van God: “Ik heb een verbond met jullie gesloten en ik heb jullie gezegd geen verdragen te sluiten met inwoners van dit land en hun altaren af te breken. Die regels hebben jullie niet opgevolgd. Jullie zijn gevallen voor hun cultuur en gewoonten, het aanbidden van hun goden heeft tot jullie ondergang geleid “. Opmerkelijk: de engel spreekt ook uit wat door God gezegd is: “Ik heb jullie toch gewaarschuwd dat ik de inwoners van dit land niet voor jullie zou verdrijven en dat ze jullie in hun netten zouden verstrikken en hun goden tot jullie ondergang zouden leiden”. Later in de tekst vertaalt de auteur dit met: “Hij had ze niet aan Jozua uitgeleverd, omdat hij wilde zien of de Israëlieten zich net als hun voorouders zouden houden aan de weg die Hij hun had gewezen of niet”.
Het volk voelt zich hard aangesproken en laat merken diep berouw te hebben. Ze barstten in gejammer uit en brengen offers aan de Heer bij deze plaats die ze Bochim noemen.
De tekst van Richteren vervolgt dan met nog eens een terugblik op de ontsporing van het volk van Israël, nadat Jozua was overleden. In eerste instantie waren de Israëlieten bij het intrekken van het land en de verdeling ervan over de stammen nog trouw gebleven aan hun God, ze waren hem blijven dienen. Maar allengs kwam er een nieuwe generatie, die de geschiedenis niet mee had gemaakt, en niet meer vertrouwd was met de Heer en wat hij voor het volk Israël had gedaan. Ze “begonnen te doen wat slecht is in de ogen van de Heer: ze gingen de Baäls en de Astartes dienen”. Dat zijn de andere goden van de volkeren waartussen zij woonden. Daar knielen ze voor. De auteur van Richteren gebruikt dan de term: “zij keerden Hem (God) de rug toe”.
De daaropvolgende tekst is in feite een korte samenvatting van wat zich daarna gaat afspelen en in de hoofdstukken 3 en volgende gedetailleerd wordt verteld. God wordt daar gezien als een gekrenkte God, een God die in woede ontsteekt en zich tegen het volk van Israël keert. De rovende bendes van de omringende vijandelijke volken kunnen binnenvallen zonder dat er voldoende tegenstand kan worden geboden. Maar als het volk van Israël dan in grote benauwdheid komt heeft God mededogen en zorgt voor een richter die orde in de samenleving moet brengen en de roversbenden moet verdrijven. Als dan de richter overlijdt, vervalt het volk weer in het oude patroon van het dienen van andere goden, of luisteren ze niet eens naar de richteren. Iedere generatie glijdt verder af, weigeren hardnekkig hun kwalijke praktijken op te geven.
De tekst van hoofdstuk 2 geeft het beeld van de geschiedenis wat eigenlijk mijn tweede optie was (zie boven). Ik heb bijna de neiging om hoofdstuk 1 te parkeren. Het lijkt of daar een andere auteur aan het woord is, die een Almachtige God ten tonele voert, die van het begin af aan alle touwtjes strak in handen houdt. In hoofdstuk 2 komt daarentegen het beeld naar voren van de God, die in eerste instantie toeziet hoe zijn volk zich gedraagt ( “tov” of niet “tov” in zijn ogen), maar desondanks zijn verbond trouw blijft. De keuze is en blijft aan de mens zelf. De woede van deze God is het vuur als er niet aan te ontkomen valt, is in de grond van de zaak een spiegel voor de opbouw en toekomst van een duurzame en rechtvaardige samenleving. Het houdt de dialoog tussen hem en het volk gaande.
aan Israël
Richteren 3: De eerste richteren
Dit hoofdstuk vertelt eerst hoe de nieuwe generaties, die niet meer vertrouwd zijn met Gods opdracht in tijden van strijd, op de proef werden gesteld. Ze krijgen te maken met volken die in Kanaän waren blijven wonen (Filistijnen. Kanaänieten Sidoniers, Chiwwieten )Ze assimileren met de volkeren van Kanaän (hier worden dan ook genoemd de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chewieten en Jebusieten), gaan huwelijken aan, huwen hun dochters uit en ze dienen de goden van die volkeren. De Baäls en de Asjera’s.
God ziet dat hun gedrag slecht is in zijn ogen, ontsteekt in woede, er komt van buiten Kanaän een Koning (Kusan-Risataim van Aram Naharaim), aan wie ze worden overgeleverd. Dat duurt 8 jaar. De Israëlieten beseffen van lieverlee dat dat niet langer gaat zo en vragen God om hulp. Hij komt met een oplossing en er wordt een eerste Richter, Otniel (de eerdergenoemde neef van Kaleb de verspieder) aangesteld, die hen bevrijdt van de overheerser. Hij leidt het volk, gedreven door de geest van de Heer en er heerst 40 jaar rust in het land. Dan sterft Otniel.
Na die periode van rust herhaalt de geschiedenis zich. De Israëlieten gaan weer de fout in, worden overvallen door koning Eglon van Moab, die in de Ammonieten en Amalekieten bondgenoten zien. Samen verslaan ze de Israëlieten en overmeesteren Jericho, de Palmstad. De overheersing duurt 18 jaar. Weer komt God tussenbeide en er komt een tweede Richter, Ehud (uit de stam Benjamin). Hij weet met een list de koning te doden en met hulp van de Israelieten de Moabieten te verslaan ( Moab moest diep buigen voor Israël) en daarna heerst er in Israël 80 jaar rust.
De list wordt als een spannende thriller verteld. Ehud doet aan het begin van zijn missie het voorkomen dat hij de aan Israël opgelegde belastingen komt betalen. Hij overhandigt de schatting aan Eglon (“de vadsig dikke koning”), en gaat met zijn bedienden/dragers weer naar huis, Maar onderweg – bij de stenen beelden van Gilgal, die de historische overtocht van de Israëlieten markeerden- laat hij zijn dragers doortrekken en zelf keert hij terug naar het paleis van Eglon. Hij laat zich door de dienaren van de koning aankondigen met de mededeling dat hij nog een “geheime boodschap” voor hem heeft. De koning stuurt daarop iedereen weg uit de koelte van zijn bovenvertrek, waaron hij zich had teruggetrokken. Als koning Eglon Ehud hoort zeggen ”Ik heb voor U een boodschap van God” staat hij niets vermoedend op van zijn troon. Hij wordt op dat moment door Ehud met een zwaard, verborgen onder kleding, op gruwelijke wijze (“de darmen liepen er uit”) neergestoken. Er wordt nog een bijzonder detail aan het verhaal toegevoegd. De snelheid waarmee de moord gepaard ging werd bevorderd door de linkshandigheid van Ehud; hij droeg het speciaal voor deze moorddaad gefabriceerde tweesnijdend zwaard onder zijn kleding op zijn richterheup, zodat hij met zijn linkerhand het zwaar snel uit de schede kom trekken. Ehud vlucht via de galerij weg nadat hij de deur vergrendeld heeft. De bedienden van Eglon denken, als hun heer wegblijft: “hij zal wel zijn behoefte aan het doen zijn”. Na een tijdje worden ze, als ze de deur openen, geconfronteerd met het dode lichaam van Eglon. Ehud inmiddels, gaat via de stenen beelden naar het land van Efraim en verzamelt de Israëlieten met de ramshoorn. Hij leidt hen naar de oversteekplaatsen in de Jordaan, geeft hen aan dat de Moabieten daar in hun handen zullen worden gedreven (door hun God, zo staat er)). En zo verslaan de Israëlieten 10.000 Moabieten.
De naam “God’ heeft, zo versta ik het hier, een magische klank bij de vijanden van Israël. En het volk van Israël maakt er gretig gebruik van; laat zich erdoor leiden. Voor zo lang het duurt tenminste.
Na de dood van Ehud komt Samgar als derde in de rij van de Richteren. Van zijn optreden wordt summier bericht gedaan. Alleen pn het lied van Debora, zijn opvolgster lezen we:
“Onder Samgar, de zoon van Anat, in de tijd van Jaël, begaf geen karavaan zich nog op weg. Wie toch op reis moest, nam de kronkelpaden.”
En de auteur van Richteren schrijft bij zijn summiere vermelding:
“Hij doodde 600 Filistijnen met een osseprik en bevrijdde zo de Israëlieten”.
Richteren 4-5: De vrouw Deborah
Kennelijk is Samgar een soort interim-richter. De geschiedenis vertelt verder dat na hem weer een tijd aanbreekt waar de Israëlieten deden wat slecht was in de ogen van de Heer. Ze worden overgeleverd aan koning Jabin van Kanaän, die met harde hand, en met een bevelhebber Sisera die over 900 ijzeren strijdwagens beschikte, wel 20 jaar lang over Israël heerst. En ook dan roepen de Israëlieten de Heer weer om hulp. En God verhoort het gebed.
Er is in die tijd een profetes actief in Israël Debora, en zij wordt de nieuwe
(vierde) Richter. Ze “hield zitting onder de Deborapalm …en daar kwamen de Israëlieten hun geschillen voorleggen”. Met de militaire leider Barak, via zijn moeder komend uit de stam Benjamin, weet zij Jabin, ook weer met een list te doden en zijn leger te vernietigen. 40 jaar lang heeft Israël in het land Kanaän rust.
De “oral history’ van het optreden van Debora wordt weer verpakt in een bloedstollende thriller. Haar legerleider Barak wordt opgeroepen om met 10.000 man uit de stammen Naftali en Zebulon naar de leider Sisera bij de Tabor op te trekken. Dat doet hij onder voorwaarde dat Debora met hem meegaat. Er is altijd weer een vrouw nodig om de geschiedenis van Israël uitdagend te houden. Dat zal door het hele boek Richteren blijken. Debora doet dat, maar waarschuwt hem alvast dat hij geen eer zal behalen, want “de Heer zal Sisera uitleveren aan een vrouw”. In het vervolg van het verhaal blijkt dat met die vrouw niet Debora maar een zekere Jael wordt bedoeld. Wat er gebeurt is bizar: de troepen van Sisera raken in paniek als ze Barak zien aankomen. Ze worden allemaal gedood. Sisera weet te ontkomen en vlucht te voet naar de tent van de genoemde vrouw Jael Hij vertrouwt deze vrouw omdat de familie van haar man, de Keniet Cheber, op goede voet staat met koning Jabin). Hij heeft haar gezindheid echter verkeerd ingeschat. Nadat hij door haar eerst in haar tent was binnengelaten en onder een deken verstopt was, melk kreeg omdat hij zo’n dorst had, vraagt hij haar bij de tentopening te waken en te zorgen dat er niemand binnen kon komen (“zeg nee er is hier niemand”). Hijzelf valt in slaap en daar maakt Jael gebruik van om de tent binnen te sluipen met een tentpin in haar hand en die pin dwars door het hoofd van Sisera in de grond te slaan. De dode Sisera wordt even later door Jael aan Barak getoond die ze binnenriep. Debora zal in haar strijdlied deze dodelijke actie ook benoemen.
Het lied van Debora en Barak is de inhoud van hoofdstuk5. Het is het religieuze lied van de geschiedenis van hiervoor: de God van Israël die met de stammen die mee willen strijden ten strijde trekt om de vijand, Koning Jabin en zijn legerleider Sisera te verslaan. Ik volsta hier met te verwijzen naar een treffende analyse van het lied in het eerste hoofdstuk van Martin Buber: Het Geloof der Profeten.
Richteren 6-8: De Gideon story
Na Debora doen de Israëlieten weer wat slecht is in de ogen van God. Ze vallen daarop in handen van de Midjanieten. Zeven jaar worden ze ieder jaar, als het gewas nog op het veld staat, door het volk van Midjan, geholpen door de Amalekieten en nog andere woestijnvolken aangevallen, ze richten schuilplaatsen in (“in bergspleten, grotten en andere moeilijk bereikbare plekken”) hun oogst wordt geplunderd en er blijft geen stuk vee in leven. Het volk van Israël vervalt in bittere armoede en vraagt de Heer om hulp. Er treedt dan een legerleider en later de (vijfde) Richter Gideon op die de Midjanieten verslaat en verdrijft. Daarna heeft Israël onder Gideon 40 jaar rust.
De komst van Gideon wordt eerst voorafgegaan door de woorden van een profeet die nog eens luidop herhaalt wat God zelf heeft gezegd:
‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Ik ben het die jullie uit Egypte heeft geleid, Ik heb jullie verlost uit de slavernij. Ik heb jullie bevrijd uit de greep van de Egyptenaren en van de volken die jullie hier bedreigden; die heb Ik voor jullie weggejaagd en Ik heb jullie hun land gegeven. En Ik heb jullie gezegd: Ook al wonen jullie nu in het land van de Amorieten, hun goden mogen jullie niet vereren want Ik, de HEER, ben jullie God. Maar jullie hebben niet geluisterd naar wat Ik zei.’
En daarna, zo gaat het verhaal, ontmoet Gideon God (de Ene) in de gedaante van een engel en Gideon neemt de regie door de vraag te stellen die eeuwig op ieders tong ligt: waar blijft God met zijn wonderbaarlijke daden die onze voorouders altijd vertellen: Hij leidde ons volk toch uit de slavernij van Egypte? Waarom worden we dan nu aan gevallen door de Midjanieten? Waarom overkomt ons dit allemaal? Hij laat ons nu in de steek! God antwoordt met gezag, door de mond van de engel: “Toon je moed, Gideon en bevrijd Israël, dat is mijn opdracht”.
Naar mijn idee is dit een opdracht met een diepere betekenis. Israël moet bevrijd worden, dat is niet alleen bevrijding uit een slachtofferrol; er klinkt ook oproep tot bevrijding uit de machten die Israël op het verkeerde spoor hebben gezet, en waardoor niet geluisterd is naar wat God hen had gezegd.
