Aan de slag
Een gedachtewisseling tussen Maarten en Kees den Dulk aan de hand van het bijbelboek Handelingen, 2018
Parafrase
Vooraf
Het boek Handelingen trok mijn belangstelling. Eigenlijk kwam dat door de vragen die het bij mij opriep bij de zo vaak gehoorde duiding van dit Bijbelboek. Het zou gaan om de start van de kerkgeschiedenis, de uitstorting van de Heilige Geest, de zendingsreizen van met name Paulus om het geloof te verkondigen bij alle volken op aarde, en de martelaarsrol van de apostelen en de eerste christenen. En ik besefte me dat die duiding bij mij van jongs af aan zo ingeprent was dat het ook in mijn beleving legitimerend werkte ten aanzien van wat ik ervoer als de stand van kerk en geloof en hun rol in de maatschappij heden ten dage. En ik besefte me opeens dat dat tot een onkritische houding leidt en zelfs vooroordeel in de hand werkt.
Ik kreeg sterk de behoefte om de teksten van het boek Handelingen (toegeschreven aan Lukas als een soort doorlopend vervolg op zijn evangelie) zonder vooroordeel en invulling vooraf te gaan lezen. Ik wilde voorkomen dat ik bij het lezen ervan zou gaan zeggen: “zie je wel, wat we nu hier in en met onze kerk in de maatschappij doen, is al begonnen in die eerste tijd van de apostelen volgens Handelingen”. Dan krijg je geen goed zicht op wat er zich feitelijk heeft afgespeeld. Ik wilde zo goed mogelijk proberen het “begin “van de geloofspraktijk te begrijpen. Wat dat voor “nu” betekent is daarna pas aan de orde.
Het lezen van Handelingen had ik overigens nog nooit zo nadrukkelijk en integraal gedaan. En – alsof het me vooral niet gemakkelijk mocht worden gemaakt-: Ik liep in eerste instantie tegen een teleurstelling op. Ik las het moeizaam, vond het ongemakkelijke lectuur. De door Lukas geselecteerde opeenvolgende gebeurtenissen, vele tientallen in dit Bijbelboek, worden, zoals ik ze althans lees, te veel met een toonzetting van “en toen, en toen, en toen… “beschreven. Niet “het geschiedde”, maar “het gebeurde”. De wonderen en genezingen – van de klanktaal bij het Sjavoet-/Pinksterfeest, het weer tot leven wekken van een jongeman die uit het geopende venster doodvalt bij een ellenlange toespraak van Paulus, tot de wonderbaarlijke reddingen uit de gevangenis en tijdens de zeereizen – lijken zomaar uit de lucht te komen vallen, een beetje gekunsteld. Als ik althans de vergelijking met veel indringender beschrijvingen van de “wonderen” van Jezus maak uit de evangeliën. Er komen dubbelgenoteerde verhalen voor, o.a. de bekeringsgeschiedenis van Paulus, de tekstuele kwaliteit houdt niet over en er wordt zelfs in bepaalde passages (hfdsk 16, 20 en 27/28), zonder enige aanleiding de “wij”-vorm gehanteerd om bepaalde actoren (Lukas zelf, medereizigers?) sprekend in te voeren. Ik vermoed overigens dat bij de compositie van Handelingen door Lukas de verschillende bronnen die hij heeft moeten gebruiken hem parten hebben gespeeld. Hij is misschien wel door omstandigheden gedwongen geweest hier en daar wat te snel knip- en plakwerk toe te passen, zo veronderstel ik.
Er staat ook een heleboel niet in de Handelingen. De maatschappelijke en politieke context in Judea en Jeruzalem, de onderdrukking van en oorlogshouding van de romeinse overheersers komen niet of nauwelijks aan de orde. Daar moet je het geschiedenisrelaas van Titus Flavius Josephus in zijn werken Oude geschiedenis van de Joden (ca. 94 n.Chr.) en De Joodse oorlog (ca. 75 n.Chr.) voor bestuderen. In het laatste werk gaat het vooral om de
Joodse opstand tegen de Romeinse bezetting in de periode 66 – 70 na Chr. (de Eerste Joodse Oorlog) die resulteerde in de vernietiging van Jeruzalem in 70. Lukas vermeldt de verwoesting van de tempel helemaal niet.
De reizen van Paulus zijn wel uitvoerig aan de orde, maar ik mis een vermelding hoe hij zich op zijn reizen over land eigenlijk vervoerd heeft. Alleen te voet, dat lijkt me door Asia/ Judea, Thracië, Griekenland en Italië niet goed voorstelbaar. Met paarden, wagens?
Maarten den Dulk hielp me op dit punt verder:
Paulus wordt geacht te voet te hebben gereisd, tenzij hij per schip vervoerd werd. Hij kon gebruik maken van het wegennet dat de Romeinen door het hele Romeinse Rijk hadden aangelegd. Ze hebben uitgerekend dat Paulus zo’n 10.000 mijl (Engelse mijlen) moet hebben afgelegd voor zijn werk. Hij was niet de enige. Er was een bloeiende handel die veel mensen op de been hield, nog afgezien van ambtenaren, brievenbezorgers, soldaten, kunstenaars, filosofen en studenten, hulpzoekende zieken en vluchtelingen. De rijken gingen per paard of koets of draagstoel. Ezels werden als vrachtwagen gebruikt. Maar – totdat ik beter onderricht word – moet ik aannemen dat Paulus alles te voet deed, waarbij hij zijn gereedschapskist voor zijn tentenmakerij meesleepte.
En dan het einde, nogal abrupt. Paulus is in Rome scherp onder vuur gekomen, trekt zich terug en daarmee eindigt Handelingen. We weten geen gevolg.
Deze wat negatieve (en tot onbescheiden oordelen leidende) leeservaring heb ik weer naast me neergelegd toen ik echt aan de slag ging. Ik stelde me, nadat ik het verhaal nog eens goed gelezen had, de vraag: “hoe speur ik in dit verhaal de drive op waarmee de apostelen en leerlingen de (Nieuwe) Weg van God insloegen, en kan ik de kern vinden van wat ze daar vervolgens mee gedaan hebben en hoe zij zich – al dan niet succesrijk- teweer stellen tegen hun onverschillige, resp. geïrriteerde omgeving “. En naarmate ik mij meer en meer zo aan de zoektocht overgaf, kreeg ik – soms wel eens wat hinder van een moeizaam lezende passage- toch vooral het gevoel van verrassing bij wat de tekst me opleverde.
Alles wordt anders?
In het boek Handelingen zoek ik dus eigenlijk naar het momentum. Het momentum van de dynamiek van wat de apostelen aan de wereld duidelijk willen maken: “Er is iets nieuws aan de gang ”. Hoezo, nieuw? De vier levensverhalen over Jezus van Mattheus, Marcus, Lukas en Johannes zijn – in de volgorde waarin ze in de Bijbel staan- toch al verteld. Daaruit kon ik al niet anders concluderen dan dat er door de Jood Jezus de meest veranderende en vernieuwende woorden en daden waren gesproken en gedaan, die als een bom insloegen bij de Joodse bevolking en bij hun religieuze leiders, met alle gevolgen van dien, niet in het minst voor hemzelf. Daar hoef ik het boek Handelingen toch niet weer op te gaan nalezen, zo dacht ik.
Toch lijkt dat maar zo. Ik lees vanaf de eerste regel In Handelingen dat er iets “nieuws ” aan het gebeuren is; ” geschieden “- zoals de bijbel dat op andere plaatsen vaak verwoord- is wel degelijk aan de orde. De aanstichter Jezus doet een indringende oproep, vlak voordat hij voor de ogen van de apostelen verdwijnt, “ten hemel opstijgt” zoals dat wordt omschreven. En dan manifesteren zich pas echt veranderingen in en rond het Joodse volk, daar in Israël. Er vormen zich, na de verkondigingen van de apostelen groepen (gemeenten genoemd) van leerlingen die bij elkaar blijven, een beweging vormen, die zich de naam “De nieuwe Weg van God” aanmeten. En waar zich, als een zwaan-kleef-aan processie, duizenden zich bij aansluiten. Er zal sprake zijn geweest van opluchting dat er in die barre tijden van Romeinse onderdrukking en onder het juk van wettische tradities binnen de eigen Joodse gemeenschap gelukkig iets meer toekomst en woorden van bevrijding werden geprofeteerd. Maar ook werd een andere dynamiek losgemaakt: het nieuwe was tegelijk
ook zo bedreigend voor de gevestigde orde, binnen en buiten het Joodse volk, dat er grote tegenstand werd opgeroepen. Zo bezien moet er toch wel iets nieuws, iets anders aan de hand geweest zijn.
Dus ik vind wel degelijk signalen van turning points, van een “drive”, een bezieling om op een andere, nieuwe manier om als mensen met elkaar aan de slag te gaan. Met alle tegenkrachten die daarmee opgeroepen worden. Ik noteer in ieder geval een vijftal van die veranderingen.
Eerst even op adem komen
De start van alles waar in de Handelingen over wordt gecommuniceerd door Lukas is cruciaal. De apostelen trekken zich terug. Het begin van alle wijsheid is “even er het zwijgen toe doen”, zo moeten ze gedacht hebben. Dat gebeurde nadat zij aan Jezus hadden gevraagd of het koningschap over Israël nu zal worden hersteld; Jezus geeft hen geen antwoord daarop maar geeft hen een opdracht:
“Maar wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en van mij getuigen in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde “
Na die woorden wordt hij op de Olijfberg voor hun ogen omhoog geheven en opgenomen in een wolk, zodat ze hem niet meer zagen (en dat zijn wij Hemelvaart gaan noemen).
En dan, zo meldt Lukas, gaan de 11 apostelen samen met de vrouwen en met Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broers naar het bovenvertrek in Jeruzalem “waar zij verblijf hielden “, Vurig en eensgezind wijdden ze zich daar aan het gebed.
(Het gaat om de apostelen Petrus en Johannes, Jakobus en Andreas, Filippus en Tomas, Bartolomeüs en Matteüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon de IJveraar en Judas, de zoon van Jakobus).
Wat Jezus daar net aan hen had gezegd komt boven op wat zich in die drie jaar daarvoor in hun leven heeft afgespeeld. Rondtrekken met Jezus, wonderen zien gebeuren, felle discussies aanhoren en zelf voeren, met andere medemensen op een andere manier leren omgaan, de wettische Joodse traditie met voeten gaan treden. Moeten meemaken dat hun eigen Joodse gemeenschap nu juist die mens, hun broeder Jezus, niet alleen met beschuldigingen aan de schandpaal nagelt, maar met hulp van hun bezetters, de Romeinen, het zover krijgt om juist die mens de hoogste straf die er bestond, een kruisiging, te laten ondergaan. Tot verbijstering moeten meemaken dat zijn graf enkele dagen na de kruisiging, leeg wordt aangetroffen. Om, als klap op de vuurpijl, te horen krijgen en zelf ook ervaren dat die Jezus hen weer in ontmoetingen levend tegenkomt, aanspreekt, bemoedigt. En tenslotte een forse opdracht van hem krijgen: ze zullen moeten gaan getuigen van diezelfde Jezus; met de kracht van wat de Heilige Geest wordt genoemd. En ze zullen het getuigen niet moeten beperken tot Jeruzalem, Judea en Samaria, (de toenmalige Joodse gebieden), maar hun actieradius uit laten strekken “tot aan de uiteinden der aarde”. Zonder hun antwoord af te wachten, gaat hij voor hun ogen als op een wolk in het heelal onzichtbaar op. Dat alles dreunt na.
Dan trekken ze zich eerst met elkaar terug. In Handelingen wordt alleen vermeld dat ze zich daar in dat bovenvertrek terugtrekken om vurig en eensgezind te bidden. Ikzelf stel me zo voor dat in die besloten kring, na de stilte die op die manier met elkaar betracht werd, toch ook een gesprek op gang is gekomen. De impact van het hele leven van Jezus is niet in hun koude kleren gaan zitten en ze zullen elkaar zijn gaan bevragen hoe ieder van hen met die geschiedenis en die boodschap om ervan te getuigen “tot aan de uiteinden der aarde” om denkt te gaan. “Hoe gaan we wat aan wie vertellen”, die communicatievragen zullen ongetwijfeld aan de orde zijn gekomen. Wat de Heilige Geest precies voor hen betekent. En hoe ze dat samen voor elkaar kunnen krijgen in een zo groot mogelijke eensgezindheid. En hoeveel beren ze er op de weg tegen zullen komen. Een soort communicatiestrategie wordt ontworpen voor een nieuwe beweging die moet worden uitgerold.
Er is op deze plaats wel iets te zeggen over de momenten in de tijdsspanne tussen het ontdekken van het lege graf door de vrouwen rond Jezus, het zien van het ten hemel opstijgen van Jezus en het publiekelijk optreden van de apostelen bij het Joodse Sjavoetfeest. De christelijke kerk heeft deze momenten resp. Pasen, Hemelvaart en Pinksteren genoemd en neemt voor de tijd tussen opstanding en hemelvaart de 40 dagen aan die Lukas in Handelingen 1:3 noemt. Er zijn er tussen dat laatste moment en het Joodse Sjavoet 10 dagen te tellen. Tegenstrijdig daaraan is de melding in het evangelie van Lukas (dezelfde die de Handelingen zou geschreven hebben) waar wordt beschreven dat Jezus op dezelfde dag dat hij door vrouwen en apostelen en Emmaüsgangers gezien is en met hen hesproken heeft, de apostelen de opdracht geeft zijn boodschap te verkondigen aan de wereld en daarna ten hemel opstijgt. Bovendien wordt in het Lukasevangelie (hfdsk 24) de stille bijeenkomst in het bovenvertrek (zie hieronder) niet vermeld. Daar wordt integendeel een vreugdebetoon en een gezamenlijk bezoek aan de tempel als rectie op de hemelvaart vermeld:
Lukas 24: Hij nam hen mee de stad uit, tot bij Bethanië. Daar hief hij zijn handen op en zegende hen. Terwijl hij hen zegende, ging hij van hen heen en werd opgenomen in de hemel. Ze brachten hem hulde en keerden in grote vreugde terug naar Jeruzalem, waar ze voortdurend in de tempel waren en God loofden.
Bij Mattheus en Marcus tenslotte wordt geen informatiegegeven over de lengte van de periode waarin hij zich toont, de ten hemel opstijging wordt daar wel vermeld. Bij Johannes is wel de melding van de verschijningen, niet die van hemelvaart.
In één adem noemen
En dan – als een tweede “verandering” lees ik vanaf het begin van Handelingen de terugkerende -pastorale- woorden van de apostelen als God aan de orde komt. Ik merk op dat zij daar nadrukkelijk steeds de twee andere namen bij noemen: Jezus Christus en de Heilige Geest.
Handelingen 2: 32-33
Jezus is door God tot leven gewekt, daarvan getuigen wij allen. Hij is door God verheven, zit aan zijn rechterhand, en heeft van de Vader de Heilige Geest, die ons beloofd is, ontvangen. Die Geest heeft hij op ons doen neerdalen, en dat is wat u ziet en hoort.
Dat klinkt in onze tijd voor ons nauwelijks als een nieuwtje. Voor de apostelen is het, als je goed leest wat zij zeggen, van het grootste belang dat hun toehoorders ervan overtuigd raken dat die drie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. God, Jezus en Heilige Geest moeten, om zo te zeggen, “in één adem” genoemd worden (de latere dogmatiek heeft daar de uitdrukking” Drie-eenheid ” voor gebruikt). En dat was voor de Joodse geloofswereld even wennen. Saulus heeft dat aan den lijve ondervonden….
God “ter sprake“ brengen, voor alle volkeren
Het gaat hier om een derde, belangrijk, momentum. Ik ervaarde tijdens mijn speurtocht een steeds terugkerende boodschap in de teksten van de toespraken, pleidooien, verdedigingen van – met name – Petrus en Paulus. En wel deze dat zij de Joden ervan willen overtuigen dat de betekenis van Jezus en dan vooral zijn dood en opstanding gezien moest worden vanuit het perspectief van de Joodse geloofstraditie. Het Godsverbond met de “vaderen” en het volk van Israël had, zo stellen zij voortdurend, de consequentie in zich dat het die God was die de mens Jezus uit de dood (door “jullie”, toedoen, Joden, met hulp van de Romeinen, veroorzaakt) heeft doen opstaan. Zo van: er is eigenlijk niets meer en niets minder aan de hand dan de voortzetting van Gods trouw aan zijn volk, ondanks jullie – zachtjes uitgedrukt- discutabel optreden. Dat interpreteerde ik als wat mager; er kan toch veel meer gezegd worden over de betekenis van Jezus? Totdat ik las wat Edward
Schillebeecks in zijn meesterwerk “Jezus, het verhaal van de levende” (uitg. Nelissen, 1974) in dit verband schreef. In dl IV, sectie III, 2. 1A (Gods boodschap in Jezus) schrijft hij: “Daarom stelt Jezus ‘boodschap, ondertekend met zijn dood, ons zelfbestaan op de helling door God ter sprake te brengen…”. God ter sprake brengen, dat is dus waar het om gaat. en daar spreken de apostelen de Joden op aan en ook de Grieken en ook de heidenen. En God is ter sprake gebracht door de daad van het opstaan uit de dood van Jezus. Dat gaat dus veel verder dan “over God spreken”. En God heeft door die Jezus “het heil aan de mens bedacht”. (en daarmee citeer ik weer Schillebeecks).
Zo ervaar ik de kern van de dynamiek die de boodschap van de apostelen teweeg wil brengen. Op deze bijzondere wijze heeft God zich kenbaar gemaakt en het leven en dus de humaniteit ten principale prioriteit gegeven. Vertel dat maar door, zegt Jezus, en alsjeblieft aan iedereen. Niet alleen voor eigen volk, een andere kijk op de wetten van Mozes en geen heilige gebouwen.
En wat betekent: “Naast de synagoge”?
De apostelen en volgelingen moeten zelf met scha en schande gaan ontdekken hoe je moet omgaan met de opdracht van Jezus dat Gods boodschap niet alleen voor de Joden, maar “voor alle volkeren” geldt. En dat Gods bondgenootschap niet gehinderd moet worden door een te beperkende, benauwende wettische omgang met de boeken van Mozes.Dat lijkt eenvoudiger dan het is. De Griekse en heidense bevolkingsgroepen die van harte mee willen doen, zijn in de ogen van vele Joodse volgelingen, niet echt volwaardig: het gaat toch om een beweging die voortkomt uit de joodse traditie, en daar hoort toch bij dat je de joodse kenmerken en tradities met je meedraagt en hun regels volgt? Ze zullen, zo beweren deze volgelingen, dan op zijn minst besneden moeten worden. Er is echter een omdraai nodig om de Nieuwe Weg echt in praktijk te brengen. Het is niet een beweging voor alleen het eigen Joodse volk. Het is een gans nieuwe gedachte dat de term “alle volkeren” die Jezus gebruikte, integratie met zich mee moet brengen op grond van geloof, niet van traditie en regels. Het voelt bij mij aan als een essentiële drive om inclusiviteit een volwaardige plaats in het gedrag van volkeren te geven.
Bij de feitelijke invulling van de aanduiding “alle volkeren” door de apostelen moet wel een kanttekening geplaatst worden. De “wereld” werd voor de joodse gemeenschap in die tijd vooral gevormd door het Romeinse Rijk. En dat rijk strekte zich rond de Middellandse zee af. Er bevonden zich in die regio’s overigens al Joodse gemeenschappen die daar door de
Romeinse onderdrukking in diaspora leefden. De reizen van de apostelen en Paulus die in Handelingen beschreven worden, zijn dan ook in de regio’s van Syrië en Klein-Azië, Griekenland en Italië (Rome) te vinden, alsmede op eilanden in de Middellandse zee. De verdere verspreiding van het geloof van de Nieuwe Weg is veel later, na de erkenning van Constantijn de Grote van de Christelijke godsdienst, pas goed op gang gekomen, maar ook nog steeds binnen de wereld van het Romeinse Rijk. De missionering naar de werelden van Azië, Afrika, Amerika en Australië komt vooral als “slipstream ”van de handelsontdekkingsreizen en de westerse kolonisatie op de agenda van de verspreiding van de christelijke godsdienst. Zending en missie hebben in onze huidige – vooral westerse – wereld een eigen betekenis gekregen.