Gideon begrijpt het eerst nog niet goed en reageert in termen van onmacht: “ik kom zelf uit een onbeduidende familie binnen de stam Manasse en ik ben ook nog eens de jongste van die familie, dat is geen uitgangspositie om mijn volk te bevrijden”, is zijn tegenargument. God geeft daarop Gideon alle touwtjes in handen: “je kunt het wel, Gideon, omdat ik je bijsta, je zal zien dat jouw kracht zo groot is alsof de vijandelijke troepen van de Midjanieten maar als 1 man in jouw handen zijn “.
Gideon doet er vooralsnog alles aan om zich aan zijn taak te onttrekken. Hij beantwoordt de stem van God met “als u dit echt bent die mij aanspreekt en ik uw gunst geniet, toon me dat dan met een teken; wacht op me, ik ga wat halen voor u. “God toont zich geduldig en belooft te wachten. Gideon maakt in zijn eigen huis een geitenbokje klaar, bakt ongedesemd brood van een efa tarwebloem (volgens de oude voorschriften), brengt het met een kom met het kookvocht naar de terebint waar degene (de engel) zat die op hem wachtte. De engel vraagt hem het vlees en de broden op een rotsblok te leggen en te overgieten met het kookvocht. De engel raakt het voedsel met het uiteinde van zijn staf aan, er laait meteen vuur uit het rotsblok en verteert al het voedsel. De engel is daarna meteen verdwenen. Gideon kan niet anders dan erkennen dat dit deze engel de boodschapper van God is en roept dit, enigszins geschrokken, naar de Heer. Die stelt hem gerust (“Je zal echt niet sterven”). Gideon bouwt op die plek (het was in Ofra) een altaar voor God, noemt het “de Heer geeft rust”.
God laat vervolgens als reactie merken zich niet zomaar te laten regisseren door de mens (Gideon) en draagt Gideon op de stier van zijn vader Joas – “dat prachtbeest dat al zeven jaar ten tijde van de overheersing van de Midjanieten en Amelekieten gespaard gebleven was”- te offeren op een nieuw te bouwen altaar; niet nadat hij de altaarplaats voor Baäl die zijn vader nog gebouwd had, gesloopt heeft en de Asjerapaal , die daarnaast stond, heeft omgehakt, waarvan het hout diende om het offervuur te laten branden. Gideon doet wel wat God hem vraagt, zij het dat hij uit angst voor optreden van de inwoners van de stad de nacht kiest voor deze actie. Dat gebeurt de volgende ochtend toch wel: de inwoners zien wat er gebeurd is en beschouwen het als een zware belediging, achterhalen de dader als de zoon van Joas. Ze eisen dat Joas zijn zoon uitlevert: “Hij moet sterven”. Joaszelf een die zich tot de Baäldienst had bekeerd- weigert dit op een heel bijzondere manier. “Willen jullie het voor de Baäl opnemen? Wie dat in zijn hoofd haalt, zal in de ochtend nog sterven. Laat Baäl voor zichzelf opkomen, laat hij het zelf opnemen tegen degene die zijn altaar gesloopt heeft.” Hij noemde zijn zoon daar wel Jerubbaäl (Baäl is groot). Dat lijkt op een dubbele agenda die Gideon meekrijgt.
De Midjanieten, de Amalekieten en andere woestijnvolken pakken zich weer samen en bereiden zich voor op de aanval op Israël vanuit de vallei van Jizreël aan de westkant van de Jordaan, in het zuiden van Galilea. Gideon wordt door het vuur van de geest tot actie aangezet. Hij herinnert zich wat hij door de mond van de engel van God te horen heeft gekregen. Eerst verzamelt hij een leger om zich heen, met een ramshoorn. Dan wil hij toch eerst nog een bevestiging van God dat hij inderdaad geroepen is om Israël te bevrijden. Het “God zij met ons” moet wel door een teken worden bekrachtigd, zo zitten helaas onzekere leiders in elkaar. En hij regisseert een bijzonder ritueel om dit voor elkaar te krijgen.
Hij legt op de dorsvloer een wollen vacht en vraagt God zijn teken te geven door de volgende ochtend deze vacht met dauw te hebben bedekt, maar de grond er omheen droog te laten. Dat gebeurt wonderwel ook en Gideon wringt de vacht droog. Maar Gideon wil helemaal zeker zijn van zijn zaak en vraagt God ( “U moet niet kwaad op me worden”) om een laatste proef: laat de vacht morgenochtend droog gebleven zijn, en de grond er er omheen nat van de dauw. Ook nu deed God wat Gideon gevraagd had.
Gideon trekt dan met zijn leger van enkele tienduizenden naar een locatie bij de Charodbron, terwijl de Midjanieten iets lager in de vallei aan de voet van de More gelegerd waren. En dan worden in het verhaal de rollen weer omgedraaid. God laat duidelijk merken dat hij op het strijdtoneel de regie in handen heeft en niet Gideon: hij draagt Gideon op om zijn leger tot driehonderd man te reduceren: ”Je leger is te groot, ik wil niet dat Israël denkt het zich op eigen kracht kan bevrijden”. Hij doet dat eerst door Gideon op te dragen iedereen die bang is, naar huis terug te laten vertrekken; dat doen dan 22000 man. De tienduizend die over zijn, zijn in de ogen van God nog te veel. En daar geeft God aan Gideon een heel bijzonder teken om nog eens te selecteren: “Ga naar het water, laat je mannen drinken. Degenen die het water met hun tong oplikken als een hond, die zet je apart van degenen die knielend water drinken”.. Het lijkt wel ironie: Gideon dacht God te kunnen aansturen met een spel van vocht en de wollen vacht. God laat Giden zien dat water is om te drinken. En Gideon moet toezien dat driehonderd mannenhet water als een hond met hun tong oplikkenn en dat de rest van zijn manschappen knielt en water met hun hand schept om te drinken. “Met die driehonderd zal ik jullie bevrijden, door hun toedoen zal ik de Midjanieten aan je uitleveren, de rest kan naar huis teruggaan”. Gideon stuurt de ruim 9000 man naar huis ieder naar hun eigen stam. En God geeft Gideon die nacht het teken zich op te maken voor de strijd. Maar geeft hem nog een hint: als je het toch niet vertrouwt om zo ten aanval te gaan, sluip dan eerst met je knecht (Pura) naar de vallei waar de Midinieten gelegerd zijn en leg je oor te luisteren om te horen waar ze het daar met elkaar over hebben.
De ironie waarmee God in dit verhaal zijn regie in handen neemt door de twijfelende vragen van Gideon in de vorm van dauw rond een wollen acht om te draaien in de manier van waterdrinken, en de argumentatie van God “denk niet dat Israël op eigen kracht zich kan bevrijden” en “als je het dan nog niet vertrouwt, ga dan spionneren” is in mijn ogen een prachtbeeld. De mens moet niet denken dat hij zelf het heft in handen kan nemen om het onverantwoordelijk gedrag (de baälsdienst) goed te maken. God geeft zijn aansporing zelf met tekens door en laat weten er voor je te zijn als je in nood bent. Als je hem maar vertrouwt.
De auteur die het Gideonverhaal opschrijft vervolgt het verhaal als een spannende actie. Gideon sluipt inderdaad met Pura inderdaad naar het kamp. De Midjanieten en de Amalekieten en nog andere woestijnvolken waren daar “als sprinkhanen over de vlakte uitgezwermd. Ze hadden zoveel dromedarissen als er zand is op het strand van de zee”. Gideon en zijn knecht horen iemand uit dat kamp een verhaal vertellen: “Weet je wat ik nou gedroomd heb? Er rolde een gerstebrood razendsnel door ons kamp, botste tegen een tent. De tent kegelde omver zodat hij in elkaar zakte.”. “Wel, zei een kameraad tegen hem, dat kan niet anders betekenen dan dat Gideon, de zoon van Joas, met zijn zwaard op ons afkomt. En dat betekent tegelijk dat die God (en niet Baäl, dD) ons met ons hele kamp hem in handen zal geven”. Gideon hoort dit en “boog zich dankbaar neer”. Hij roept de driehonderd Israëlieten bij elkaar, verdeelt ze in drie groepen. Ieder krijgt een ramshoorn en een kruik met een brandende fakkel. De instructie die hij geeft is: “let op wat ik met mijn eigen groep doe “. Als ik met mijn mannen bij de voorpost van het kamp ben, blazen we op onze ramshoorns, slaan de kruiken in diggelen en schreeuwen we: “Voor de Heer en Gideon. Doe dat ook zo en ga rond met de fakkels in je linkerhand en ramshoorns in je rechter het hele kamp door. Zogezegd, zo gedaan, de drie groepen verdelen zich rond het kamp, slaan onder het geschreeuw ”Te wapen voor de Heer en Gideon” de kruiken kapot en blijven met ramshoorn en fakkels rond het kamp staan. De Midjanieten zijn in rep en roer, hakken (in paniek) op elkaar in met zwaarden en slaan uiteindelijk op de vlucht naar de rivieroever. Gideon laat het daar niet bij, roept de eerder– door Gods instructie- weggestuurde troepen van Naftali, Aser en Manasse weer terug en geeft hen de opdracht de Jordaanoever te bezetten. Deze troepen zien kans om de vijandelijke legeraanvoerders ( Oreb, bij de Rots van Oreb en Zeeb, bij de Perskuip van Zeeb) te doden en “brachten hun hoofden (triomfantelijk, zo lijkt het, dD) naar Gideon”. Bij het treffen met Gideon, die ook naar de overkant van de Jordaan was overgestoken met zijn 300 manschappen, halen ze wel even fors uit:”waarom werden we eerst weggestuurd en konden we niet meedoen met de strijd tegen de Midjanieten”? Gideon geeft een eigen interpretatie van deze gang van zaken. “Wat jullie voor elkaar hebben gekregen, is de kroon op het werk van de afstammelingen van Dan, de Abiezer, God leverde aan jullie Oreb en Zeeb uit. Wat ik met mijn driehonderd man heb gepresteerd, valt daarbij helemaal in het niet”. Dat (een beetje krom argument, dD) overtuigt de mannen van Efraim en hun woede bekoelt.
Gideon gaat met zijn driehonderd mannen door met de achtervolging van de Midianieten en wil kennelijk ook zo’n heldendaad verrichten door de koningen (een stap hoger dan de legeraanvoerders) van de Midjanieten- Zebach en Salmunna- in handen te krijgen. Hij wordt geconfronteerd met een tegenslag: zijn mannen zijn uitgeput van de strijd daarvoor. Daarom gaat hij naar de steden Sukkot, resp. Penuel, waar hij langs komt aan de overzijde van de Jordaan, en vraagt aan het bestuur en de burgers van die steden of ze zijn soldaten te eten kunnen geven, “want ze zijn uitgeput”. In allebei de steden vangt hij bot: “waarom zouden wij jullie te eten geven, heb je de koningen Zebach en Salmunna al in handen gekregen? “. Dat maakt Gideon razend en hij reageert bedreigend: “Als God (die wordt door Gideon weer van stal gehaald, dD) mij die koningen heeft uitgeleverd en ik ongedeerd terugkom, kom ik jullie afranselen met doorntakken en distels uit de woestijn ( Sukkot) en jullie toren met de grond gelijk maken ( Penuel). Hij ziet kans om met zijn (uitgeputte) manschappen de Midjanieten – waarvan inmiddels het grootste deel van dat geoefende woestijnleger (ze waren geslonken van 135000 tot “slechts”15000) gedood was- te overrompelen. De twee koningen probeerden in de verwarring te vluchten, maar Gidon weet ze gevangen te nemen. Triomfantelijk gaat hij naar de stadsbestuurders van Sukkot en Penuel, niet nadat hij had een jongen uit Sukkot zover had weten te krijgen om de namen van 77 “oudsten en bestuurders” op een briefje te laten schrijven. En met dat lijstje in handen wrijft hij hen zijn bedreiging in toen zij wegerden zijn mannen eten te geven. En maakt waar wat hij had gezegd; hij ranselde de oudsten van Sukkot af met doornen en distels uit de woestijn en haalt de toren van Penuel omver en doodt de inwoners van die stad.
Vervolgens zoekt hij een reden om ook de twee koningen een kopje kleiner te maken. Hij laat ze in de val lopen door hen te vragen wie het waren die zij (eertijds) bij de Tabor gedood hadden. De twee koningen antwoorden: “dat waren mannen net zoals U, het leken sterk op koningszonen ”. Gideon herinnert hen er fijntjes aan dat het zijn (volle) broers) waren, de zonen van zijn moeder. (m.a.w. hij wil zeggen “ïk ben de zoon van Joas”, een hint over zijn afkomst van een Baäl -aanbidder).
En hij verklaart met aplomb – “zowaar de Heer leeft”- dat hij hen ( Zebach en Salmunna) niet zou doden als zij zijn broers in leven had gelaten. Hij draagt zijn oudste zoon Jeter op om de twee te doden, maar die heeft er geen zin in (“te jong”). En dan moeten de twee koningen hem sarren door te zeggen: ”doe het zelf, je bent mans genoeg”. Dat doet Gideon dan ook maar. En met een cynische handeling: als trofee neemt hij gouden maantjes die om de nek van de dromedarissen van de koningen hangen mee.
Thuisgekomen wordt hij door de Israëlieten op een hoge troon gezet door hem te vragen (als bevrijder uit de greep van de Midjanieten) nu ook voortaan als heerser te dienen en dat als een erfopvolging aan zijn nageslacht (zoon op zoon) door te geven. Dat gaat Gideon te ver; hij geeft als reden op dat ze moeten begrijpen dat de Heer hun heerser is en niet hij en zijn nageslacht. Maar hij ziet in hun eerbetoon wel een kans liggen om zijn heldendaden historische lading te geven. Hij vraagt ieder om uit de buit gemaakte ringen (die ze als goed gebruik als gouden sieraden bij zich droegen) een ring af te staan, wat ze allemaal ook prompt doen (in gewicht wel zeventienhonderd sjekel) en werpen de ringen in een uitgespreide mantel. Daar worden de gouden maantjes, oorringen en purperen mantels van de koningen en de halssieraden van de dromedarissen aan toegevoegd. En dan komt de aap uit mouw: Gideon laat van dat alles een priestergewaad maken en richt het als een soort monument op in Ofra : “waar heel Israël het als een afgod kwam vereren”.
De cirkel is rond: waar het in de ogen van God fout was gegaan, de verering van andere goden dan Hij, en waar Joas, de vader van Gideon nog aan had meegedaan, en waar Gideon als Richter was aangesteld om orde op zaken te stellen, daar gaat diezelfde Gideon ook weer in de fout. De auteur van het verhaal sluit op dit punt van de vertelling dan ook af met “Dit zou uiteindelijk leiden tot de ondergang van Gideon en zijn familie “.
Alsof er een andere verhaallijn (andere auteur? dD) door dit boek loopt, wordt aansluitend een geheel andere eindversie van het Gideon-verhaal opgetekend. Midjan, zo staat er, komt de nederlaag niet te boven en buigt het hoofd voor Israël. Israël heeft dan 40 jaar rust onder het Richteren-bewind van Gideon. Hij gaat wonen in Ofra (hierboven genoemd als de plaats waar hij dat ereteken van zijn heldendaden had opgericht), verwekt zeventig zonen bij veel vrouwen en sterft in gezegende ouderdom. In deze eindtekst wordt nadrukkelijk nog eens de naam van zijn vader Joas, genoemd, die Gideon de bijnaam Jerubbaäl (=Baäl is groot) had gegeven, en er wordt als slot vermeld dat Gideon in het graf van zijn vader Joas wordt bijgezet in Ofra , “waar de afstammelingen van Abiezer (van de stam Manasse) wonen. Alle historische lijnen die denkbaar zijn komen hier samen.
Na zijn dood vervallen de Israëlieten weer in de oude levensstijl, lopen achter de Baäls aan, verheffen zelfs Baäl -Berit tot hun god, wissen de herinnering uit aan God, die hen bevrijd had van de omringende vijanden. Ook aan de nazaten van Gideon, (de familie van Jerubbaäl worden ze hier cynisch genoemd) wordt geen dankbaarheid meer getoond voor wat Gideon had gedaan.
Richteren 9: Eigenmachtig leiderschap, Abimelech
Nu was het zo dat Gideon bij een van de zeventig vrouwen (die in Sichem woonde) een zoon verwekt had die hij de naam Abimelech (“zoon van een koning, ”) had gegeven. Die heeft, in tegenstelling tot zijn vader grote aspiraties om heerser (koning) over de Israëlieten te worden. Kennelijk heeft hij geen kennis genomen van (of lak gehad aan) de uitspraak van Gideon dat God heerser is van het volk van Israël en niet Gideon of zijn nakomelingen (wat indertijd de Israëlieten wel aan hem hadden voorgelegd als wens). Hij pakt het sluw aan: gaat naar Sichem, de stad waar zijn moeder en haar familie woont. Die familie, ooms en neven, vraagt hij om de burgers van Sichem een keuze voor te leggen. wie willen ze liever als heerser/koning, de zeventig zonen van Jerubbaal ( de naam van Gideon wordt hier niet gebruikt), dat wil zeggen zijn eigen broers, als een gezamenlijke heersersgroep, of willen ze liever één man, Abimelech, die toch familie van hen is, wat ze van die zeventig niet kunnen zeggen (die hebben allemaal andere moeders). De burgers van Sichem geven hun voorkeur aan Abimelech als heerser “omdat hij familie van hen was”. Ze geven hem 70 sjekel uit de kas van de Baäl-Berit tempel. Die gebruikt Abimelech om gewetenloze schurken in te huren. Zijn 70 broers moeten natuurlijk uit de weg geruimd worden. Dat lukt; in Ofra waar zij wonen worden ze één voor één op een steen ter dood gebracht. De burgers van Sichem gaan, als ze dat horen, naar de heilige eik bij de gedenksteen in Sichem, en roepen daar Abimelech uit tot koning. Die plaats was indertijd ingericht toen na de inname van Kanaän Jozua de stammen van Jacob trouw liet zweren aan de God van Israël. Een brute ontheiliging van die plek dus.
Ze hebben buiten de waard gerekend. Jotan, de jongste broer van Abimelech had weten te ontkomen aan de afslachting van zijn broers. Als hij hoort dat de burgerij van Sichem een koning heeft uitgeroepen, en ook nog wel zijn broer die alle andere broers had vermoord, klimt hij de berg Gerizim op. Deze berg staat bekend als de plek waar zegeningen over het volk Israël worden uitgesproken. Hier spreekt Jotan, diep geraakt door wat hier gebeurt, een fabel uit, met stemverheffing. Zijn introwoorden zijn geen zegen maar een profetische oproep: “Hoor mij aan, burgers van Sichem, en God zal u verhoren”. En met de fabel roept hij het beeld op van een bos bomen (bomen die zich een plaats hebben veroverd op een stuk grond, dD). De bomen “gingen er eens op uit” om een uit hun groep tot koning te zalven.Let wel: een koning wordt binnen de regels van de religie van het volk van Israël primair door een priester gezalfd, (dD). Ze vragen achtereenvolgens aan de olijfboom, de vijgenboom en de wijnstok: “wilt u onze koning zijn”? Alle drie bomen die zich ervan bewust zijn waarvoor hun vruchten – olie, resp. zoete vruchten en druivensap- toe dienen, te weten
God en de mensen vereren, verblijden en dienen, bedanken voor de eer omdat ze, zoals ze zeggen, daar dan mee moeten ophouden en alleen maar een rol moeten spelen door wat “boven de andere bomen uit te wuiven”.
>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>> In een preektekst uit 2021 van ds. Olivier Elseman ( Maranathakerk, den Haag, 15 aug. 2021, zie de PS na de leeservaring) las ik een verhelderende uitleg van de fabel van Jotam. Het gaat hier om macht, zo legt hij uit. Bij de weigering van de drie bomen om koning te worden, geeft hij aan dat het ten principale gaat om het zich onttrekken aan de verantwoordelijkheid om leiderschap te tonen. Juist de elementen vrede, recht en verzoening waar de vruchten van de drie bomen voor staan moeten goed bestuur van een land ten dienste staan, en als je maar boven de mensen uit gaar zweven, verzaak je je plicht.
De foute uitoefening van macht, onderdrukking en onrecht, ligt zo op de loer.
>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>
De bomen vragen het tenslotte aan de doornstruik, beeld van de machtswellust. Die antwoordt: “Als je mij echt wil zalven tot jullie koning, kom dan maar genieten van mijn schaduw, daaronder is het “tov” (hij zegt letterlijk: goed toeven). Een sluwe uitnodiging want een doornstruik heeft helemaal geen schaduw, geeft geen beschutting tegen onrecht (zo zegt ds Elseman dat in zijn preek). “Maar zo niet (dat wil zeggen, als jullie mij niet als koning willen, dD), dan zal ik vuur verspreiden tot aan de ceders van de Libanon (de mooiste bomen van de regio) “.
Jotam voegt er direct de betekenis van de fabel toe. Als de bevolking van Sichem te goeder trouw zou hebben gehandeld om Abimelech tot koning uit te roepen en Jerubbaal zijn familie (de zeventig zonen) goed behandeld zou hebben, hem naar zijn verdienste zou hebben beloond, dat wil zeggen als ze vrede, recht en verzoening echt boven de machtswellust hadden gekozen, dan “wens ik jullie het allerbeste met Abimelech”. Maar nu kiezen jullie de verkeerde kant, jullie hebben eigenlijk met de opstand tegen mijn familie en de moord op mijn broers meegedaan. Dan zal je het vuur van het onrecht van Abimelech niet ontgaan en hij zal jullie vurige antwoord daarop ook niet ontgaan. Een oordeel, zo lees ik het, in de trant van “boontje komt om zijn loontje”.
Jotam kiest , na het uitspreken van zijn profetische woorden, het hazenpad, vlucht buiten het bereik van de macht van zijn broer Abimelech.
Het gaat drie jaar goed, zolang heerst Abimelech over Israel .Maar dan komt de klad erin. De bevolking van Sichem krijgt genoeg van hun leider. De God van Israël zaait onenigheid en de trouw aan Abimelech wordt verbroken. Ze zetten het om in wraakgevoel over de moord op de 70 zonen van Jerubbaal. Eerst sturen ze een groep mannen de bergen in om met een guerrilla techniek de omgeving onveilig te maken voor de Abimelech aanhangers. Abimelech komt dat wel te weten (hij woont zelf buiten Sichem in Aruma) en wordt vervolgens door zijn lokale stadscommandant Zebul op de hoogte gesteld van het opstandig gedrag van de burgers van Sichem. Daar had zich inmiddels een zekere Gaäl (zoon van Ebed, die de profeet Jeremia ten dienste was geweest) met een groepje verwanten gevestigd, en had vertrouwen gewekt en gekregen bij de bevolking. Die gaan weer – denkend in hun recht te zijn gezet – in hun wijngaarden aan het werk, en hielden al gauw een klinkend oogstfeest met een feestmaal in de tempel van hun god (niet de God van Israel). Dat loopt uit op een anti-Abimelech sfeer en er worden beschimpingen tegen hem geroepen. Gaäl hitst de tempelbezoekers op en vraagt: ”wie is die Abimelech eigenlijk? Waarom zouden jullie je laten onderwerpen aan de zoon van Jerubbaäl en Zebul, zijn gevolmachtigde? We doen er veel beter aan om de nakomelingen van Chamor, de vader van Sichem, te dienen.
Hier wordt door Gaäl een buitengewone geschiedenis uit de tijd van Jacob en zijn zonen en dochter Dina opgerakeld. Sichem (waar de stad naar is vernoemd) was de zoon van de Chiwitische Chamor die in de tijd van Jacob over het gebied heerste waar Jacob zich had gevestigd. De dochter van Jacob, Dina, mengde zich onder de meisjes van dat volk. Sichem zag dat en werd smoorverliefd op haar en onderhield een seksuele relatie met haar. Chamor, de vader van Sichem probeerde Jacob te overtuigen van een huwelijk tussen die twee. Maar de broers van Dina waren mordicus tegen dachten met een list de mannelijke stamgenoten van Sichem een onrealistische eis voor te leggen om dit te verijdelen: “als jullie je allemaal volgens onze traditie laten besnijden, dan stemmen wij in met een huwelijk”. Maar wat hij niet verwachtte, gebeurt toch: zij laten zich besnijden. Voordat evenwel een huwelijk tot stand kon komen, weten de broers Dina te ontzetten uit het huis van Sichem, door een bizarre wending in het verhaal: de mannen van Sichem krijgen na een paar (3) dagen hevige pijn van die ingreep in hun mannelijkheid. De broers Simeon en Levi treffen ze met zwaarden gewapend in hun kwetsbaarheid en moorden de mannelijke bevolking uit. De andere broers plunderen terwijl de stad en huizen leeg, en nemen al het vee van het land mee, vrouwen en kinderen worden als gevangenen meegevoerd. Vader Jacob is zeer ongelukkig met deze gang van zaken, en vreest dat de inwoners van Kanaän tegen hem – en het kleine volkje dat hij tot zijn beschikking heeft- zullen aanvallen en zijn hele familie zal uitmoorden. De broers zijn onverzettelijk: “moesten wij onze zus dan als een hoer laten behandelen?”
Gaäl port dus de Baal-dienende inwoners van de stad Sichem op om de moord op hun voorvaderen door de zonen van Israël (Jacob) van eertijds te wreken door zich af te keren van de Israëlitische heerser Abimelech, de zoonvan Jerub baäl. Zoontje komt om zijn loontje. En hij praat ze overmoed in: “Ik zou zeggen tegen Abimelech: kom maar op met je leger, hoe groot het ook is”. Het vervolg van het verhaal is een mix van list en strijd, van argument en tegenargument en je overmoed met de dood bekopen. Alles zoals Jotam had geprofeteerd. Het verhaal eindigt dan ook met: ”Zo werd de vloek van Jotam, de zoon van Jerubbaal, aan hen voltrokken”. Het gaat zo:
De oproep van Gaäl maakt Zebul, de stadscommandant in dienst van Abimelech, zo kwaad dat hij zijn heer, die buiten de stad woont, laat informeren over wat er gaande is en te adviseren in actie te komen door met een leger in de nacht naar de stad te komen en ’s morgens een aanval in te zetten. Op 4 plaatsen stelt Abimelech ’s leger zich op. Voor dat de strijd ontbrandt ontmoeten Zebul en Gaäl elkaar, en als Gaäl in zijn arrogantie nog denkt dat er onbetekenende legers aankomen, spot Zebul met zijn onbenul en pest hem door te zeggen dat Gaäl het verkeerd ziet : “het zijn wat bergen die je in de ochtendmist ziet, Gaäl”. Gaäl houdt vol, en dan opent Zebul de ogen van Gaäl door hem de waarheid te zeggen. “Jij stelde toch het recht van Abimelech ‘s koningschap ter discussie, je wilde toch niet dat jij en het volk van Sichem langer aan hem onderworpen zouden zijn? Nou, hier heb je zijn leger voor je staan waar je zo laatdunkend over sprak, bind de strijd maar aan”. Gaäl voelt zich uitgedaagd, gaat met zijn mannen ten strijde, maar dat wordt een bloedbad. Abimelech verslaat hem, jaagt hem op de vlucht. Zebul zorgt door verbanning dat Gaäl en zijn verwanten nooit meer in Sichem zullen verschijnen.
De inwoners van Sichem intussen zijn nog niet af van de barbaarse heersersparktijken van Abimelech. Hij hoort dat zij hun gewone leventje weer hebben opgepakt. Hij overmeestert ze als ze vanuit de stad naar het land gaan om te werken en neemt de stad in, die hij met grond gelijk maakt. Hij hoort dan dat de inwoners van een naastgelegen stad Migdal-Sichem nog een verschansing in de gewelven van de Baäl-tempel van El-Berit hebben opgericht. Daar legt hij met zijn manschappen een grote hoeveelheid takkenbossen voor en steekt het in brand. De verschanste burgers komen in vlammen om. Niet tegen te houden trekt hij door naar de stad Tebes, belegert een toren waar de bewoners een veilig heenkomen dachten te vinden. Abimelech wil de toren ook innemen, nadert de poort en wil de toren daar in brand steken. Dat is het moment dat het verhaal tegen hem keert: een vrouw, op de toren staand, dondert een molensteen op zijn hoofd waardoor zijn hoofd verbrijzelt. Abimelech weet nog zijn mannelijke trots hoog te houden door aan een wapendrager te vragen hem dood te steken, “zodat er niet van mij gezegd kan worden: “Een vrouw heeft hem gedood”.