En in het patroon van het zoeken naar een nieuwe geloofspraktijk past ook de afstand die de apostelen geleidelijk gaan innemen ten opzichte van de tempel en de synagoge. Ze gaan wel naar binnen om er met de Joodse gelovigen en leiders te spreken, ze hebben absoluut binding en tonen respect. Maar als puntje bij paaltje komt en de twistgesprekken grotere vormen aannemen, vindt er verwijdering plaats. Het meest opmerkelijke is het `statement ‘van Paulus in 18:7: `Hij verruilde de synagoge voor het huis van Titus Justus….wiens huis naast de synagoge stond`. Dat is revolutionair, alsof hij wil zeggen: ik heb voor mijn werk de synagoge niet meer nodig, ik ga naar “de heidenen” die daarnaast wonen11. En later (19:7) komt dit weer aan de orde. Paulus werkt een aantal maanden in Efeze. Ook nu begint hij zijn (Joodse) gehoor aan te spreken in de synagoge, maar daar wordt weerstand geboden tegen zijn verkondigingen en hij vertrekt daar met zijn leerlingen “om dagelijks in de school van Tyrannus te spreken, waar zowel Joden als Grieken bij elkaar komen”.
Een helder commentaar bij dit punt kreeg ik van Maarten den Dulk :
“De NBV vertaling van Handelingen 18:7 is inderdaad wat baldadig. De situatie is als volgt: Als Paulus in Korinthe komt, wil hij voorzien in zijn eigen onderhoud en zoekt daarom contact met mensen die in dezelfde beroepsgroep zitten als hij en die waarschijnlijk in een eigen wijk woonden. Hij voelt zich als tentenmaker thuis bij de leerlooiers, want tenten (met name legertenten) maak je van leer. Leerlooierijen stinken een uur in de wind, maar dat moet je er voor over hebben. Zo krijgt hij contact met een Joods echtpaar, Aquila en Priscilla. Ze waren uit Rome gevlucht omdat keizer Claudius de Joden uit de stad had verbannen, nadat er door de opkomst van de christelijke beweging onrust was ontstaan onder de Joodse bevolking van Rome. Later, toen Nero aan het bewind kwam, zijn veel Joden weer teruggekeerd en zo zullen we de namen van Aquila en Priscilla weer terugvinden in Paulus’ brief aan de Romeinen (16:3). Paulus werkt dus aanvankelijk met hen samen voor zijn dagelijks brood en trekt bij hen in. Wanneer zijn medewerkers Silas en Timoteüs zich bij hem hebben gevoegd, krijgt hij blijkbaar financiële ondersteuning en kan hij meer tijd vrij maken voor zijn onderwijs in de synagoge. Daardoor raakt hij echter des te heviger in conflict met de Joodse leden van de synagoge. Dat loopt zo hoog op, dat hij besluit niet langer onderwijs te geven in de synagoge, maar zich te richten tot niet-Joden. En dan komt het. Ik lees: ‘Hij vertrok vandaar en kwam in het huis…van Justus, een godvrezende…’. Ik neem dus aan dat hij het huis van het Joodse echtpaar, Aquila en Priscilla, verlaat en een onderkomen vindt bij een zekere Justus, iemand die niet Jood was, maar wel met het Jodendom sympathiseerde. Om het wat vlot te zeggen zo te zeggen: hij verruilt zijn huis…Je kan ook echter ook denken dat Paulus vertrekt uit het bestaande leerhuis, dat in of bij de synagoge gevestigd was, en ergens anders een nieuw leerhuis sticht. Dan moet je anders vertalen. Hoe dan ook, het lijkt erop dat Paulus de synagoge de rug toekeert en voor zich zelf begint. Maar zo eenvoudig is het niet. We horen dat het huis van Justus grenst aan de synagoge. Hij kruipt dus eerder dichter naar de synagoge toe! Nog sterker, een nieuwtestamenticus heeft me uitgelegd dat je hier met wat goede wil kan lezen, dat het huis en de synagoge dezelfde voordeur deelden! En nog sterker: het hoofd van de synagoge sluit zich aan bij Paulus! Paulus keert zich dus niet af van de synagoge, maar blijft levendig contact houden.”
En bij de meer algemene vraagstelling over de verhouding van de Nieuwe Weg tot de Joodse geloofstraditie wil ik benadrukken dat het niet in een te gemakkelijk zwart-wit perspectief mag worden gezet.
Ook hier zet Maarten den Dulk mij op een goed spoor:
“Ik loop er meestal wat omheen, omdat het zo ingewikkeld is. Het kortste antwoord op de vraag naar de tegenstand van Joodse zijde tegen de boodschap van Paulus is dit: je moet het zien als een binnen-Joodse discussie. Het gaat dus niet om een twist tussen Jodendom en christendom, maar om een twist binnen de Joodse gemeenschap over de vraag naar het Messias-schap van Jezus en naar de positie van de niet-Joden die zich als volgeling van Jezus beschouwden en naar de interpretatie van de Thora. De ‘mensen van de weg’ waren in die dagen nog steeds een beweging binnen het Jodendom. De hevige twisten maakten de communicatie moeilijk en er tekende zich al zoiets als een schisma af. Maar ook het schisma was oorspronkelijk een splitsing binnen het Jodendom. Het boek Handelingen past nog binnen deze structuur. Dat is dus in de eeuwen daarna veranderd.”
Het is, in mijn ogen althans, belangrijk te lezen dat er door de apostelen en leerlingen vanaf het begin heel nadrukkelijk gesproken wordt over de opstanding van Jezus als “de boodschap van God”. Ik bedoel: er wordt niet gezegd “de boodschap van Jezus”. Hun getuigenissen te midden van de Joodse gemeenschap krijgt daardoor de betekenis van een verdieping van het Joodse geloof, natuurlijk wel revolutionair in de ogen van de gevestigde orde, maar, let wel, het is niet een compleet ander geloof.
Ik ben geheel met Maarten eens dat je niet kan concluderen uit de tekst dat er een verwijdering of schisma aan de orde is. Het gaat om een “Nieuwe weg”, niet om een “Andere weg”. Doorgaan op de metafoor “Weg”: je zou het een renovatie en reconstructie van de bestaande verbindings-/ verbondsweg kunnen noemen.
En, als ik het nog breder trek: het is niet zo verwonderlijk dat Paulus, zonder zich af te keren van zijn Joodse roots , wel bewust een eigen plaats zoekt om zijn werk in rust te kunnen voortzetten, en niet steeds in de hectiek van twist en verdediging te moeten zitten. En dat in navolging daarvan ook voor de andere gemeenten is gaan gelden dat er ruimte wordt gezocht voor een ver-Nieuw-de Weg, niet voor een Andere weg is. Ik trek de vergelijking met de Reformatie in 1517. Luther blijft van harte in de christelijke familie, maar zoekt ruimte om de nieuwe inzichten te laten groeien. Net als Paulus en de volgelingen , en dat is wel opmerkelijk, is er daarbij geen behoefte aan nadrukkelijke, ” als heilige gebouwen” gestichte tempels en kerken. Kerkplekken, huizen voor de ziel. zoals Henk de Roest ze noemt, die niet door instirutionele ordening maar door ons gebed en woordverkondiging van Jezus’ boodschap tempels worden, als ik Maarten’s woorden zo mag interpreteren. De kerkgeschiedenis (vanaf Constantijn, resp. Calvijn) is, jammer genoeg aan de haal gegaan met een en ander en daar is heel wat schisma uit voortgekomen.
Maarten reageert daarop met:
“Je vergelijking met Luther is zeer terecht en behulpzaam. Luther wilde geen schisma, maar werd de kerk uitgewerkt. En daarna werden de verhoudingen vanzelf totaal anders. Zo is het ook met Paulus gegaan. Hij wilde een ‘reformatie’ van het Jodendom, maar werd er uitgezet. En wat daarna gebeurd is tussen kerk en synagoge is verbijsterend.”
Je positie bepalen, consequenties voor je eigen lijf.
Mijn laatste, vijfde, leeservaring in de “veranderings”- lessen van Lukas. Wat hij ons in Handelingen laat meelezen is, naast de pastorale en missionaire drive van de apostelen, een les in “niet versagen, pas op voor hypocrisie en mooipraterij, houd de dogmatiek buiten de deur van je dagelijkse geloofspraktijk, blijf alert op goede verstandhoudingen en ga goed om met afwijkende meningen, laat de hele wereld mee doen. Maar ervaar ook dat het je niet altijd in dank afgenomen wordt, zo zelfs dat je het met de dood moet bekopen”. De consequenties van je optreden zijn irritatie en tegenstand die de nieuwe boodschap oproept binnen en buiten de Joodse gemeenschap en de moeite en pijn en opoffering
(martelaarschap, tot aan de dood aan toe) die het heeft gekost voor diezelfde apostelen en volgelingen om te blijven volhouden.
Blijf desondanks consequent in het doorvertellen van een oud verhaal van een God die de mens zoekt en trouw blijft en ziet dat die mens afhaakt en duidelijk maakt dat de essentie van zijn schepping het leven en het samenleven is. Dat hij, als het er echt op aankomt en als mensen niet alleen afhaken maar elkaar ook afmaken, toch het leven door het doodse en over de dood heen tilt. Dat dat zijn heilsboodschap Jezus is, die niet als nieuwe koning van het oude Israël was bedoeld, maar als een bevrijder voor alle volkeren.
Lukas beschrijft op verschillende plekken op sprekende wijze hoe Paulus en de zijnen hun eigen positie bepalen in twistgesprekken. Een daarvan is “En zij schudden het stof van hun voeten” (Handelingen 13: 51 en 18: 6 ). Het is eigenlijk een advies van Jezus zelf, vermeld in o.a. het evangelie van Lukas. Ik versta het niet als arrogantie, maar als stoïcijnse houding. Zoiets als: houd je rug recht en loop door.