Zo is Abimelech’s machtswellust ten opzichte van het volk van Israël en het kwaad tegen zijn vader (hij doodde zijn 70 broers) gebroken. Maar ook het volk van
Sichem, die de dienst aan Baal boven die van de eer aan de God van Israël stelde, was gewroken. Het geschiedde zoals Jotam had geprofeteerd. En een vrouw heeft (weer) het heft – met een molensteen- in handen genomen.
De auteur schrijft dan: ”Na Abimelech kwam Tola en leidde Israël als Richter”. Het is opmerkelijlk dat Abimelech hiermee in de rij van de Richters wordt gezet, terwijl de facto Abimelech alleen een zelf uitgeroepen “koning” van Sichem was, geen Richter.
Richteren 10-12 : Jefta, een affaire
Tola treedt op als bevrijder van Israël, en leidde Israël 23 jaar. Na hem kwam Jair, die 22 jaar als Richter aan het roer stond. Er wordt niets gezegd over het gedrag van Israël in die tijd. Kennelijk was het “tov” in de ogen van God.
Dat verandert na Jair, als hij overleden is. Alles wat slecht was in de ogen van God wordt genoemd: het vereren van alle goden van de volkeren om hen heen, de Baäls en Astartes, en die van de volkeren Aram, Sidon en Moab, van de Ammonieten en de Filistijnen. Van de God van Israël willen ze niets meer weten, ze keren hem de rug toe en dienen hem niet meer. Dat komt hen slecht te staan, de Ammonieten en Filistijnen krijgen zo de kans om Israël in hun macht te krijgen, te knechten en te knevelen, in de gebieden aan beide zijden van de Jordaan. Het wordt gezien als de woede van de Heer die, ook als ze zijn hulp als laatste redmiddel inroepen, er de brui aan geeft en weigert om voor de zoveelste keer in te gijpen. Hij houdt ze de spiegel voor: ”Ik heb jullie gered van de Egyptenaren, de Amorieten, de Ammonieten, de Filistijnen, de Sidoniers, de Amalekieten en de Maonieten. En steeds keerden jullie mij weer de rug toe om andere goden te dienen. Ik heb het gehad met jullie. Roep de hulp van die andere goden maar in”. Dat komt hard aan, de Israëlieten tonen schuldbewust berouw en verwijderen de dienst aan de vreemde goden uit hun huizen en keren terug naar de dienst aan de Heer. God strijkt nog een keer met zijn hand over zijn hart en er komt een wending in de overheersing van de Israëlieten. Dat wordt in het volgende verhaal verteld.
Gilead is de locatie waar de Ammonieten de baas spelen en een kamp hebben opgeslagen. De Israëlieten doen dat daar vlakbij, in Mispa. De lokale leiders van Gilead zien daar een mooie kans liggen om een goede leider voor hun hele regio te vinden en spreken uit dat degene die als eerste de strijd aanbindt tegen de Ammonieten die hoofdrol wel eens zou kunnen krijgen. Die gelegenheid doet zich voor in het optreden van een zekere Jefta, bekendstaand als een krijgshaftig man. Hij woont op dat moment niet in Gilead, waar hij wel vandaan komt, maar in een verder gelegen streek Tob. Daar was hij eerder naar verbannen om een familievete. Hij was door zijn broers uit de familie gestoten omdat Jefta de zoon was van een hoer, en zijn broers die slipper van hun vader als reden zagen om Jefta zijn erfdeel te ontzeggen en hem de wacht aan te zeggen.
Jefta had zich in Tob inmiddels ontpopt als een rebel met een eigen legertje schurken die er in de regio op uittrokken (wij zouden nu zeggen: een soort vreemdelingenlegioen).
De oudsten van Gilead, die zoals boven verteld, een goede aanvoerder zochten in de strijd tegen de Ammonieten, herinneren zich de kwaliteiten van Jefta en proberen hem over te halen terug te komen naar Gilead om legeraanvoerder te worden. Daar trapt Jefta niet zonder slag of stoot in. Hij herinnert de oudsten eraan dat hij indertijd uit Gilead is verbannen omdat ze hem niet meer accepteerden; moet hij nu wel komen helpen nu de bevolking in het nauw zit? Ja, zeggen de oudsten, dat weten we maar we willen het goed maken en verzoening tonen. Als u (!) met ons meegaat, en de strijdt aanbindt tegen de Ammonieten, stellen wij u aan als hoofd over heel Gilead. “Meent u dat echt, zult u mij, als de Heer de Ammonieten mij in mijn macht geeft, als leider van het volk van Gilead aanstellen?” “Ja” is het antwoord,” zo zal het gaan, de Heer is onze getuige”. Jefta laat zich overtuigen, gaat mee naar Gilead waar hij tot legeraanvoerder en heerser over Gilead wordt aangesteld. Als hij naar Mispa gaat, waar de mannen van Gilead hun kamp hebben opgeslagen, herhaalt hij daar nog eens ten overstaan van de Heer wat hij gezegd heeft.
Jefta pakt de dreigende houding van de Ammonieten aan door eerst met hun koning in discussie te gaan. Hij vraagt wat de koning in zijn hoofd haalt om de Israëlieten op hun grondgebied aan te vallen. De koning, op zijn beurt, slaat keihard terug en beweert dat de Israëlieten na hun tocht door de woestijn uit Egypte, zijn land in bezit hebben genomen, te weten het hele gebied vanaf de Arnon tot aan de Jabok en de Jordaan. “Teruggeven mijn land, en gauw ook!”. Jefta gaat snel na of dat argument eigenlijk wel klopt en weet de feitelijke geschiedenis uit de overgeleverde verhalen, (zoals in Deuteronomium 2: 18-37) goed op een rijtje te krijgen. Via boodschappers communiceert hij met de koning: Er is geen sprake van dat de Israëlieten, de Ammonieten hun gebied- ten oosten van Kanaän- bij hun doortocht hebben ingenomen, sterker nog, hun God heeft hen indertijd aangegeven hun land met rust te laten. Wel heeft hun God het land van de Amorieten (een paar letters verschil in de naam), die toentertijd het hele gebied van Kanaän bevolkten, toegestaan in te nemen en dat volk uit te roeien. We wonen daar nu al zo’n 300 jaar, waarom heeft u dan niet eerder geprobeerd ons gebied in handen te krijgen. Wij hebben u met rust gelaten, val ons dan ook niet aan. De Koning vergist zich dus wel degelijk! De koning van de Ammonieten trekt zich van deze argumentatie, die hij van de boodschappers hoort, niets aan. Jefta neemt nu het heft in handen, hij voelt zich gesterkt door de geest van de Heer. Hij maakt eerst een tocht door de regio van Gilead, Manasse (waarschijnlijk om steun te krijgen van de bevolking), keert dan terig naar Mispa en trekt op naar de Ammonieten. Hij slaat toe en neemt een gebied in van wel 20 steden van de Ammonieten , Deze kunnen niet anders dan het hoofd diep voor de Israëlieten buigen.
Dan gebeurt er iets, waar Jefta niet op gerekend had. Wat was het geval. Hij had, voordat hij de strijd aanging, aan de Heer een gelofte gedaan: als de Heer de Ammonieten aan hem zou uitleveren, zou hij bij thuiskomst de eerste mens die uit zijn woonhuis hem tegemoetkwam, als een brandoffer aan de Heer opdragen. Een opmerkelijke belofte, die bij mij eerder een gevoel van onmacht en niet weten hoe met succes verantwoordelijk om te gaan uitstraalt, dan een stoere en gelovige belofte. Ook misschien meer voortkomend uit de heidense praktijken Baäl dan uit zijn band met de God van Israël. Het was toch nota bene Mozes die de praktijk van menselijk offeren al had verworpen. En wat gebeurt er: de eerste die uit zijn huis komt is zijn eigen dochter, enig kind, Iphis. Het lijkt wel op een cynische les in consequentie ervaren: als je zo graag dat leiderschap wilt en het bij God hartstichtelijk bepleit en je daarvoor zelfs een menselijk offer aanbiedt om het te krijgen, wel, dan zal je weten wat je gevraagd hebt.
Jefta schrikt hevig en wringt zich voor zijn dochter in alle bochten van zelfbeklag, hij scheurt zijn kleren nu hij haar ziet. Roept, in alle staten, zelfs verwijtend naar haar: “: dat jij me deze slag moet toebrengen, dat jij het bent die me in het ongeluk stort. Maar, ach, ik kan er niet op terugkomen, ik heb het de Heer beloofd”. Een staaltje van een vasthouden aan een zelf ingeprent hoger belang ten koste van het behouden van de menselijke waardigheid, de humaniteit in de persoon van alles wat je lief moet zijn, je enige dochter. Dochter Iphis blijkt in deze situatie over een grote mate van eergevoel te beschikken. Ze vraagt haar vader nog even te wachten, ze wil met haar beste vriendinnen nog een paar maanden in retraite om, zoals ze zegt, te treuren om het uitzicht dat ze geen kans meer zal krijgen om moeder te worden.
Een ontroerend beeld: het gaat haar niet om haar eigen dood, maar om het recht van een vrouw om het leven in anderen voort te zetten. En ze gaat die maanden ook niet gebruiken om toch nog liefde te bedrijven met een man, maar ze komt terug als maagd. En Jefta volbrengt zijn gelofte, Bitterder kan het niet. God is hier ook niet tussenbeide gekomen. De vrouw heeft in dit geval haar eer behouden maar heeft het met de dood moeten bekopen.
(de uitleg die ik hier geef aan dit verhaal is geheel voor mijn rekening. Het is mij bekend dat er vele, verschillende, interpretaties zijn, van de dichter Vondel en de componist Händel bijvoo Gaäl rbeeld, en nog veel andere).
Jefta laat na deze affaire nog een kant van zijn leiderschap zien, die gevoelens van bitterheid en onrechtvaardigheid oproepen. Hij krijgt uit onverwachte hoek, namelijk uit het broedervolk van de Efraimieten een zwaar verwijt voor de voeten geworpen. Zij hadden ook wel mee willen vechten tegen de Ammonieten, waarom heeft Jefta hen er niet bij geroepen? Jefta beweert nu dat hij hen wel degelijk heeft opgeroepen mee te strijden maar dat ze daar geen gevolg aan hebben gegeven. “Toen ben ik met gevaar voor eigen leven zelf tegen de Ammonieten te strijde getrokken, waarom valt u mij aan ? ”. (dD: Nergens heb ik kunnen terugvinden wat Jefta hier beweert, het lijkt op grootspraak en onwaarheid ) . Hij valt de Efraimieten aan, Zijn irritatie en emotie krijgen nog meer de overhand, als de mannen uit Efraim hem naroepen dat “jullie uit Gilead niets anders zijn dan een stelletje gevluchte Efraimieten, Gilead hoort gewoon bij ons gebied Manasse”. Dat is een stap te ver en Jefta houdt de vluchtende Efraimieten tegen door zijn mannen de oversteekplaatsen van de Jordaan te laten bezetten. Een hardvochtige truc laat hij vervolgens toepassen door Efraimieten die vroegen doorgelaten te worden het woord “sjibbolet” te laten uitspreken. Als dat dan als “sibbolet “wordt gezegd, dus niet de juiste uitspraak (dialect) werd hij gedood. Er werden 42000 Efraimieten gedood in deze wraakactie van Jefta. (bizonder is dat het woord sjibbolet op zichzelf al betekent de uitspraak van een woord die eenduidig aangeeft of de spreker al dan niet tot een bepaalde groep behoort dD).
Hij leidde 6 jaar Israël als Richter en werd in Gilead begraven toen hij na die periode overleed.
Richteren 13-16: Simson, het verhaal van ‘kracht uit handen geven’.
Na de dood van Jefta vervalt Israël opnieuw in de oude gewoonte om zich niets meer aan te trekken van de aanwijzingen van hun God om hun samenleving
“ tov” in zijn ogen te maken (gericht op duurzaamheid en gerechtigheid, ijkpunten van Gods bedoelingen met de aarde en de mens,dD) . Dat komt hen duur te staan: een overheersing – 40 jaar lang- door de Filistijnen. Een woest volk van strijders, altijd er op uit om te onderdrukken wat op hun pad komt.