Een andere houding die opvalt is “de eer aan jezelf houden”. Ik zie dat zowel dat bij het wonderbaarlijke gevangenisverhaal (boeien die losgaan en deuren die openvallen bij een natuurverschijnsel), waar Paulus niet wegloopt, als ook bij zijn vasthoudendheid ten opzichte van de Joodse en Romeinse leiding om zich “op de keizer “te beroepen, waardoor hij naar Rome wordt vervoerd.
Een derde manier van optreden die in dit kader relevant is, zie ik in de nadrukkelijke vermelding dat de apostgelen , met name Paulus, de werking van de Heilige Geest aanvoelen en benoemen. als een soort motor om stand te kunnen houden. Het lijkt erop of Lukas dit in de tekst ook gebruikt om “wonderen “(genezing, tot leven wekken, reddingen tijdens de reizen) een plaats te geven.
Lessen voor nu?
Heel voorzichtig ontleen ik aan het boek Handelingen een aantal aspecten die de karaktereigenschappen en het werk van de christelijke gemeente zouden kunnen vormen:
het allereerst in stilte terugtrekken, op adem komen
het in één adem noemen van Gods werktuigen op aarde
diaconaal en pastoraal optreden
de boodschap is: God wordt ter sprake gebracht door dood en opstanding van Jezus
de hele aarde en haar volheid erbij betrekken
wettische tradities een andere duiding geven,
het vormen en toerusten en bidden niet in “heilige” gebouwen, maar in “het huis naast de synagoge” de eigen positie bepalen en de rug recht houden
en tegelijk de consequenties aanvaarden van het optreden in de openbaarheid (de sterke tegenkrachten en het martelaarschap).
De voorzichtigheid die ik boven noemde vindt helaas een behoorlijk stuk cynisme tegenover zich. De ontwikkeling in de westerse wereld van de plaats die religie inneemt zet ons namelijk voor geheel andere uitdagingen. Er is in de 21e eeuw eigenlijk geen sprake meer van een dominerende oude, gevestigde, Joods- Christelijke geloofstraditie waarop met een nieuw elan een antwoord in de vorm van een soort reformatie voor een heldere religieuze toekomst moet worden gezocht. Gechargeerd gezegd: er is geen of nauwelijks religie meer, dus waar valt op te antwoorden? En de religies die in de rest van de wereld nog wel domineren, Islam, Boeddhisme, Hindoeïsme staan meer dan ooit in een politiek krachtenveld tegenover zichzelf en tegenover de westerse wereld.
Is Handelingen dus niet relevant meer? Dat is te snel geconcludeerd, te kort door de bocht.
Ik denk dat in ieder geval de eerstgenoemde les uit het lijstje boven relevant is: “in stilte terugtrekken, op adem komen”. We moeten tijd nemen om het stof van de hectiek van de huidige wereld af te schudden, goed proberen te “zien ”en te “horen” zoals ons in Openbaringen zo haarscherp wordt voorgehouden, en te bidden om wijsheid. En de tweede les zou zijn om de boodschap “God ter sprake brengen” (4e punt in de lijst boven) een nieuwe strategische betekenis te geven. Ik denk bij dit laatste aan de prioriteit van leven boven de dood. Dat is te vertalen in een enkel adagium: Humaniteit. Maarten den Dulk wist dat aan het eind van zijn boekje “Voor een nieuw begin” zo bijzonder duidelijk te maken (pag. 88/89): “In dit verhaal (Genesis) komt een duidelijk mensbeeld naar voren. Mensen verwekken mensen en zij vormen een duurzame samenleving en zij maken geschiedenis. De toekomst is aan de humaniteit! “ . En een derde les zie ik in de opdracht om “de hele aarde en haar volheid erbij te betrekken”: daar zit een cruciaal momentum in verscholen. Humaniteit, medemenselijkheid (de boodschap) zal moeten dienen om voor iedereen corebusiness van ieders levenshouding te zijn. En dat geldt dan ook wereldwijd voor alle religies, (inter-)nationale instellingen, politieke krachten. Daar zijn ze op aan te spreken, dat is de kern van de communicatie. Los van wat voor dogmatiek dan ook, ook die van de joodschristelijke traditie. Laten zien wat bevrijding betekent, niet welke wetten we moeten najagen.
Gedachtewisseling met Maarten naar aanleiding van de parafrase
Kees screef ,dinsdag 22 mei 2018 14:32
Beste Maarten,
Voordat ik je laat zien waar ik mee bezig ben: ik vergat helemaal te vragen hoe de dienst van Fokkelien was. Ik las ook dat er een Bach-cantate werd uitgevoerd met een door haar geschreven tekst. Spannend! Maar ik neem aan dat er veel gebeurde met veel volk.
Ik ging in Handelingen neuzen hoe de apostelen en alle andere volgers van Jezus zich gingen gedragen na de Hemelvaart, na wat er allemaal gebeurt en gezegd was rond en door Jezus. En toen stootte ik al gauw op de “tongen van vuur”. Ieder in zijn eigen taal verstaanbaar. Communicatie pur sang dus. En doorzoekend op het fenomeen “taal “kwam ik uit bij Korintiërs 12/13/14, waar – in de NBV het begrip “klanktaal” wordt gebruikt. Het is me niet duidelijk wat daar nu precies mee bedoeld wordt. Ergens tussen zang en “kreten van vreugde”? Heeft het wel of niet iets te maken met die Pinkster-“talen”? En ik vergeleek de termen die in NBV gebruikt worden met die in de Statenvertaling 1637. Zie de bijlage waarin ik een overzichtje maakte. Deze NT-begrippen voor Taal zijn er een,wat heeft OT daaromtrent in petto? Is de term Roeach (die jij me ooit noemde) daar een soort analoge term, of is dat heel wat anders. Op Internet vond ik:
Roeach Hakodesj (Hebreeuws: רוח הקודש, Heilige Geest) is een Hebreeuwse aanduiding voor God of voor Goddelijke inspiratie. Een synoniem hiervan is Roeach Elohim, `de adem van God`, waarvan ook de naam Rachel direct is afgeleid. Het Hebreeuwse woord `roeach` betekent wind, geest of adem. `Hakodesj` betekent (van) het heiligdom.
Als je iets kan ophelderen…?
Mijn eerste gedachten over de Jezus- beweging na de Hemelvaart zijn nog in een beginnend stadium. Er zijn natuurlijk boekenkasten volgeschreven over de christologie, daar ga ik me niet in laten verdwalen. Ergens zoemt bij me op de achtergrond een soort woordspel, dat als leidraad voor zo’n speurtocht zou kunnen dienen: Het zijn woorden. die ik Jezus in de mond leg, zo verzonnen als wat, en wel: “Ik ben van de praktijkschool, niet van de toneelschool”.
Daar ga ik de Bijbelverhalen wat op nalezen en ijken. Is dat wat?
Hartelijke groet.
Kees
Maarten reageerde:
Dank voor je mail, Kees. Ik zal erover piekeren. Maar dat duurt even. Morgen een promotie waar ik zal opponeren over iets heel anders. We hoorden dat na ons telefoongesprek er een wolkbreuk boven Limburg is geweest. Alles nog droog bij jullie? Genezing voor Dien en volharding voor jou – en tot gauw ziens, Maarten
Beste Kees, vanmorgen probeerde ik je vraag voor mezelf helder te krijgen en bedacht het volgende:
Het gaat om het moment waarop de leerlingen van Jezus zelf leraar moeten worden of anders gezegd, het moment waarop zijn discipelen apostelen moeten worden. Ze realiseren zich dat hun leraar dood is en dat ze met hun eigen woorden moeten doorgeven wat ze van hem hebben geleerd. Dat kunnen ze alleen wanneer ze doordrongen zijn van de geestkracht waarmee hijzelf gesproken en gehandeld heeft, geleefd heeft en gestorven is. Dat is het moment waarop de woorden die Jezus zelf gesproken heeft, veranderen in de woorden die zijn leerlingen op hun eigen wijze doorgeven. Een hachelijke overgang. Vallen ze stil of kunnen ze taal vinden om die overgang mee te maken?
Is dit het punt waarop je zoektocht is gericht? Een uiterst belangrijk punt. Daar kan je nauwelijks een goede beschrijving van geven. De bijbelse verhalen kiezen voor engelen, voor de werking van de Geest of voor een dramatische omkeer. En daarmee zeggen ze dat het om een buitengewoon gebeuren gaat, dat niet in gewone didactische categorieën kan worden weergegeven.
Nu heb je de aandacht ditmaal vooral gericht op het Pinkstergebeuren. Ook zo’n buitengewoon gebeuren en misschien wel het gebeuren dat bij uitstek duidelijk maakt waarom het gaat. Daar blijkt dat de leerlingen met hun taal een proces op gang brengen waarop op heel gedifferentieerde wijze over die éne figuur van Jezus zal worden gesproken. In ieder land, in iedere taal, in iedere cultuur zal zijn woord anders overgeleverd worden. Er komt een beweging op gang van voortdurende verandering en vernieuwing. Voor ieder zal de Messiaanse ervaring weer anders zijn. Er is niet één taal voor altijd beschikbaar. In tegendeel, er zullen verschillende talen nodig zijn, steeds weer andere en nieuwe. En dat is dus precies de bedoeling!
Nu ja. Eerst maar even zien of ik op het goede spoor zit. Is dit de vraag waarmee je verder wil? Gisteren promoveerde in Amsterdam een 78-jarige emeritus predikant op de apocalyptische taal in de prediking (daar was ik bij) en vandaag zal in Groningen een jonge onderzoeker promoveren op de profetische taal in de prediking (daar zal ik niet bij zijn). Maar morgen ga ik naar Friesland waar een nog niet zo lang geleden geëmeriteerde predikant woedend zoekt naar taal die niet religieus en zalvend is, maar zo maatschappelijk-kritisch mogelijk. Die mensen zitten vol Taal en Geest! En daar zit dus een enorme verbale energie in! Ze spreken in tongen.
Tot ziens, Maarten
Kees reageerde
Beste Maarten,
Jouw pelgrimage door de taal, via Leiden, Groningen tot aan Friesland toe , onderstreept door artikel, preek en je heldere blik op mijn zoektocht, heeft me op ongekende sporen gebracht. Hartelijk dank. Door je teksten heen hoor ik de “oerknal” waarover je spreekt in een van de teksten, waardoor de Jezusbeweging en later kerk, in beweging kwam. Hoe Lucas de geschiedenis omdraait – van Jeruzalem de wereld in, en waarom er in “menigerley talen”(die term die ik vond in de Statenvertaling) over “die ene figuur van Jezus zal worden gesproken (jouw verwoording). Wat betreft het gebruik van het woord taal blijft bij mij nog wel de NBVvertaling van die “menigerleij talen” onduidelijk: “klanktaal” als gave van de volgelingen van jezus, door Paulus (in 1Kor. 12-14) opgevoerd. Wat wordt daar nou mee bedoeld?
Een en ander over de taal was een soort uitstapje, al op het begin van mijn zoektocht. Die startte als een vraag: wat er toch aan de hand is geweest waarom de “taal” van Jezus’ leven na die hoopvolle creatie van de, door de Geest aangevuurde, beweging later toch in veel delen van onze kerken zo vastgezet is in tot heiligheid verklaarde gebouwen, toneelstukken op altaren en buiten op straat in de vorm van processies en heiligdomsvaarten, dogmatische ver”steningen”, formulieren en belijdenissen. Daar is met de boeken van de kerkgeschiedenissen in de hand, een heleboel over uitgelegd. Daar kan ik alleen maar induiken om goed geïnformeerd te worden. Wat bij mij overblijft is een nieuwsgierigheid hoe je in de bijbelse verhalen Jezus zelf of zijn schrijvers/volgelingen hoort zeggen dat het ten principale gaat om de beweging en never nooit om een podium van kunsten. Daarom die woordspeling: “Ik ben van de praktijkschool, niet van de toneelschool”. Ik leg Jezus (als fantasie) in de mond dat hij als praktijkleraar ons het vak leert om, zoals jij zelf ook zegt, leraar en doeners te worden. En hij wil ons niet opleiden tot toneelspelers met alle toeters en bellen. Ik wil dus zelf in de bijbelverhalen duiken om te zien waar wij in de geschiedenis iets over het hoofd hebben gezien en er een eigen toneelstuk van hebben gemaakt. En toen ik begon te lezen- in Handelingen en Korintiers – kwam ik de “taal” tegen. Door jouw teksten blijkt me nu dat dat in feite de sleutel is om de deuren open te krijgen. Dank je wel.
Kan je hier wat mee? Heb je nog wat lesstof?
Als je dit leest, ben je uit het inmiddels wereldberoemde Friesland terug. Wij gaan begin juni met twee andere Probus-echtparen een paar dagen naar de culturele hoofdstad Leeuwarden.
Kees
Maarten reageerde:
Ik krijg de vraag nu wat helderder, Kees.
Het is niet wat ik dacht: de vraag naar de overgang van de woorden van Jezus naar die van zijn leerlingen. Maar het gaat je om de vraag hoe de christelijke overlevering (na Jezus) in de loop van de tijd is veranderd, van een oorspronkelijk, geestrijk gebeuren naar een ambitieuze, theatrale vertoning. Een lastige vraag, omdat er over de eerste eeuwen van de christelijke beweging frustrerend weinig bekend is. De ingrediënten voor de metamorfose zijn op zich wel bekend.
De christelijke gemeente begon als een beweging vanuit het Joodse volk. Dus ze was oorspronkelijk bezig met de praktisch-ethische-sociale vragen van de Thora en die dan in het licht gesteld van de komst van de Messias en Gods rijk en dus met een uitstraling naar de hele wereld toe. Maar naarmate er meer niet-Joden meededen, werden de vragen van de GrieksRomeinse filosofie steeds belangrijker en begonnen vanzelf het discours te beheersen. Zo ontwikkelde zich die typische christelijke dogmatische discussie. De geestelijk leiders van de christelijke gemeentes werden steeds meer gerekruteerd uit de Romeinse culturele elite en dat waren mensen die opgevoed waren op de scholen voor filosofie en retoriek. Zij gaven aan het spreken van de kerk een zeker aanzien en gewichtigheid. En dat deed het wel goed in het publieke domein. Voorgangers werden retoren.
De christelijke gemeente riep in de loop van de eerste eeuwen in het Romeinse Rijk behalve argwaan ook belangstelling op, omdat ze verantwoording wilden dragen voor een rechtvaardige samenleving, waarbij structurele aandacht voor de armen werd geboden. Toen de keizers in de gaten kregen dat de leiders van de gemeentes sociaal-verbindende kwaliteiten hadden in de samenleving, maakte de argwaan plaats voor belangstelling. Ze konden dergelijke leiders wel gebruiken. Die waren niet uit op politieke macht, maar ze waren heel goed in het organiseren van de mesostructuren van de pluriforme, Hellenistische maatschappij. Toen de kerk getolereerd werd en later zelfs een gepriviligeerde plaats kreeg in het Rijk, veranderde het gezicht van de kerk aanzienlijk. De keizer schonk geld, gebouwen en grond. De leiders kregen voorrechten als die van hoge diplomaten (zoals gebruik van de keizerlijke postpaarden), de kerkgebouwen kregen geweldige wereldlijke allure (de basiliek was oorspronkelijk het belangrijkste rechtsgebouw op het forum en dat werd later het type van het kerkgebouw), de liturgie en de taal van de prediking moest aangepast worden aan grote menigten. De kunst werd een belangrijke factor in de christelijke overlevering. Kortom, het werd chique om bij de kerk te horen en op den duur werd je zelfs niet helemaal meer vertrouwd als je er niet bij wilde horen.
Tegen de tijd dat de christelijke, post-apostolische literaire bronnen gaan spreken, draagt de taal van de kerk de sporen van de Griekse filosofie en van de Romeinse politiek. En dat heeft haar taal voorgoed gevormd.
Er kwamen wel steeds tegenbewegingen vanuit de christelijke gemeentes zelf. Denk aan de woestijnvaders, de heremieten, die zich bekommerd terugtrokken uit de wereld. Steeds doken er in de loop van de geschiedenis reformatoren op die de kerk herinnerden aan haar oorspronkelijke missie. Maar de kerk gaf haar maatschappelijke sleutelpositie niet op. Integendeel, toen het Romeinse Rijk instortte, bleek dat de bisschoppen voor een tijd hier en daar het machtsvacuüm aardig wisten in te vullen. Ze bleven lange tijd nodig om de maatschappelijke structuur te handhaven. En ja, dat bleek dan ook duidelijk uit de taal van diezelfde bisschoppen.
Het is moeilijk om aan te geven, waar de taal van theologie, literatuur en liturgie een normale ontwikkeling doormaakte (normaal in de zin van acculturatie in steeds nieuwe gebieden en tijden) en waar die taal de neerslag werd van politieke en religieuze pretenties. In de kunst kreeg je het vermakelijke proces te zien, dat Jezus steeds meer op de keizer begon te lijken…en de keizer steeds meer de trekken van Christus kreeg. Houd die twee dan nog maar eens uit elkaar.
De vraag is of we nog de weg terug kunnen vinden naar de oorspronkelijke taal van de christelijke beweging. Kunnen we de brieven van Paulus en de evangeliën (inclusief Handelingen) zo lezen, dat we die oorspronkelijke taal horen? De Reformatie en de Renaissance meenden van wel: terug naar de bronnen! Later gaf men dat ideaal op en vluchtte naar voren in de hoop op een nieuwe wereld. Hoe kom je bij de bronnen van goede taal? Ik denk dat het herlezen van de profetische en apostolische teksten in ieder geval de weg naar die bronnen kan wijzen. Maar de verwerking van die teksten blijft dan toch steeds een eigen en eigentijdse doorwerking. Ik heb het op mijn manier gedaan in Een huis naast de synagoge. Vond het leuk om op mijn manier de eerste brief aan Timotheüs te herschrijven.
Wat de tongentaal betreft. Toen ik bezig was met de Korinthebrief bleek me dat er onder de exegeten geen onomstreden historische verklaring voor was. Het kan zijn dat die er intussen is gekomen. Voor mij blijft het voorlopig gissen. Je kan denken aan een massapsychose of aan Lieder ohne Worte, of aan redevoeringen die zo briljant zijn dat niemand er iets van snapt en dus uitgelegd moeten worden. Ik ken zelf nog de dochter van een gereformeerd theoloog die een tijdlang de ‘tongentaal’ beoefende: dan kreeg hij – tot verlegenheid van zijn kennissen – een eruptie van onbegrijpelijke klanken of sprak ineens in een taal die hij tevoren niet kende. Het zou me niet verbazen als in Pinkstergemeentes de nabijheid van zulke verschijnselen wordt opgezocht. Het lijkt me echter niet waarschijnlijk dat de tongentaal waar Paulus naar verwijst een algemeen, bekend verschijnsel was in de jonge kerk. Het komt nu eerder over als een specialiteit in Korinthe.
O ja, nog even iets over het theatrale element. De tegenstelling van praktijk en toneel is niet zo groot als je denkt. In Paulus brief aan de Efeziërs 5:1 wordt de gemeente opgeroepen om navolgers van God te worden. Het woord dat Paulus daar gebruikt, kan echter ook vertaald worden als: ‘toneelspelers van God’ (mimètai van God) . Dat heeft Tom Naastepad er ooit toe aangezet om zijn uitleg van de brief aan de Efeziërs te stellen onder titel: ‘Schouwspelers van God’. Maar ik denk dat hij daarbij meer dacht aan straattheater.
Nou ik ben benieuwd hoe je verder gaat, Kees. Ik zal morgen mijn ogen openhouden in Friesland, Maarten
Net terug uit een sprookjesachtig Friesland, Kees. Bij de Wijde Ee lagen skûtsjes klaar voor een wedstrijd.