Het verhaal gaat dan dat er in die tijd binnen de Israëlitische stam Dan (de kleinste onder de 12 stammen) een jongen opgroeit, Simson, in de omgeving van de stad Sora. Het is een jongen die het avontuur niet schuwt en niet voor de woestheid en kracht van de Filistijnen onder doet. Hij heeft volgens de overlevering bij zijn geboorte al een teken meegekregen, waardoor aan zijn fysieke en mentale kracht, een bijzondere lading wordt toegevoegd. Zijn moeder, lange tijd onvruchtbaar gebleven, kreeg namelijk van een onbekende man met een buitenaards klinkende stem te horen dat ze zwanger zou worden. Zij moest zich die tijd onthouden van wijn of bier en onrein voedsel, haar zoon zou zich nooit mogen laten scheren, dat betekende dat hij als Nazireeër zou opgroeien en aan God gewijd zijn.
| Een Nazireeër (ook wel Nazireer, van het Hebreeuwse ‘nazir’ = gewijde) is een Bijbelse benaming voor een man of vrouw die zich speciaal aan God wilde toewijden. Een Nazireeër mocht geen wijn drinken en zijn haar niet laten knippen. Ook mocht hij niet in aanraking komen met een dode of zelfs maar met een overledene onder een dak verkeren. De regels waaraan een Nazireeër zich moest houden staan in het Bijbelboek Numeri 6:1-21 |
Haar man, Manoach, wil, als hij dat verhaal hoort, ook nog wel eens precies weten wat er gezegd is, vraagt aan God of hij de boodschap nog een keer mag horen. Dat gebeurt als de vrouw op het land bezig is, de buitenaardse figuur weer verschijnt en zij haar man erbij roept. Het gesprek tussen Manoach en de verschijning, die ze als engel ervaren, is bijzonder. Manoach vraagt hoe de aangekondigde zoon zich zal moeten gedragen en wat hij moet doen. De engel geeft eigenlijk herhaalt wat hij de vrouw heeft opgedragen: geen wijn, bier of onrein eten. De man twijfelt wie die boodschapper eigenlijk is (een engel van de Heer?), wil dat hij nog wat langer blijft, biedt hem wat te eten aan, een geitenbokje. De engel zegt wel te willen blijven, maar eten zal hij niet, hij raadt Manoach aan het geitenbokje als brandoffer aan de Heer op te dragen. Manoach vraagt: noem je naam, dan weten we wie we eer moeten bewijzen als je geboorteaankondiging is uitgekomen. De engel kaatst terug en vraagt waarom hij die naam wil weten, die is veel te wonderbaarlijk voor Manoach! Als dan Manoach het geitenbokje en wat graan op een rotsblok legt als offer aan der Heer, zien ze in de vlam de engel opstijgen naar de hemel. Dan zijn Manoach en zijn vrouw pas helemaal overtuigd, ze vallen op hun knieën en buigen diep: “We hebben God gezien, dat wordt onze dood” zegt Manoach , kennelijk zich schuldig voelend. “Neen, zegt zijn vrouw, als hij ons had willen doden, hadt hij het offer niet aanvaard, hadden we niet gezien wat we zagen en had hij niet zulke beloften gedaan”.
De vrouw krijgt inderdaad een zoon, ze noemen hem Simson. Hij groeit op in voorspoed en met de zegen van de Heer. Als hij volwassen is komt hij tot daden “door de Geest van de Heer aangezet”, in het gebied van de stam Dan tussen Sora en Estaol.
Ook de daden van Simson worden als een serie spannende vertellingen overgeleverd. En ze hebben allemaal gemeen dat het steeds draait om nogal heftige relaties met vrouwen. Dat is een bijzonderheid, gezien de specifieke levensopdracht die zijn moeder bij de aankondiging van zijn geboorte heeft meegekregen vanwege God: hij zal Nazireeër zijn, moet zich onthouden van wijn, bier en onrein voedsel en mag zijn haar niet afscheren. Dat zal hem bijzondere kracht geven. Dat nu wordt in verhalen neergezet in een setting waarin hij de verhouding met vrouwen keer op keer op scherp zet, waar liefdesrelaties worden aangegaan, verbroken, of gewroken.
Het eerste verhaal gaat over zijn relatie met een meisje uit de stad Timna. Zij is een Filistijnse, volksgenoot van de toenmalige overheersers over Israël. Simson was tijdens zijn omzwervingen voor haar gevallen en verzoekt zijn ouders naar Timna te gaan om haar voor hem ten huwelijk te vragen. De auteur van Richteren geeft een bijzondere lading aan deze gang van zaken: het is God die die op dit huwelijk aanstuurde om een situatie te creëren om de strijd met de Filistijnen aan te gaan. De ouders hebben dat niet in de gaten en liggen dwars; er zijn toch onder zijn familieverwanten of in het Israëlische volk genoeg meisjes te vinden die Simsons vrouw kan worden. Simson blijft aandringen en ze gaan op weg, langs de wijngaarden naar Timna. Onderweg- zijn ouders zijn een eind van hem vandaan en hebben niets door – vaart voor het eerst bij Simson de oerkracht van de Geest van de Heer binnen als er een leeuw brullend op hem afkomt. Simson verscheurt met blote handen de leeuw – “alsof het een geitenbokje was”- en laat het dode beest aan de kant van de weg achter. Hij spreekt er met geen woord over met zijn ouders. Ze lopen door naar Timna, ontmoeten het meisje, waar Simson nog steeds gek op blijkt te zijn. Er wordt kennelijk een deal gesloten over een huwelijk, want, zo gaat het verhaal verder, enige tijd later gaat Simson weer naar Timna om met haar te trouwen. Onderweg ziet hij het kadaver van de leeuw liggen. Daarin heeft zich een bijenvolkje een nest gemaakt met een voorraad honing. Simson haalt met blote handen de honing eruit, al etend haalt hij zijn ouders in, die niets van deze gebeurtenissen gemerkt hadden; Simson vertelt hen ook niet waar die honing vandaan komt.
Simson komt bij het huis van zijn toekomstige vrouw, gaat daar volgens de gebruiken met zijn vader naar binnen. Er worden 30 jongemannen uitgekozen die met hen het feest bijwonen, wat Simson volgens de gebruiken aanbood.
Simson draait dan de rituelen om. Hij denkt slim te zijn en de geschenken die hij ook aan de jongemannen verplicht is te geven met een raadseltje af te kopen. Het gaat om een cadeau van onder- en bovenkleren die hij aan ieder van de dertig zou geven. Hij stelt hen voor een raadsel op te geven, en als ze dat oplossen krijgen ze hun cadeau. Zo niet, dan moeten de jongemannen hem dat als cadeau geven. Zij trappen erin en Simson vraagt hen binnen 7 dagen te vertellen waarop het volgende rijmpje betrekking heeft:
Het is sterk en verslindt altijd,
nu biedt het maal van zoetigheid
Simson legt hiermee het voor de jongemannen onbekende beeld van de leeuw en het genot van de honing in cryptische termen op tafel en denkt dat ze dat nooit zullen raden. Dan is hij van zijn verplichting af, wint deze strijd van Filistijnen en zal scoren bij zijn beoogde vrouw. De mannen piekeren zich suf, komen er inderdaad niet uit. Ze voelen zich flink beetgenomen door de Israëliet Simson en zetten na drie dagen het meisje van zijn dromen onder druk: ontfutsel de oplossing bij Simson, dit is geen stijl. Anders steken we jullie huis in brand en komt iedereen om. We laten ons door jullie niet tot de bedelstaf brengen, wat denken jullie wel. Het meisje wordt dus als chantagemiddel door hen ingezet. En die zwicht voor de bedreiging, zeurt Simson de oplossing van zijn kop om die tenminste aan hem te vertellen. Die weigert aanvankelijk (“ ik heb het zelfs mijn ouders niet verteld”) maar ziet dat er niets anders op zit dan het haar te vertellen, wat hij aan het eind van het zevendaagse feest doet. En zij vertelt dat door aan de dertig jongemannen. Zij leggen triomfantelijk de oplossing op tafel bij Simson, doen dat met een wedervraag, ook in de vorm van een rijmpje:
Wat zou er zoeter zijn dan honing
en sterker dan de leeuwenkoning”
Simson heeft het meteen door, hij wordt te grazen genomen. “Ja, ja, jullie hebben met mijn vaars geploegd, anders waren jullie er nooit achter gekomen”. Maar hij voelt aan recht te moeten doen aan de uitkomst van de weddenschap. Wat hij dan doet is te gruwelijk voor woorden: hij gaat naar de Filistijnse stad Askelon, ‘de Geest van de Heer voer in hem’, hij doodt in koelen bloede daar 30 man, en neemt hun kleren mee en geeft die aan de mannen van zijn huwelijksfeest. Hij laat het huwelijk voor wat het is, gaat woedend terug naar zijn ouderlijk huis. De verteller van het verhaal meldt als nuchter slot dat het meisje aan een ander ten huwelijk wordt gegeven, een van de getuigen bij het huwelijk.
Een tweede verhaal over de persoonlijke strijd die Simson tegen de Filistijjnen voert, sluit aan op het vorige. De vrouw waarmee hij eigenlijk nog was getrouwd (waarvan ook hier de naam niet genoemd wordt) kan hij niet uit zijn gedachten zetten. Hij gaat naar Timna terug met voor haar een geitenbokje, maar haar vader laat hem niet toe. “Ik mocht ervan uitgaan dat je niets meer van haar wilde weten, ik heb haar aan een ander gegeven”. De vader probeert nog wel Simson voor zijn ( Filistijnse) huis te behouden en biedt zijn andere dochter aan (“nog mooier dan die jij wilde”). Dat schiet Simson in het verkeerde keelgat en vindt dat hij in het volste recht staat om de Filistijnse gemeenschap van Timna een flinke slag toe te brengen. Hij ziet kans om al hun korenvelden, wijngaarden en olijfgaarden plat te branden. Als bijzonderheid wordt daarbij verteld dat hij dat met een onvoorstelbare truc voor elkaar krijgt: hij bindt 300 vossen, die hij “vangt”, twee aan twee met de staarten aan elkaar, en zo dat er een brandende fakkel tussen vastzit. De vossen worden de velden van de Filistijnen ingejaagd en zo brandt alles af.
Op hun beurt slaan de Filistijnen ook terug. Ze komen erachter dat Simson de dader is, maar begrijpen dat hij dat deed omdat zijn schoonvader hem zijn vrouw had ontnemen. Dus niet Simson maar de vader en zijn dochter zijn het slachtoffer; ze worden door hun eigen volksgenoten van het leven beroofd doordat de Filistijnen hun huis in brand staken. En dat is voor Simson een daad van groot onrecht (“Gaat het hier zo aan toe?”) en wreekt zich op zijn beurt door er ongenadig op los te slaan en talloze slachtoffers te maken. Hij trekt zich terug en schuilt in de gebergten van Etam in Juda.
De strijdscenes volgen zich op, krijgen weer een andere wending. Het Filistijnse volk elders hoorde van de – in hun ogen- wandaden van Simson en vallen Juda binnen om hem te zoeken. De Judeeërs, daarop geattendeerd, gingen met een legertje van 3000 man naar Simson, geven hem te kennen dat ze niet gediend zijn van zijn streken, en dat hij moet beseffen dat de Filistijnen nu eenmaal de baas zijn over Juda. Ze dreigen hem uit te leveren aan de Filistijnen. Simson voelt zich in het nauw gedreven en bezweert zijn volksgenoten dat ze hem niet zullen doden. Dat beloven ze maar boeien hem met (nieuwe) touwen en brengen hem naar een plaats met de naam Lechi. De Filistijnen denken hun kans te kunnen grijpen, komen juichend op Simson af. Dan is het voor de tweede keer het moment waarvan de verteller zegt ”de Geest van de Heer voer in Hem”. Hij weet zich van de boeien – als vlas dat wegschroeit in het vuur- te ontdoen. Voor hem ziet hij een nog harde kaak van een ( geofferde?) ezel liggen, Met die kaak wet hij 1000 man Filistijnen dood te slaan onder het uitroepen van het rijm
Met een ezelskaak heb ik die ezels flink geraakt. Met een ezelskaak
heb ik er duizend afgemaakt!’
Hij geeft de plaats de naam Ramat-Lech, dat is Kinnebakshoogte, Hij is wel aan het eind van zijn krachten, bidt de Heer om water (“ik kan toch niet in handen vallen van die onbesnedenen, als ik zo uitgeput ben?”) die hem daarin door een natuurwonder – het openbarsten van de kom van het dal- voorziet. De plek daar wordt En-Hakkore genoemd, de Bron van de Roepende.
Vermeld wordt op deze plaats in het verhaal dat Simson Israël als Richter leidt tijdens de Filistijnse overheersing, 20 jaar lang.
Het derde verhaal van Simson gaat weer over de relatie die hij met een vrouw aangaat Het gaat om een hoer in Gaza, waar hij bij zijn omzwervingen terecht komt, en bij haar in huis gaat, bijzonderheden worden niet genoemd. De ( Filistijnse?) inwoners van Gaza zinnen op een overmeestering van deze vijand. Ze laten wachters bij de poorten van de stad waken zodat ze hem bij de ochtend kunnen pakken. Simson krijgt daar kennelijk lucht van, gaat middernacht naar de poort en geeft daar van zijn oerkracht blijk: hij rukt de hele poortdeur met de deurposten los en loopt daarmee de bergtop op tegenover Hebron. (geografisch ligt dat nogal uit elkaar…dD).
Het vierde verhaal volgt op zijn krachttoer bij de poort in Gaza. Hij heeft het oog laten vallen op Delila die uit het Sorekdal komt, een gebied tussen Jeruzalem en het door Filistijnse gebied in. Van Delila is niet bekend of het een Filistijnse of Israëlitische is. Hoe dan ook, de Filistijnse stadsvorsten weten haar wel te vinden voor hun plannen om Simson in te rekenen. Ze hebben het verhaal van zijn immense krachten nog vers in het geheugen en kopen Delila met een goede som gelds om in ruil voor de wetenschap over die krachten en eventuele zwakke plekken daarin. Delila verleidt Simson om haar het geheim van zijn krachten te vertellen, maar hij vertelt tot drie keer toe niet het ware verhaal. Hij overtuigt haar met argumenten over zeven vers soepel pezen waarmee hij, geboeid, weerloos zou worden, hetzelfde verhaal hem te boeien met nieuwe touwen en ten derde met het vastpinnen van zijn zeven haarvlechten. En ieder keer als Delila die trucs uitvoert en de Filistijnen hem denken te kunnen grijpen, weet Simson zich met zijn niet verdwenen kracht los te rikken en valt het plan in duigen. Delila verwijt hem keer op keer haar voor te liegen en dring er met kracht op aan eindelijk eens de waarheid te vertellen (ze moet natuurlijk haar loon van de Filistijnen waar zien te maken). Een vierde poging kan Simson niet weerstaan en hij vertelt de waarheid. Al voor zijn geboorte was aan zijn moeder zijn bijzondere positie in de Israëlitische samenleving aangezegd: hij zou aan de God van Israël gewijd zijn als Nazireeër. Dat hield onder andere in dat hij zijn hoofdhaar niet mocht afscheren; gebeurde dat toch, was hij weerloos. Dat vertelt ze door aan de Filistijnse vorsten, die met hun geld naar haar toe komen. Delila weet Simson in slaap te krijgen en de Filistijnen scheren de haarvlechten af.