Bedenk bij de ‘situatie’ waarnaar je op zoek bent, dat de leerlingen van Jezus zich gedroegen als vrome Joden. Hun bijeenkomsten stel ik me voor als een soort leerhuizen rondom Thora en Profeten (gesprek, zingen en eten, want op een lege maag kan je niet leren). Ze hadden niet de bedoeling om voor zichzelf te beginnen met een nieuwe godsdienst. Maar ze probeerden zich te realiseren op welke wijze Jezus verschenen was als Joodse Messias en wat dat voor gevolgen had voor het verstaan en het praktizeren van de Thora. Die leergesprekken waren hevig omstreden in hun directe omgeving, zeker toen het duidelijk werd dat niet-Joden ook welkom waren bij deze bijeenkomsten. Het moet er – ook onderling – heftig zijn toegegaan.
Ik hoor wel hoe je verder gaat, Maarten
Kees reageerde:
Die “boekenkast”, Maarten, waarover ik sprak mbt de kerkgeschiedenis, weet jij in een handomdraai samen te vatten in een enkel A 4’tje. Bijzonder en dat helpt me zeer! Steeds weer de slingerbeweging van “waar het om begonnen is “naar een gemeenschap die iets voor het zeggen wil hebben in de wereld om haar heen. Dat houd ik goed vast. En ben ook meteen in jouw ” Huis naast de synagoge” gaan lezen.
Waar ik zelf nog eerst naar terug wil, is de situatie dat de mensen rond Jezus zich gaan beseffen wat voor een indrukwekkende tijd ze hebben meegemaakt en daar wat mee gaan doen: eerst bidden op een zolderverdieping, het volk dat op de been is in “menigerley”talen (in voor hen begrijpelijke taal van de geest spreken zeg maar) en daarna… kerkvorming en de hele kerkgeschiedenis daarna. Ik vroeg me af: is er in het OT ook niet sprake van een (repeterende) reactie van Abraham, Mozes en velen daarna die op hun reis iets indrukwekkends meemaken, en dan een altaar of een steen, tabernakel, ontmoetingstent oprichten om een plek te hebben om je te laten herinneren wat er door God met jouw en je volk gebeurde. En dan weer verder trekken. Maar een gouden kalf en een toren van Babel werden ook opgericht en dat liep niet goed af. Ik ben maar gewoon gaan optekenen vanaf Genesis, ik zie wel of daar een patroon te ontdekken valt. Dat zou me misschien iets op het spoor zetten van wat de oorsprong (een soort oerknal inderdaad) van ons omgaan met het verhaal (in alle denkbare taalvormen) kan geweest zijn. Een heel andere speurtocht dan je wellicht veronderstelde. Maar “terug naar de bronnen” blijft een surprise-tour van de eerste orde!
Kees
Van: Maarten den Dulk
Genoeg te beleven bij jullie, Kees. Nu vooral genezing toegewenst voor Dien!!!
Net toen je mailde over je leeservaring over de tempel kwam hier de aankondiging van een studiedag over de tempel, georganiseerd door het Overleg van Joden en Christenen (OJEC). Ik stuur de flyer maar door.
Als je ooit zin hebt in uitvoerig theologisch onderzoek naar de beginfase van de christelijke beweging: dan zijn W.A. Meeks, The First Urban Christians (1983) en Klaus Berger, Die Urchristen (2008) nog steeds voorzichtige gidsen. Heel leesbaar is het boek van B.J. Lietaert Peerbolte, Paulus en de rest. Van Farizeeër tot profeet van Jezus (2010). Maar ja, de eigen leeservaring van Handelingen kan je niet overslaan. Je kan altijd maar beter je eigen intuïtie volgen. Beterschap en tot gauw ziens, Maarten
Maarten vervolgde later
Heb nog geen helderheid in de tongentaal in Korinthe. Vond in een commentaar van Karl Barth uit 1926 de gedachte dat het om uitingen gaat die heel indrukwekkend zijn, maar irrationeel. Zoals indrukwekkende toespraken, die toch net niet te begrijpen zijn. Daar stelt Paulus dan tegenover dat het in de gemeente wel moet blijven gaan om iets wat je kan begrijpen: Das Irrationale bekommt seine Stelle, aber seine untergeordnete Stelle, es soll nicht mehr sein als Weg, Durchgangspunkt. Vandaar: liever vijf woorden met verstand, dan duizend in tongen (1 Kor. 14:19).
Goede dagen en vooral gezondheid (dat zijn precies vijf woorden),
Nog wat losse gedachten:
- Het lijkt of in het OT het gaat om de zoektocht van God naar de mens, in het NT die van de mens naar god. En dat laatste begint met de verstilling “in het bovenvertrek”, het herstel van de gelederen van de apostelen (keuze op-volging Judas) en daarna de uitbarsting in “menigerley talen”. En dan rolt de beweging zich uit over de volkeren. I
- Hoe gebeurde dat bij de Baghwan?
- Lees Berkhof (Christelijk geloof), par. 13: De symbolische taal van de openbaring (blz. 68-75).
Maarten
Kees reageerde
Beste Maarten,
Alles wel? Het leven pakt ons weer op in een nazomers ritme, vind je ook niet? En in onze contreien valt dat mee, vergeleken met de orkanen die in Azie en Amerika razen. Wij bereiden ons wat voor op de Madrid-reis volgende week Er is nog geen uitnodiging voor een opname, dat zal wel na onze trip in de bus liggen.
Maarten, ik volg in rustig tempo de tekst van Handelingen. Je wordt meegezogen in die warrige wereld van opstanden tegen, van binnen en van buiten. Beheersen van conflicten en daarnaast optreden (wonderen en tekens, maar vooral ook ferme toespraken) van apostelen en leerlingen. En de volharding wordt beloond door een zwaan-kleef-aan proces: “het aantal der leerlingen vermeerderde …”. Ik probeer voor mezelf lijnen te gaan ontdekken.
Een vraagje over die tijdlijn is bij me opgekomen. Dat komt misschien wel omdat Handelingen een geschiedenisboek lijkt (maar het ook weer niet is). Is het juist dat ik mag afleiden dat de periode waarover de auteur (Lucas wellicht) verslag doet ligt tussen het eindgesprek van Jezus voor zijn hemelvaart tot vlak voor de dood van Paulus? Dat zou dan, gerekend in de chr. Jaartelling zijn van 33 tot ca 64. Dus een periode van ca 30 jaar. En het zou geschreven zijn ergens in in de periode 80-100. Dan liggen de boekrollen met de brieven van Paulus al een tijdje “: in de boekwinkel “‘, een groot aantal worden geschat in de periode 50-55, en de overigen in de periode 80-100 en nog daarna. De evangelieschrijvers leggen hun produkten op tafel in ca 70 (Marcus), 90 (Marcus), Lucas (80-100) en Johannes (eind eerst eeuw).
Interessant om die tijdlijn zo te zien. Wie had al weet van wiens geschriften; niet alleen de auteurs, maar ook de joden en christenen en grieken, etc.
Mijn vraag is in de eerste plaats of jij je kan herkennen in die jaartallen. Ik ontleende ze vooral aan de NBV- intro’s en Lietaert Peerbolte. De tweede vraag is hoe je de Handelingen in dit verband moet lezen. De auteur beschrijft een lange periode zo’n 50/60 jaar na dato. De boodschap die hij neerzet (en daar ben ik verrast over dat het toch anders is dan ik dacht) moet hij losgeweekt hebben uit allerlei bestaande geschriften/ overleveringen/gesprekken. Is daarover iets bekend? Overigens geldt dat ook voor de evangeliën. Het maakt het lezen wel veel ontspannener, merk ik, als je die relativeringen voor ogen houdt.
Maarten, het blijft boeien en dat in een week waarin: Femke Halsema een moskee wil sluiten, Kardinaal Eijck de sluiting van grote aantallen kerken voor zich ziet, en in Amstelveen een Cuyperskerk afbrandt. Handelingen gaat niet over stenen, maar wel over plekken. Laten we die maar overal en in wat voor vorm ook, opzoeken en openhouden.
Kees
Maarten reageerde:
Ja zeker, Kees, die dateringen heb ik ook zo ongeveer in mijn hoofd. Het blijven gissingen en het de dateringsmode wisselt nog wel eens, maar je kan hier heel goed mee werken.
Wat de verhaallijn van Handelingen betreft. Voor mij is het meest adembenemende moment datgene wat Lucas niet vertelt. Ik bedoel het verhaal over de Grote Oorlog van Rome tegen Jeruzalem van 66 – 71. In het jaar 70 werd de Grote Oorlog van Rome tegen Jeruzalem beslist met de verwoesting van Jeruzalem en van de tempel. Het Joodse volk verloor haar recht op een eigen staat en land, de tempeldienst en het priesterschap werden niet meer opgenomen. Er brak een totaal nieuwe tijd aan voor het Jodendom. Het Thoraonderwijs ontwikkelde zich in de richting van de Misjna en de Talmud. In Rome werd de overwinning op grootse wijze gevierd en met de opbrengst van de buit werd het Colosseum gebouwd. Kortom deze Grote Oorlog is het drama in die dagen, voor Joden en niet-Joden. Hoe verbazingwekkend is het dus dat Lucas zijn verhaal beëindigt kort voor deze oorlog. Hij schrijft bijna luchtig over de vrijheid die de gevangene Paulus had om in Rome te spreken en breekt dan af! Iedere lezer in die tijd voelt dat de schaduw van de oorlog over dit verhaal hangt, maar Lucas vertikt het om met een historisch verslag te komen. Dat geeft aan zijn verhaal een extra klank. Dat wat niet verteld wordt, klinkt toch mee.
Handelingen is een heerlijk boek. Ik herinner me dat ik er in de jaren tachtig een paar preekschetsen over schreef voor de Postille. Oude herinneringen komen weer boven…zo lang geleden…
Goede dagen in Madrid en dan op naar de operatie. Geen rustige dagen! Maarten Dank je Kees.
Ik ga er in de komende dagen goed naar kijken. Maar nu eerst naar Utrecht waar een bespreking wordt gehouden over het boek van Joop Smit over Paulus. Ik merk bij snel doorlezen, hoe je blik op Handelingen steeds meer gedifferentieerd wordt. Dat is een heel proces van verheldering, mooi om dat te zien en over je schouder mee te lezen.