Nu komt er een bijzonder moment: de woede van God wordt opgewekt en Hij trekt zijn handen van Simson af, hij is ontrouw aan de belofte. Simson, nog niet overtuigd van zijn zwakke positie, probeert zich nog los te rukken maar dat lukt hem niet. De Filistijnen grijpen hem en verzwakken hem nog ernstiger: ze steken zijn ogen uit. Zo verliest hij ook nog zijn zicht op de wereld om hem heen. Hij wordt afgevoerd naar Gaza. Geboeid in bronzen ketenen, hoe cynisch. En moet daar als dagelijkse arbeid meel malen, daar heb je je ogen niet voor nodig, maar wel als een onderliggende terechtstelling: als je denkt ons de oogst van onze korenvelden te kunnen ontnemen met die platbranderij bij Timna, heb je het mis. Verzorg onze behoefte aan voedsel maar op deze manier.
En toch is het niet einde verhaal. Er ontstaat bij de Filistijnen een feeststemming nu Simson volgens hen goed opgeborgen zit. Ze worden zo uitgelaten en overmoedig dat ze de kreet uit de feestgangers “Haal de zwakkeling en blinde Simson erbij, dan kunnen we lachen” ook uitvoeren. Ze zetten hem tussen de zuilen van de tempel (ook de religie wordt bespot) om er een toneeltje van te maken. Maar nu rekenen ze zich buiten de waard. Er is namelijk iets in de gevangenis gebeurd, waar ze niet op gelet hebben, het haar van Simson is weer gaan groeien. En Simson, zich weer bewust van herwonnen kracht, vraagt aan de jongen die hem in zijn blindheid begeleid had, of deze hem zo tussen de zuilen zet dat hij daartegen kan rusten. En hij bidt God hem bij te staan om nog een keer zijn kracht te kunnen gebruiken zodat hij zich op de overheersers, de Filistijnen, kan wreken. Met dat vertrouwen zet hij zich met zijn handen schrap, pakt hij de steunpilaren en weet de tempel in elkaar te laten storten. Boven op de stadsvorsten en duizenden mensen die toe hadden staan kijken bij het toneeltje van de blinde Simson en die hem hadden staan uitjouwen. Ze worden allemaal bedolven, het zijn er meer dan hij slachtoffers had gemaakt dan zijn hele leven (weet de auteur van Richteren nog fijntjes toe te voegen). Maar ook Simson zelf wordt bedolven, hij had tijden de krachttoer geroepen: “Mijn dood zal de dood zijn van de Filistijnen”. En zo gebeurt het ook.
Zijn familie (van vaderskant) komt naar Gaza om zijn lichaam uit de puinhopen op te halen, brengt het lichaam waar zijn vader Manoach begraven lag, tussen Sora en Estaol.
Zoals eerder al gezegd, Simson heeft Israël 20 jaar als Richter geleid. Wat in het hele verhaal van Simson ontbreekt is de in Richteren zo vaak gebruikte woorden
“Het was goed (of niet goed) in de ogen van de Heer. Opmerkelijk, zo ervaar ik dat.
Richteren 17-18: Het verhaal van Micha
De laatste verhalen in het boek Richteren gaan niet over Richters, de tijden worden onrustig in Israël. Nadrukkelijk schrijft de auteur dat het in de tijd was “dat er geen koning was in Israël”. Die tijd moest nog komen. En hij voegt eraan toe: “Iedereen deed wat goed was in zijn eigen ogen”. Niet gehinderd door God en gebod dus. Er wordt ingezoomd in specifieke conflictsituaties binnen de gemeenschap van Efraim. Het begint met een man met de naam Micha. Die rommelt met geld. Hij heeft 1100 sjekel (12 kg!) van zijn moeder achterovergedrukt, die dat vloekend constateert. Hij heeft later spijt en komt het terugbrengen, zijn moeder maakt een genereus gebaar, zegent haar zoon en geeft het geld terug, zegt haar eigen zilver aan de Heer te willen wijden en een houten beeld mee te laten beslaan. Micha geeft dan toch het geld weer terug aan zijn moeder, die daarvan 200 sjekel gebruikt om het beeld te laten beslaan. Het beeld komt zelfs in het huis van Micha te staan, die nota bene een heilige ruimte in zijn huis had ingericht; hij had zelfs een priestergewaad en verschillende godenbeeldjes laten maken en een van zijn zonen als priester aangesteld. “Iedereen deed wat goed was in zijn eigen ogen”, dat laat dit verhaal duidelijk zien. Micha rommelt ook met de religieuze praktijken. Het gemarchandeer gaat door. Er komt- als door een engel gestuurd- een Leviet langs, die vanuit Bethlehem in het stamgebied van Juda een nieuwe woonplaats aan het zoeken was. De Levieten hadden namelijk geen eigen grondgebied in Israël toegewezen gekregen, maar waren (volgens de verhalen, opgetekend in het boek Numeri) aangewezen om de tempeldiensten en het tempelonderhoud te verzorgen. Micha denkt een religieuze slag te slaan door de Leviet als raadgever en priester bij hem in huis te nemen in ruil voor voedsel, kleding en onderdak. Dan heeft hij, zo redeneert hij, een “officiële” priester in huis en dan kan hij van de God van Israël niets dan goed verwachten.
Er komt van dat beeld letterlijk en figuurlijk niets terecht. De laatste stam van de Israëlieten, die nog aan het zoeken waren naar een woongebied, de Danieten, verblijven in de buurt van de Efraimieten. Ziij laten een stel van 5 sterke en slimme verkenners in de regio naar een goed vestigingsgebied zoeken. Die komen langs het huis van Micha, ontmoeten daar de Leviet, maken mooie sier met hem als ze horen hoe hij daar in dat huis is terecht gekomen en welke diensten hij daar verricht. Ze vragen hem Goddelijke raad in te roepen voor hun zoektocht en de Leviet geeft ongezien de zegen mee aan hun tocht. Tegelijk hebben de verkenners ook even in het huis van Micha rondgeneusd en in de heilige ruimte het priestergewaad, de godenbeeldjes en het zilverenbeeld zien liggen. Het bezoek aan Micha’s huis en wat ze gehoord en gezien hebben, is voor hen dan een aansporing om hun Danietenvolk op te roepen door trekken en het uitgestrekte gebied dat ze hadden gevonden in te nemen. En ze zeggen er nadrukkelijk bij dat God dat land, waar het een en al rust en welvaart is, hen zo zonder strijd in handen geeft. De Danieten gaan op weg, ondersteund door 600 gewapende mannen en na een kort oponthoud in Juda (een plek die ze Machane-Dan noemen) trekken ze door het gebied Efraïm en komen ook langs het huis van Micha. De 5 verkenners vertellen dan aan hun stamgenoten over de mooie spulletjes die in een heilige ruimte daar liggen. Dat laten de gewapende mannen zich geen twee keer zeggen en ze gaan met de verkenners naar het huis waar ze de Leviet hartelijk groeten en naar binnen gaan, terwijl de gewapende mannen bij de deur buiten de Leviet aan de praat houden. De 5 komen met wat ze hebben buit gemaakt (het priestergewaad, de godenbeeldjes en het zilverenbeeld) naar buiten en willen met hun stamgenoten doortrekken. De Leviet wordt “wakker” en wil weten wat daar aan de hand is. De verkenners zijn slim en overreden de Leviet zich even koest te houden, met hen mee te trekken als raadgever en priester, want, zo zeggen ze, daar doe je het volk van Israël meer plezier mee, dan dat je alleen in het huis van 1 man als priester werkzaam bent. Dat ziet de Leviet wel zitten, neemt de meegenomen beeldjes, etc. mee onder zijn arm en gaat met de Danieten mee. Micha heeft intussen doorgekregen dat zijn spullen gestolen zijn en zijn priester ook mee is geloodst is, en gaat met een stel knechten de Danieten schreeuwend achterna. De verkenners en de gewapende mannen die achteraan het trekkende volk en vee lopen, hebben het door en roepen: ”wat zullen we nu hebben, wat komen jullie doen”? Micha toont zich zeer verbolgen over wat ze hem hebben aangedaan, “alles wat ik heb gemaakt en de priester die ik had aangesteld, hebben jullie meegenomen, is weg”. De Danieten stellen zich arrogant en als meerderen op, dreigen met machtsoptreden waar Micha met zijn grote mond, toch niet tegen op kan. En Micha druipt af. Zijn wereldje stort in.
De Danieten trekken met de beelden van Micha door naar een streek ronde de stad Lais. Daar gaan ze niet in pais en vree hun plaats zoeken maar overvallen de inwoners die een rustig leven leidden, ze doden de hele bevolking, die geen hulp kan krijgen, branden de stad af en hernoemen de stad met de naam Dan, naar hun stamvader. Het zilverengodenbeeld van Micha krijgt een ereplaats en ze stellen een nazaat van Mozes aan als priester van hun stam; al zijn nakomelingen werden priester.
Het heiligdom van het hele volk Israël was in die tijd in Sila, de Danieten hadden zo hun eigen godsbeeld, zoals dat door Micha was gemaakt. De auteur sluit daarmee het verhaal van Micha af, en meldt daarbij dat dat zal duren tot de bevolking zou worden weggevoerd.
Richteren 19-21: Het eind is niet tov
Het laatste verhaal schetst hoe menselijke verhoudingen op individueel niveau gigantisch uit de hand kunnen lopen en er daardoor stamverbanden en tenslotte ook het hele volk Israël in het geding komen en tot de meest bloedige strijdtaferelen aanleiding geven. Is er tenslotte geen ‘Eind goed al goed’? Dat zou je bijna zeggen, de slottekst “iedere stam ging weer naar zijn eigen plek” klinkt niet als een garantie voor een duurzame samenleving, waar gerechtigheid leeft, met de ene God als ijkpunt. “Tov” is zeker geen toverwoord.
Het is nog steeds niet de tijd waarin er koningen over het volk Israël heersen. En dit laatste verhaal begint met een Leviet die (gehuwd en wel) ver weg in Efraïm leefde, en tijdens zijn omzwervingen ook een meisje uit buurland Juda, uit de stad Bethlehem, als bijvrouw mee naar huis had genomen. Dat liep in eerste instantie spaak en het meisje ging na een fikse ruzie met de Leviet weer terug naar haar ouderlijk huis. De Leviet kon daar niet mee leven en ging na een paar maanden weer terug naar Bethlehem om het meisje over te halen weer terug te komen. Het meisje lijkt daar wel voor te voelen, ze gaan de (schoon)vader vragen om akkoord te gaan. Die is allerhartelijkst bij het zien van zijn schoonzoon en nodigt hem eerst uit om een paar nachtjes te blijven overnachten en zijn gast te zijn. De Leviet gaat daar op in, maar vanaf dat moment zet de schoonvader alles op het spel om hem niet te laten gaan; iedere keer als de Leviet met zijn herwonnen bijvrouw naar huis wil verleidt de schoonvader hen om nog even te blijven. Het lijkt wel of de schoonvader onraad ruikt en bang is dat zijn dochter iets zal overkomen. Na vijf dagen zet de Leviet aan deze gastvrijheid een punt en vertrekt met het meisje. Hij heeft een knecht en een paar ezels bij zich voor de logistieke zaken. Hij slaat onderweg het voorstel van zijn knecht in de wind om in de stad Jebus (waar de oorspronkelijke Jebusieten woonden, en dat later de Israëlische stad Jeruzalem zal worden) te overnachten (“vijandelijk volk, moeten we niet doen”) en trekt nog een eind door naar de regio van de Benjaminieten en stoppen na zonsondergang in de stad Gibea. Gastvrijheid is hier echter ver te zoeken en ze staan wat onthand op het stadsplein. Een oudere inwoner, geen Benjamiet, maar een Efraimiet die daar als vreemdeling woont (toch ook een Israëliet, de verhoudingen zijn niet optimaal kennelijk dD), is dan degene die hen wel hartelijk onderdak biedt en hen in alles voorziet, de Leviet hoeft van zijn voorraad en leger stro geen gebruik te maken. Deze vriendendienst wordt ruw verstoord. Benjaminietische Inwoners (“onverlaten”) stellen de gastvrije opstelling van hun vreemde eend in de bijt uit Efraïm totaal niet op prijs, bonzen op de deur als ze zien dat die twee gezellig met elkaar zitten te eten en eisen dat de oudere heer des huizes zijn gast naar buiten stuurt, ( “we willen hem wel eens even te pakken nemen”). De gastheer denkt er niet over om dat te doen, mar- hoe schandelijk vrouwonvriendelijk- hij biedt zijn eigen dochter en het meisje van de Leviet aan om daarmee alles te doen wat ze willen. Dat gaat er bij de belagers eigenlijk niet in, maar wat gebeurt er: de Leviet denkt de zaak op te lossen door zijn eigen bijvrouw gedwongen op straat te duwen. De bruten nemen haar dan maar als buit, verkrachten en misbruiken haar en pas tegen het eind van de nacht. bij het ochtendgloren, laten ze haar gaan. Ze strompelt naar het huis van de gastheer, blijft met haar handen uitgestrekt naar de drempel buiten bewustzijn liggen. De Leviet heeft na de gezellige avond en nacht weinig herinnering aan het een en ander, wil de reis voortzetten. Als hij de deur opendoet ziet hij zijn bijvrouw liggen, port haar nog op om mee te gaan, maar ziet dat er geen leven meer in haar is. Hij neemt haar lichaam op de ezel mee naar huis.
De gruwelijke afloop is eigenlijk met geen pen te beschrijven. Als hij thuiskomt in Efraïm snijdt hij het lichaam in 12 stukken en stuurt aan alle 12 stammen van Israel een stuk. Alsof het rouwkaarten zijn.
De reactie onder de Israëlieten is er een van verbijstering. Iedereen die dit ziet zegt dit nog nooit te hebben meegemaakt, van de dag van uittocht uit Egypte tot nu toe. “Nog nooit.Dit is ontoelaatbaar, we moeten ons beraden op wat we moeten doen “.
Uit heel Israel komt de bevolking samen in Mispa, een stad in de regio van Benjamin, het bleef de bewoners van die stam natuurlijk niet onopgemerkt. De samengestroomde stammen met hun leiders gaan op onderzoek uit naar de toedracht van zich heeft afgespeeld. De Leviet opent een dubbele agenda door een slim spel te spelen. Hij vertelt dat hij, als gast van een inwoner van Gibea, door inwoners van die stad, bedreigd werd met de dood en dat zijn vrouw zo gruwelijk verkracht is dat ze het niet heeft overleefd. Dat beschouwt hij als een schandelijke, ontoelaatbare misdaad tegen geheel Israel en daarom heeft hij dit aan alle stammen van het volk laten weten door het in stukken gesneden lichaam als bewijsmateriaal rond te sturen (hij vermeldt dus niet dat hijzelf het meisje voor de leeuwen geworpen heeft die avond en gezellig met zijn gastheer is gaan eten en drinken). Hij roept de Israëlieten op om te beslissen wat er moet gebeuren. De Israëlieten laten zich meeslepen door de leviet en zijn verhaal en besluiten tot een strak georganiseerde legeraanval op de stad Gibea en haar inwoners. Ze sturen eerst boden uit in heel Benjamin die de bevolking ertoe aanzetten om de daders op te sporen en aan hen over te dragen. Daar gaan de Benjaminieten (die toch ook
Israëlieten zijn) niet op in. Ze verzamelen zelfs een leger uit hun hele stamgebied om het veel machtiger leger van de stammen van Israel te kunnen weerstaan die hen wilden aanvallen.
Het gruwelijke lokale incident in Gibea van een paar mannen en een vrouw loopt zo uit naar een massale veldslag tussen legers. De religieuze component ontbreekt niet, de leiders van het grotere leger van de Israëlieten (minus de Benjaminieten ) vragen God of en hoe ze de aanval moeten inzetten. Tot drie keer toe horen ze een akkoord van de Heer, de eerste tweemaal heeft hun aanval geen succes. De Benjaminieten weten (rond Betel) hen gevoelige verliezen toe te brengen en ze moeten zich terugtrekken. De derde keer – de Heer zegt zelfs dat hij de Benjaminieten aan hen uitlevert- passen de Israëlieten zo’n strategie en tactische zetten toe dat, ook al duurt het enkele maanden, dat tenslotte de Benjaminieten in de pan gehakt en alle steden in hun regio, vlammen zijn opgegaan.
Het slagveld in Betel overziend bekruipt bij de daar aanwezige Israëlieten schuldgevoel. Ze zien de stam Benjamin gereduceerd tot een kleine bevolking van mannen en ze beseffen dat ze een broedervolk binnen Israel aan het uitroeien zijn. Ze leggen hun schuldgevoel neer tijdens een religieuze bijeenkomst rond een altaar wat ze ter plekke opbouwen, brengen brand -en vredeoffers.
Ze komen daar op het idee om een oplossing van het probleem te vinden in een geregisseerde bevolkingspolitiek, te weten zogen dat er door de overgebleven (mannelijke) Benjaminieten nageslacht wordt verwekt met Israëlische volksgenoten van elders. Maar dat moet (ook nu weer) heel slim worden aangepakt, want voordat ze ten strijde trokken hadden de Israëlieten in Mispa elkaar bezworen dat geen van hun dochters ooit met een Benjamiet zou trouwen. Ze gaan nu op zoek naar Israëlieten die niet bij de volksvergadering Mispa aanwezig waren en dus niet op die belofte kon worden aangesproken. En laten die nu te vinden te zijn: uit de stad Jabes in Gilead was niemand in Mispa aanwezig geweest. Dan gaan ze eerst die bevolkingsgroep laten doden door soldaten op de (400) ongehuwde vrouwen na, die nooit met een man hadden geslapen. Ze brengen ze naar hun verzamelplaats Silo. Tegelijk gaan ze naar een groep Berjamieten die zich in de rotsen daar hadden teruggetrokken, sluiten vrede met hen en geven de vrouwen aan hen mee. Het aantal van 400 was echter niet voldoende voor de Berjamieten die nog leefden. Daar moet nog wat aan gedaan worden. Ze redeneren: de Heer heeft een bres geslagen in de stammen van Israel en daar voelen wij als Israëlieten ons bezwaard over. Daar vinden de Israëlieten ook nog een oplossing voor. Ze houden in die tijd het jaarfeest voor de Heer in Silo, ze raadden de Berjamieten aan om in de buurt in de wijngaarden te verstoppen en -als de meisjes uit de stad Silo naar buiten komen om te reidansen, en dan de meisjes te roven die ze nodig hebben als te huwen vrouw. En geven aan hen ook nog de tip mee om, als de vaders en broers van die meisjes bezwaar maken, hen te overtuigen met het argument dat in de veldslag niet alle Benjaminieten een vrouw had kunnen bemachtigen en zij- de vaders en de broers dus- de meisjes niet zomaar vrijwillig afstonden,
Deze sluwe tactiek lukt en de Benjaminieten gaan ieder met een vrouw naar hun stamgebied. Ze bouwen de platgeslagen steden weer op en gaan er weer wonen. En de Israëlieten? Die keren terug, ieder naar zijn eigen stamgebied en familie.
Het in- en in foute gedrag in deze vertelling, van mannen in Gibea, de Leviet, de stammen van Israel, de Berjamieten, wordt door de auteur van de Richteren geearmarked aan het slot:
“In die tijd was er geen koning in Israel; iedereen deed wat goed ( tov) was in zijn eigen ogen”.
Dat is een bijzondere formulering. Het zijn niet de ogen van God die een blik slaan op het volk van Israel waarmee hij een verbond heeft afgesloten, en waar hij mee ziet of hun samenleven “tov” of “niet tov” is, maar er wordt door de mensen gedaan wat “tov” was in ieders eigen ogen.
Zo wordt een periode van de opbouw van de samenleving, waar God zoveel van verwachtte, bitter afgesloten. Er zullen koningen aan te pas moeten komen, zo wordt in de hiernavolgende Bijbelboeken Samuel en Koningen uit de doeken gedaan. Maar zou dat dan wel tot duurzame, op gerechtigheid gebaseerde verhoudingen leiden waar het verbond met de Ene God tot ijkpunt dient?
Kees den Dulk, maart 2024
l
,
>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>
Gedachtewisseling tussen Kees en Maarten over de Leesvolgorde
2-03-2024 18:02 CET schreef Kees den Dulk
Hallo Maarten,
Geheel per toeval zette ik vandaag ook een punt achter mijn leeservaring van Richteren. Ik kon mijn verwarring overwinnen en heb mij dicht bij de tekst gehouden. Geheel anders dan jouw sterke Jesajatekst, maar tot mijn verbazing (of juist niet) is Richteren een schets van gebeurtenissen die zich bijna 1:1 verhouden met wat Jesaja ” ziet”. Ik kom niet verder dan een in eigen woorden meelopen met die teksten en verhalen met zo nu en dan zienswijzen die me opvielen. En daardoor een lange woordenbrij, het lukte me niet om veel samen te vatten. Laat het lang liggen Maarten, je hebt Jesaja nog in je kop en andere zaken houden jullie bezig.
Groet,
Kees
Reactie van Maarten den Dulk, 13-03-2024
Beste Kees
Lezend in je verwerking van het boek Richteren komt bij mij weer mijn oorspronkelijke fascinatie voor dit boek boven, ga zoeken naar oud studiemateriaal en voel weer hoe ik er ooit in zat en er mettertijd ook weer uit raakte. En nu – door jouw bewerking – komt het weer dichtbij.
Je titel is raak: Samenleving in wording. Dat is het thema. Je kan het niet beter zeggen dan zo.
Je moeite om in het verhaal te komen, is herkenbaar. Wie doet wat in deze verhalen over oorlogsgeweld en landjepik? Het zijn baldadige Homerische verhalen, maar met een ander Joods geluid er doorheen. Je gaat op een goede manier door die blokkade heen. Misschien is dat ook de bedoeling van de verteller. Dat we bewust worden van het feit dat we over de opbouw van de samenleving niet kunnen denken in een rustige plaats buiten de werkelijkheid, maar midden in de politieke strijd. Daar wordt op profetische wijze naar het wereldgebeuren gekeken. En zeker: het criterium is goed handelen in relatie met de God van recht en trouw. En dat komt aan het licht door te letten op de samenhang van Thora en Profeten (overigens: volgens de Hebreeuwse bijbel hoort Jozua bij deze profetische geschriften). (Heb ik aangepast, dD)
Je wijst op de historische context van Thora en Profeten. Die moet je inderdaad voortdurend voor ogen houden om die oorlogsverhalen te plaatsen. Het is de tijd waarin (half)nomaden zich gaan vestigen in streken waar reeds cultuurvolken wonen. Dat vraagt om moeilijkheden. In de grote wereldrijken bij de Tigris en de Eufraat en bij de Nijl is geen plaats voor deze mensen. Ze vluchten eruit (in de Thora: Abraham om te beginnen en dan later Mozes) en zijn dan rechteloos op zoek naar een plaats om te wonen. Ze zoeken hun geluk in het gebied tussen die grote wereldrijken, op het strookje grond langs de Middellandse zee en de Jordaan. Daar zijn kleinere stadstaten gevestigd, waar misschien wat ruimte is voor deze rechtelozen. Ik vergelijk het in onze tijd met de stromen vluchtelingen die een plaats zoeken in onze cultuur.
En dan komen de verhalen van het boek Richteren. Dat is de kracht van je onderzoek: in die verhalen ontvouwt zich de weg van de samenleving – die opgebouwd wordt in de strijd om recht en om macht. Er is geen andere manier om de strekking van het boek te leren kennen dan door in die verhalen te komen en je mee te laten nemen. En dat doe je. Dat is een ervaring op zich. Want het zijn grandioze vertelsels! Ik voel weer de spanning en de verwarring die me toen in de greep kregen. Eindeloos zoeken naar een verhaallijn, een structuur, een zinsverband – en steeds weer ontsnapte het me. Ik heb het tenslotte maar opgegeven. Maar nu begint het weer te kriebelen. Jouw weergave roept het weer op.
Als ik de vertelling van het boek Richteren nu weer mee-beleef , dan hoor ik cp 1:1 – 3:6 als een inleiding op het geheel: de vraag of het mogelijk is dat de stammen van Israël op de grond die ze gevonden hebben een rechtvaardige samenleving zullen opbouwen. Hebben ze daar het vermogen toe?
Daarna zie ik drie stappen voor me:
In de cp 3 – 5 zijn de hoofdrolspelers de richters Othniël, Ehud en Debora, die als eersten de strijd om gerechtigheid voeren, en wel tegen de tirannie van de koningen van de andere volken. Echte vrijheidsstrijders zijn het. Het waren mijn helden in de jaren zeventig.
Cp 6 – 16 is het grote middendeel. Daar treden de richters Gideon, Jefta en Simson naar voren en komen prachtig uit de verf in kleine biografietjes. Het lijkt er even op of deze richteren zelf toch ook koningen zullen worden en zich dus als tirannen zullen ontwikkelen, maar dat gebeurt net niet. Het zijn Homerische helden en die ontsporen ook weer. Gideon is nog de meest rechtvaardige en creatieve, Jefta doet aan de droevige figuur van generaal Agamemnon denken die zijn dochter offert voor zijn militaire ideaal. En de archaische held Simson eindigt als een zelfmoordterrorist. Het zijn stuk voor stuk anti-helden. Het boek Richteren is een heldenroman om het af te leren. Ik maakte laatst weer een leerhuisavond mee, waarin Gideon werd neergezet in al zijn glorie en gloom. Oude tijden herleefden! In de cp 17 – 21 komt de zwakte van het optreden van de richters naar voren. Het zijn incidentele leiders, die op hun tijd de vijand van buiten kunnen verslaan, maar die voor het eigen volk geen politieke organisatie opbouwen. Dat is voor de samenleving in wording niet goed. Het leidt tot een situatie van anarchie, waar werkelijk alles uit de hand loopt. De conclusie is ongemakkelijk. Er zal toch zoiets als institutioneel koningschap moeten komen. Het koningschap dat ze als vrijheidsstrijders bestreden, hebben ze uiteindelijk toch nodig. Het is het probleem dat er politieke macht nodig is om recht en vrijheid te kunnen handhaven – terwijl die macht binnen de kortste keren wordt misbruikt.
En dan kom het boek Samuel, waarin die dubbele werking van het koningschap wordt gedemonstreerd aan Saul en aan David. En daarna komen de reeks Koningen, met wie het voornamelijk niet goed afloopt. Het probleem van recht en macht is niet zomaar op te lossen. We zitten er middenin.
Zo neemt jouw bewerking van de verhalen me mee, Kees. Het boek Richteren biedt een voedzaam programma voor het leerhuis in ons huidige politieke bestel.
Maarten
>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>
De fabel van Jotam
In het kader van mijn opmerkingen over Jotam vond ik deze tekst. Het is een preek van ds Olivier Elseman in de
Maranathakerk (den Haag) op 15 augustus 2021 :
Fabel van Jotam
Inleidend woord
Vandaag een verhaal uit het boek Richteren of Rechters. Een fabel over macht, over de verleiding van de macht. De aanleiding om die fabel te vertellen is akelig: macht is wel een moordpartij waard een moordpartij. Akelig, maar ook akelig actueel in de wereld van vandaag. Maar fabel probeert bezinning te brengen en mensen aan te spreken op hun verantwoordelijkheid.
De bijbelschrijvers vertellen ons het verhaal niet enkel om ons te vertellen: zo gaat het nu eenmaal toe in de wereld van de machten. Nee ze vertellen het verhaal om ons te waarschuwen en heel kritisch te zijn op hoe mensen omgaan met macht. Om ons op te roepen onze stem te verheffen tegen een macht die kleineert, ons te verzetten tegen macht, die zich baseert op geweld en op te komen voor macht, die zijn grond vindt in recht en gerechtigheid. Macht niet om te heersen, maar om te dienen, om samen te dienen.