Over die schouder gesproken: de operatie is dus nu definitief vastgesteld, over twee weken. Dat zou dan de positieve afsluiting kunnen zijn van een hoogst beroerd jaar. En nu al is de pijn bezworen.
Hartelijke groeten voor jullie beiden en voor allen die in de Sint geloven (wij zijn het een beetje kwijt).
Maarten
Kees reageerde
Beste Maarten,
Jullie allemaal min goede doen en actief? We zitten in de tijd waar Sinterklaas nog heilig is en kerst hier in Valkenburg al geheel in de Grotten en markten is ingedaald. We proberen te scheiden en zijn voor de laatste in onze familie ( Wiekert Koen) as Zaterdagavond nog een huis voor de Sint. Hij behoort tot de categorie “Gelooft in een Sint die niet bestaat.
Verder alles op de rails, 14 december is de defintieve datum die me de goede schouderprothese zal brengen, en voor kerst ben ik dan weer hopelijk boven Jan. Ik merk nu al dat de pijn van de infectie geheel verdwenen is, dus ik voel me als nooit tevoren goed.
Maarten, in de tussentijden heb ik me nog wat verder in de tekst van Handelingen ingelezen. Het is en blijft een boeiende en verrassende geschiedenis. Ik stuur je een tekst op die nog wat samenvattend van aard is en eigenlijk voor de eerdere teksten hoort. Ik kom nu op een punt waar ik wat literatuur wil gaan raadplegen na wat Lietaert Peerbolte me al aanreikte. (ik denk aan Heschel- God zoekt de mens – ivm met de, wat ik noem, wettische traditie, Schillebeeckx ivm de zoektocht naar de feitelijke boodschap van Jezus, en jouw “Huis naast de Synagoge” over benieuwd of mijn tekst hier jou aanspreekt.
Hartelijke groet,
Kees
Maarten reageerde op de defintieve verisie van de parafrase:
Beste Kees,
Was vanmiddag wat eerder terug uit Utrecht, zonder een exemplaar van het boekje over Paulus – had me in de vergaderplaats vergist. Vergissen begint nu structureel te worden – dat gaat als een alarm door mijn snotverkouden hoofd.
Ik las met instemming je notities. Het riep weer allerlei gedachten op, waarvan ik er een enkele probeer te noteren.
Je inleidende vraag is cruciaal: waarom moest Lucas zo nodig een tweede boek schrijven na zijn eerste boek dat over Jezus ging? En het antwoord dat je geeft lijkt me juist. Het verhaal over Jezus houdt niet op als hij in de verborgenheid bij God is opgenomen, maar gaat door in dat wat zijn volgelingen op aarde doen. De urgentie van het gebeuren wordt door de apostelen benoemd als de komst van Gods rijk. Dat gaat over een machtswisseling op aarde en de nieuwe regering zet zich dóór in en met de woorden en daden van Jezus’ volgelingen.
Mooi wat je zegt over die ‘trinitarische structuur’ die in de verhalen van Handelingen is te vinden. Jij wijst op cp 2, waar je al bijna de formule van de latere geloofsbelijdenissen in kan horen. Ik stootte ooit op een dergelijke trias in het begin van cp 16, het verhaal over de droom van Paulus, waar schijnbaar argeloos achtereenvolgens over de heilige Geest, de Geest van Jezus en God wordt gesproken. Zo is er vast wel meer te vinden.
Het motief dat de missio Dei bestemd is ‘voor alle volken’ wijs je terecht aan als rode draad in het geheel. Ingewikkelder is het gesteld met de vraag in hoeverre niet-Joden zich moeten houden aan de Wet. In zijn brieven zegt Paulus daar revolutionaire dingen over. Maar de interpretatie is niet altijd makkelijk. Ik ga er van uit dat het de bedoeling is dat de niet-Joodse volgelingen de boodschap van Wet en Profeten horen en doen (dat was en is ‘de’ Schrift). Maar het criterium voor de vervulling van de Wet is anders dan dat van de officiële Joodse traditie. Het criterium is Gods rijk.
De verwoesting van de tempel in Jeruzalem in het jaar 70 was in de eerste plaats een catastrofe voor het Joodse volk en dus ook voor de Joden die Jezus volgden. Ze verloren daarmee: het religieuze centrum en het recht op een eigen staat. De Joodse traditie heeft dit onherstelbare verlies verwerkt door zich te organiseren in locale gemeenschappen die zich overal in het Romeinse rijk bevonden. De christelijke gemeentes zijn uit zulke gemeente voortgekomen en zullen oorspronkelijk dezelfde structuur hebben gehad. Hoe zich het schisma tussen kerk en synagoge heeft afgespeeld weten we niet, maar de eerste tekenen van zo’n schisma vind je in de verhalen van Handelingen. Hoe dat ook zij: ook in de eerste christengemeentes moet de ondergang van de tempel als een groot en existentieel drama zijn beleefd. Het lijkt alsof de kruisiging van Jezus erin uitvergroot wordt.
Dat de verwoesting van de tempel niet vermeld wordt in Handelingen is een waanzinnig interessant gegeven, vind ik. Je moet wel bedenken, dat in het evangelie naar Lucas in hoofdstuk 21 gezinspeeld wordt op deze verwoesting. Daar is het Jezus dat in een visioen de Grote Oorlog tussen Jeruzalem en Rome aankondigt. Dat gebeurt trouwens ook in de evangeliën van Marcus en Lucas. Dat wil dus zeggen dat de catastrofe door de evangelisten wel genoemd wordt, maar niet in de vorm van een historisch gegeven uit het verleden, maar als waarschuwing voor de toekomst: ‘Zulke rampen kunnen elk ogenblik weer gebeuren! Maak je geen illusies. Je kan Gods rijk niet ontvangen buiten deze rampen om’.
Je vraag waarom Handelingen de boodschap van de liefde niet zo indringend aan de orde stelt (als bijvoorbeeld in de Bergrede van Matteüs) is verrassend en vruchtbaar. Als je daarop het antwoord vindt, heb je meteen ook het antwoord op de vraag: wat Handelingen dan wel als centrale boodschap aan de orde stelt. Als je het mij vraagt, zou ik het antwoord zoeken in deze richting: het gaat in Handelingen om de confrontatie van de boodschap van Gods rijk met het Romeinse rijk (cultuur, religie en politiek). De opdracht die de volgelingen van Jezus krijgen is het opbouwen van een nieuwe vorm van samenleven, van Joden en Niet-Joden. Dat maatschappelijk opbouwwerk is hun politieke opdracht. Het gaat dus meer over de vraag van recht en gerechtigheid. Als je de rede van Paulus op de Areopagus (cp 17) beschouwt als een soort tegenhanger van de Bergrede, dan hoor je het verschil: Paulus maakt melding van het oordeel dat over de oude wereld gaat en roept het beeld op van een nieuwe mensheid, die over de hele wereld verspreid is.
Meer kan ik even niet bedenken.
Veel dank voor je tekst. Het roept bij mij weer zoveel herinneringen op – en vooral instemming. En bovenal een succesvolle operatie toegewenst!
Goede dagen voor jullie, Maarten
Kees reageerde:
Beste Maarten, 
Jouw “Begin” is neergezet (en ijlt na), ik kon daarna een eindsprint inzetten naar Handelingen. Eigenlijk ook een “Nieuw Begin”. Het zijn twee documenten geworden. De eerste (Parafrase) is het meest relevant. Het tweede (Leesvolgorde), eindeloos lang; het is de bijbeltekst de in eigen woorden, nauwelijks toevoegend, dus niet gaan lezen, behalve
De groene cursieve tussenteksten, daar staan wat vragen en interpretaties.
Maarten, het was een boeiende zoektocht, maar Handelingen is “veel”. Ondanks mijn vele woorden laat ik nog veel liggen aan aspecten die ik in andere literatuur heb gevonden, w.o teksten die ik van jou kreeg. Ik hoop niet dat ik je laat verzuipen.
Alleen als je er zelf tijd en zin in hebt, dat weet je toch….
Kees
Kees vervolgde later:
Beste Maarten,
Even los van Handelingen en terug naar het “Begin”. In de discussie was de eerste die op 31 maart een vraag stelde Mary Loeff namens een groep vrouwen van de gesprekskringen “Elisabeth Leseur” uit de katholieke traditie. Het ging hen vooral om de verschillende zienswijzen “vanuit het paradijs”. Ze vroeg concreet aan me of van Ellen ten Wolde en Karel Deurloo literartuur is waar ze nog wat mee aan de slag kunnen, De bronnen, die jijzelf noemt (“Verhalen over het begin”, resp. “De mens als raadsel en geheim”), zijn dat de beste tips in deze?
Vast een kleine reactie op jouw voortreffelijke weergave van wat zich “naast de synagoge” afspeelt. Ik kan me erin vinden. En, als ik het nog eens breder trek: het is toch niet zo verwonderlijk dat Paulus, zonder zich af te keren van zijn Joodse roots , wel bewust een eigen plaats zoekt om zijn werk in rust te kunnen voortzetten, en niet steeds in de hectiek van twist en verdediging te moeten zitten? En dat dat in navolging ook voor de andere gemeenten is gaan gelden waar de Nieuwe Weg wordt gezocht? Ik zou misschien wel een vergelijking willen trekken met de Reformatie in 1517. Luther blijft van harte in de christelijke familie, maar zoekt ruimte om de nieuwe inzichten te laten groeien. Maar Paulus en de volgelingen, dat is wel opmerkelijk, hebben kennelijk geen behoefte aan nadrukkelijke, ” als heilige gebouwen” gestichte tempels, . Kerkplekken, huizen voor de ziel. Zoals Henk de Roest ze noemt, die door ons gebed en woordverkondiging van Jezus’ boodschap tempels worden, als ik jouw woorden zo mag interpreteren. De kerkgeschiedenis (vanaf Constantijn, resp. Calvijn) is, jammer genoeg aan de haal gegaan met een en ander en daar is heel wat schisma uit voortgekomen. Hoe trekken we daar, gegeven de seculiere staat van onze westerse wereld nog relevante lessen uit, zo vraag ik me af.