Lezing Richteren/ Rechters 9: 7-15 fabel van Jotam
Uitleg en Verkondiging
Lieve mensen, gemeente van Jezus Christus.
De verleiding van de macht is een groot gevaar in onze wereld. Niet alleen in het groot, maar evenzeer in het klein, in alle menselijke verbanden. Het zijn sterke schouders, die de weelde van de macht kunnen dragen en de verleiding weerstaan. Macht corrumpeert. We zien het om ons heen. Macht smaakt naar meer, we zien het telkens weer gebeuren. Aardige en goede mensen, in wie we vertrouwen hebben, zie je soms veranderen als ze het gemaakt hebben en macht krijgen. Ze veranderen soms in verwaande kwasten en irritante baasjes, die zich boven gewone mensen verheffen en hun vroegere vrienden niet meer zien staan. Hooggestemde idealen en beste bedoelingen worden maar al te vaak verkwanseld in de zelfzuchtige en hebzuchtige zucht naar macht. Macht verandert mensen en vaak niet ten goede. Je ziet het gebeuren. De bevrijder van vandaag wordt de onderdrukker van morgen. Telkens weer.
In woelige en onzekere tijden zijn het vaak ook niet besten, die de macht zoeken en zich niet zelden opwerpen als de sterke man, die wel even orde op zaken zal stellen. Hardhandig en vaak zonder het al te nauw te nemen met de rechten van mensen. In de wereld van vandaag zie je het aantal ‘sterke mannen’ – ja het zijn voor al mannen – toenemen, vaak gesteund en toegejuicht door onzekere en angstige mensen. Ook in het Europa van onze dagen is het steeds vaker aan de orde van de dag.
Om de verleiding van de macht gaat het vandaag in het verhaal van Richteren. Jotam, de jongste zoon van richter Gideon vertelt er heel beeldend over.
De situatie in het Beloofde Land is deze: er is geen koning in Israël, geen centrale macht en het volk llaat zich steeds minder gezeggen door God en zijn Geboden van vrijheid en gerechtigheid. Integendeel. Het volk doet steeds weer wat kwaad is in de ogen van de Heer. Als een refrein klinkt dat telkens weer in het boek Richteren. Het volk doet wat kwaad is in de ogen van de Heer. Dat wil zeggen: Er is geen recht en het recht van de zwakste en de minste, dat God hen voor houdt, wordt al helemaal niet gerespecteerd. De brutalen en de sterken maken de dienst uit en dat leidt tot onrecht voor de armen, tot onderdrukking, tot ellende.
Daarom moet er steeds een Richter/ een rechter komen om de scheve verhoudingen in de samenleving weer recht te trekken en de samenleving weer in te richten als een gemeenschap, waar mensen in vrijheid en alle menswaardigheid tot hun recht kunnen komen en in vrede met elkaar kunnen leven.
Het boek Richteren/Rechters vertelt ons hoe in Israël telkens in Gods Naam Richters opstaan om de samenleving weer terecht te brengen in het spoor van gerechtigheid en verbondenheid/ solidariteit. Maar ook die richters kunnen niet altijd de verleiding van de macht weerstaan. Het begint al bij Gideon. Als hij de vijand heeft verslagen en er weer goed leven mogelijk is in het Beloofde Land willen de mensen een sterke man aan het hoofd. Ze roepen Gideon op om via een militaire staatgreep de macht te grijpen. Maar Gideon weerstaat die verleiding. Hij heeft er weet van dat hij Richter in Gods Naam is. Zijn macht is niet gebaseerd, ja mag niet gebaseerd zijn op zijn militaire machtsapparaat, maar kan enkel zijn basis vinden in Gods Gerechtigheid. Want God is koning. En in dat Koningschap gaat het niet om bruut geweld, maar om recht en gerechtigheid, in het bijzonder voor de zwaksten en de minsten, zoals we zongen met woorden van psalm 72.
Maar ook Gideon komt in de greep van de machtswaan. Hij doet onrecht en verheft zich hoog boven de mensen. En het is na zijn dood dat zijn zoon Abimelek ( dat betekent mijn vader is Koning) alle macht naar zich toetrekt en zich tot koning kroont.
Maar het is wel een verschrikkelijke karikatuur van het Koningschap, omdat het gebaseerd is op geweld en terreur. Via een militaire staatsgreep komt hij na de dood van Gideon aan de macht door de 70 zonen van Gideon te laten vermoorden. Want in zijn zucht naar macht kan hij de anderen niet als broeders zien, maar enkel als concurrenten, als vijanden, die hem in de weg staan. Daarmee laat hij zich al kennen als een mens die niets wil weten van broederschap en zusterschap, van medemenselijkheid en solidariteit. Het gaat hem alleen maar om zichzelf.
En het volk….? Die vindt het prachtig. Die zijn onder de indruk van het geweld en de krachtdadigheid van de sterke man en juichen hem toe als Koning, totdat ………ze zelf het slachtoffer worden van die krachtdadigheid. En het gebeurt vandaag de dag nog steeds. Maar het is wel een volstrekte karikatuur van het Koningschap. De Bijbel is een zeer realistisch boek. De schrijvers zijn bereid ook heel kritisch naar de eigen samenleving te kijken en willen niet enkel met de vinger naar anderen wijzen.
Eén zoon van Gideon ontkomt aan de moordpartij en blijft leven: Jotam, de jongste. Degeen die de minste rechten heeft. Maar juist in de bijbel hebben die altijd recht van spreken. Jotam vertelt over dat rampzalige Koningschap een prachtige, maar evenzeer bittere fabel. Het is een bittere satire op het Koningschap ja op de macht van alle tijden.
De fabel vertelt het bittere verhaal dat het niet altijd de besten zijn die boven komen drijven, die zich naar voren dringen als het om macht en heersen gaat. Maar het vertelt ook het verhaal van mensen, die de kwaliteiten hebben, maar hun verantwoordelijkheid ontlopen en zo anderen de ruimte geven om een greep naar de macht te doen.
De fabel gebruikt daarvoor het beeld van bomen.
Drie goede bomen – olijf, vijg en wijnrank – ,bomen, die kostelijke vruchten produceren, die het leven veraangenamen en tot iets goeds maken, peinzen er niet over om zichzelf boven anderen te verheffen door koning te worden. Zij blijven liever met beide benen op de grond staan om te doen, waarvoor zij bestemd zijn: goede vruchten voort te brengen.
De vruchten van die drie bomen staan voor het goede leven in het Beloofde Land, zowel in materiële als geestelijke zin. Ze verwijzen naar een bestaan, waarin mensen in vreugde kunnen genieten van het goede der aarde, verwijzen naar welvaart. Maar ze hebben ook een geestelijke zin en verwijzen naar welzijn.
De olijfboom is bijbels het symbool van Vrede – niet enkel als afwezigheid van geweld, maar positief: een vrede, die ruimte schept voor een leefbare samenleving. Een samenleving, waarin mensen vrij zijn in hun eigenheid, maar tegelijk zich met elkaar in respect verbonden weten. Het beeld van een samenleving, die niet beheerst wordt door tegenstellingen, maar waarin bij alle verscheidenheid samengewerkt wordt tot zegen van allen, in het bijzonder de minsten.
De vijgenboom is bijbels het symbool van de wet van God: de gerechtigheid. Zoet doet goed. De zoete vruchten van de gerechtigheid scheppen in een samenleving ruimte opdat ieder tot zijn recht kan komen in volle menswaardigheid. Waar dat recht niet wordt hooggehouden verwildert de samenleving, grijpen de sterken en brutalen hun kans en zijn de kwetsbaren en weerlozen de eerste slachtoffers. Zo is het handhaven van en werken aan gerechtigheid het fundament voor een menswaardige samenleving. Daar staat de vijgenboom van de wet voor garant.
De wijnstok is bijbels het symbool van liefde en verzoening. De wijnstok staat dus voor de inzet om de verscheidenheid en veelkleurigheid onder mensen niet te laten uitgroeien tot tegenstellingen, die mensen tot elkaars tegenstanders en vijanden maakt en enkel kan leiden tot vergelding, die maar al te snel omslaat in een negatieve en vernietigende wraakzucht.
De vruchten van de wijnstok willen mensen inspireren om tegenstellingen te overwinnen en te zoeken naar verzoening. Dat begint altijd met liefde in de zin van respect voor de ander en erkenning van de ander als mens, als medemens. Ook de mens, die anders is, anders denkt, anders gelooft, andere overtuigingen heeft, anders geaard is.
Al deze bomen zijn dus wezenlijk voor het bestuur van het land. In het bestuur, in de overheid hebben we mensen nodig, die zich inzetten voor vrede, recht en verzoening. Een koning, de macht, de overheid zou die drie zaken in zichzelf moeten verenigen of moeten zorgen dat die drie zaken die wezenlijk voor welvaart en welzijn in de samenleving zijn, behartigd worden.
Maar de bomen weigeren koning te worden omdat ze zich niet willen verheffen boven anderen. In de taal van de fabel: niet zweven boven de anderen of zoals de NBV vertaald: niet wat minzaam vanuit de hoogte wuiven naar mensen. Maar daarmee verstaan de goede bomen de macht, het koningschap verkeerd. Want dat moet ook helemaal niet: dat wuiven en zweven en zich boven mensen verheffen, Dat ‘zweven’ bedoelt Jotam kritisch. Kennelijk hebben die op zich goede bomen, mensen die zich op zich voor het goede inzetten, toch een verkeerd beeld van het koningschap, van de macht.
Als zij over macht denken, denken zij aan verheffing, aan heersen. En natuurlijk dat gebeurt ook maar al te vaak. Dat mensen die als gewone burger het goede nastreven als ze eenmaal aan de macht zijn en op het pluche zitten, veranderen in mensen, die zich laten leiden door zelfzucht, hebzucht en machtzucht. Dat gebeurt ook vandaag nog. Maar dat hoeft niet! En dat mag ook niet betekenen dat mensen hun verantwoordelijkheid om mee te doen in het bestuur van een land of samenleving of anderszins mogen ontvluchten. Want het hoeft niet! Het kan anders.
Als de bijbel het over een koning heeft – bv psalm 72 – dan gaat het niet over heersen, maar over dienen. Dan gaat het niet over een groot militair machtsapparaat, maar gaat het om recht en gerechtigheid. Dan gaat het niet om geweld en de harde hand, maar om liefde en genade. Dan gaat het niet om zelfverheffing, maar om de verheffing van de armen, de verheffing van de minsten naar een menswaardig bestaan.
Dus het kan anders. De drie bomen ontlopen hun verantwoordelijkheid voor het goede leven. Ze hadden ook één voor één kunnen zeggen. Ja dat willen we wel, maar dan doen we het wel samen met elkaar en in het licht van Gods Koningschap ten dienste van allen. Maar nee, ze weigeren helaas gezamenlijk hun verantwoordelijkheid te nemen.
En het gevolg is, dat doornstruik de kans krijgt en de kans grijpt met beide handen.
De doornstruik is een onnutte stekelige struik in woestijn en steppegebied. De doornstruik leeft in een gebied waar nauwelijks leven mogelijk is en het goede niet kan gedijen. De struiken zijn hoogstens van nut als afzetting van boomgaarden en wijngaarden om de wilde dieren met hun stekeligheid buiten te houden. Maar daarmee is het oppassen geblazen. Want dit droge gewas vat gauw vlam en het vuur kan gemakkelijk overslaan naar de boomgaarden en wijn gaarden en zo het goede vernietigen.
Jotam wil hiermee zeggen: als het minderwaardige de macht grijpt loopt het goede gevaar te worden vernietigd.
Bovendien – en dat is ook een kenmerk van machtswellust en heerszucht – de doornstruik belooft zijn onderdanen meer dan hij kan waarmaken. Ze mogen schuilen in zijn schaduw, – roept hij uit- terwijl iedereen toch moet weten, dat de doornstruik nauwelijks schaduw heeft. Hij belooft een beschermd en veilig bestaan, dat hij op geen enkele manier kan garanderen. Het gevaar van vernietiging is groot, want de doornstruik kan alleen maar treffen, steken, verwonden en vernietigen.
Zo wil Jotam de mensen de ogen openen voor machtsuitoefening zonder inhoud, ook al bedient zij zich van nog zulke mooie woorden en grootse beloften. Hij doet dat omdat hij weet, hoezeer mensen daar vaak tegen beter weten in intrappen en mensen aan de macht brengen, die hun grootse beloften niet waar maken en er niet zijn ten dienste van allen, maar enkel omwille van zichzelf, de eigenmacht, de eigen eer en de eigen portemonnee. We trappen er telkens weer in.
De fabel van Jotam wil ons ook vandaag waarschuwen. Pas op met macht, pas op met machthebbers! Wees altijd kritisch, want voordat je het weet vergeten zij hun beloften, dienen zij niet de samenleving, maar vooral zichzelf en onderdrukken zij anderen, in het bijzonder de weerlozen en kwetsbaren.
Maar de kritiek richt zich ook op allen die hun verantwoordelijkheid voor het geheel van de samenleving ontvluchten, de samenleving aan zijn lot overlaten en enkel leven voor zichzelf. De uiteindelijke positieve boodschap van Jotam is, dat je in een samenleving enkel door een verantwoordelijke samenwerking ten dienste van het geheel gestalte kan geven aan het Koningschap, ja wat de bijbel met Koningschap bedoelt: niet heersen, maar dienen; elkaar niet loslaten, maar dragen.
In Jezus zien wij dat Koningschap concreet voor ons. Hij was een koning, die draagt en dient; Die er was voor mensen, in het bijzonder de zwaksten en die zich inzette voor vrede en gerechtigheid, liefde en verzoening. Hij wilde in Gods Naam niet heersen, maar dienen.
Naar die Koning blijven wij uitzien en naar mensen die in het licht van die Koning hun verantwoordelijkheid nemen in de wereld van vandaag.
Amen
>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>