Ik heb ook de passage in Flavus Josephus nagelezen: inderdaad verrassend om het eens van een ander te horen!
Groet,
Kees
Maarten reageerde
Beste Kees,
Heerlijke leesstof! Bedankt. Hierbij wat opmerkingen vanaf de zijlijn.
Ja, Kees, die boeken van Deurloo en Van Wolde (voor zover nog verkrijgbaar) zijn inderdaad nog steeds lezenswaard. En anders kom je in van die hele zware exegetische werken terecht.
Je vergelijking met Luther is zeer terecht en behulpzaam. Luther wilde geen schisma, maar werd de kerk uitgewerkt. En daarna werden de verhoudingen vanzelf totaal anders. Zo is het ook met Paulus gegaan. Hij wilde een ‘reformatie’ van het Jodendom, maar werd er uitgezet. En wat daarna gebeurd is tussen kerk en synagoge is verbijsterend…
Lessen? Leren communiceren. Maar dat is verbazend moeilijk.
Ik blijf nog wat mijmeren…
Maarten
Kees reageerde
Maarten,
Wat zoekend naar bronnen die me nog wat meer brengen bij de oorsprong van het boek Handelingen, kwam ik terecht bij de verwijzing naar een lijvig boekwerk:
Handelingen de wereld in het geding Auteur: J. van Eck
Uiteraard zal je het bekend zijn. Ik kan het niet precies positioneren uit de recensies. Is het aanbevelenswaardg?
Maar wat , gezien onze uitwisseling, wel interessant is: ik vond van zijn hand een stuk tekst ( zie bijlage) over de betekenis van Handelingen als historische bron. Daarin stond van hem een verklaring van het gebruik van de “wij”- vorm in bepaalde gedeelten van Handelingen. Hij gaat er van uit dat dat passages zijn waarin gebeurtenissen worden beschreven waar de auteur (Lukas wellicht) zelf aanwezig is, dus een eigen ooggetuigenverslag. Aannemelijk, zeker. Ik zou me ook kunnen voorstellen dat het een citaat is uit een gesprek met of document van iemand die aan Lukas vertelt wat hij heeft beleefd met Paulus en zijn vrienden en dan over “wij” spreekt. In ieder geval weer iets om verder te komen in dit intrigerende boek
Kees
Maarten reageerde:
Ook toevallig Kees, vrijwel gelijktijdig met jouw mail over John van Eck, kreeg ik een mail van John van Eck!
John heb ik leren kennen op Hydepark als beginnend predikant en sindsdien houden we contact. Hij komt uit de wereld van de Gereformeerde gezindte, hoewel hij bewust nooit lid geworden is van de Gereformeerde Bond. Na zijn studie Oude talen en Theologie werd hij legerpredikant. Inmiddels is hij met emeritaat. Een boeiende en veelzijdige geest, die zondag aan zondag preekt in bondsgemeentes en die daar tegelijk zo vrij is als een vogel. Kan prachtig raillerend afstand nemen van zoiets als de Nashville verklaring om maar wat te noemen. Publiceert veel. Componeert ook trouwens. Hoewel wij onderling flink verschillen, hebben we veel plezier in de verkenning van die verschillen. Als ik met iets kom, dat in zijn ogen het toppunt van ketterij moet zijn, laat hij het vrolijk staan. En ik kijk van mijn kant wat door zijn ‘taal’ heen.
Voordat hij zijn commentaar op Handelingen schreef (2003), gaf hij enkele detailstudies uit over Handelingen onder de titel Paulus en de koningen. Politieke aspecten van het boek Handelingen (Van Wijnen, Franeker 1989). Daar ligt zijn punt: hij wijst op de stellingname van Paulus in het openbare debat en dan met name waar staat en kerk elkaar raken.
In zijn commentaar legt hij veel nadruk op het karakter van Lukas als historieschrijver. Dat is niet mijn invalshoek, maar wanneer het uit zijn pen komt, is het altijd interessant. Hij geeft mooie parallellen uit de literatuur uit Lukas tijd. Al zijn kennis van klassieke schrijvers en bijbelse geschriften brengt hij hier bijeen. Je vindt er dus onvermoede verbanden. Als je er de tijd voor hebt, krijg je veel materiaal in handen. Ik heb zelf slechts enkele details in zijn commentaar bestudeerd. Dus praat nu al voor mijn beurt…
Maar hoe dan ook, je hebt een interessante theoloog te pakken!
Maarten
Kees reageerde:
Beste Maarten,
Pasen goed beleefd? Wij hadden combinaties van indrukwekkend mooie Witte Donderdagavondmaal, de Amstel Gold Race ( waar zoon Maarten en zijn zwager in de toerversie aan meededen). lunch op de boerderij maandag enikzelf met een hardnekkige spier in mijn onderrug ( nu al weer wat beter). Daarnaast een wereld die op allerlei plaatsen dol draait in verderf.
ik heb mijn prafrasetekst van Handelingen ( voorlopig?) afgesloten. Heb – naast een paar kleine correcties en noten- de oorspronkelijke versie aangevuld (in cursief) met commentaar
Kees
Maarten reageerde:
Dank je Kees. Nu ik je vernieuwde tekst lees, verrast het me eens te meer hoezeer we deze dagen met dezelfde thematiek bezig zijn. Ik via de Romeinenbrief en jij via Handelingen. Ik kan me goed vinden in je leeswijzer. Je conclusies zijn mooi: Op adem komen! God ter sprake brengen, in het licht van de weg van Jezus’ dood en opstanding! Humaniteit! De relatie van Joden en mensen uit andere volken! De ongemakkelijke strijd met exclusief conservatisme en een onverschillige samenleving! Ik denk dat ik enige informatie (zoals over wegvervoer en zo) ontleend heb aan het veel geciteerde W.A. Meeks, The first urban Christians . The social world of the apostle Paul. Londen 1983. Maar kan zo gauw de pagina’s niet vinden. Er is zoveel uit te zoeken…En ik denk dat je veel plezier zal hebben aan Van Ecks commentaar.
Goede dagen tussen Pasen Pinksteren, Maarten
Het Boek Handelingen, stap voor stap
Handelingen 1:
De start van alles waar in de Handelingen over wordt gecommuniceerd door Lukas is cruciaal. De apostelen trekken zich terug. Het begin van alle wijsheid is “even er het zwijgen toe doen”, zo moeten ze gedacht hebben. Dat gebeurde nadat zij aan Jezus hadden gevraagd of het koningschap over Israel nu zal worden hersteld; Jezus geeft hen geen antwoord daarop maar geeft hen een opdracht:
“Maar wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en van mij getuigen in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde “
De aanduiding Heilige Geest in de bijbel komt eigenlijk eerst in de Handelingen pas goed uit de verf. In het OT zijn er maar 2 plaatsen daarvoor aan te wijzen: Psalm 51 en Jesaja 63.
Psalm 51(12-15)
Schep, o God, een zuiver hart in mij, vernieuw mijn geest, maak mij standvastig, 13verban mij niet uit uw nabijheid, neem uw heilige geest niet van mij weg. 14Red mij, geef mij de vreugde van vroeger, de kracht van een sterke geest.
Jesaja 63: 8-10
Daarom wilde hij hun redder zijn. 9In al hun nood was ook hijzelf in nood: zij werden gered door de engel van zijn tegenwoordigheid. In zijn liefde en mededogen heeft hij hen zelf verlost, hij tilde hen op en heeft hen gedragen, alle jaren door. 10Maar zij zijn in opstand gekomen en hebben zijn heilige geest gekrenkt.
Dan wordt hij op de Olijfberg voor hun ogen omhoog geheven en opgenomen in een wolk, zodat ze hem niet meer zagen (dat zijn wij Hemelvaart gaan noemen).
En dan, zo meldt Lukas, gaan de 11 apostelen samen met de vrouwen en met Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broers naar het bovenvertrek in Jeruzalem “waar zij verblijf hielden “, Vurig en eensgezind wijdden ze zich daar aan het gebed.
(Naast de vrouwen, wo Maria en de broers van Jezus, wo Jacobus, gaat het om de apostelen Petrus en Johannes, Jakobus en Andreas, Filippus en Tomas, Bartolomeüs en Matteüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon de IJveraar en Judas, de zoon van Jakobus).
Handelingen 1 sluit af met een eerste actie na die bijeenkomst: ze wijzen eerst een vervanger aan voor Judas, die Petrus noemt “de gids van hen die Jezus gevangen hebben genomen”. (Hij gebruikt hier dus niet de term “verrader”) Petrus vertelt het bloedige einde van Judas’ leven en citeert de psalmen (welke?) waarin daar over gesproken wordt. Na gebed (‘U, Heer, doorgrondt ieders gedachten. Wijs van deze beide mannen degene aan die u gekozen hebt om als apostel zijn dienende taak te verrichten en de plaats in te nemen van Judas, die zijn ondergang tegemoet is gegaan.’) valt het lot op Mattias. Dan zijn er dus weer twaalf apostelen. Het heeft enerzijds iets weg van een organisatorische aanpassing: er is een vacature ontstaan en die moet worden opgevuld; anderzijds toont het een sterk gevoel voor continuïteit in saamhorigheid.
Handelingen 2:
Lukas verhaalt hierover vier “gevolgen” die het samenleven van de mensen daarna sterk zullen beïnvloeden:
- Op de dag van het Joodse Pinksterfeest (Sjavoeot, oorspr. oogstfeest maar later herdenking van het verkrijgen van de Tora op de berg Sinaï) worden de apostelen verrast dooreen hemels geluid als van een windvlaag door het huis waar ze waren en werden vervuld van de heilige Geest; dat was zichtbaar aan een soort vlammen, die als vuurtongen verschenen en “zich op ieder van hen neerzetten”. En het was hoorbaar aan de luide taal die ze spraken, of liever “vreemde talen”. En dat waren kennelijk de talen van (vrome) Joden die afkomstig waren van “ieder volk op aarde” die in Jeruzalem woonden en het Pinksterfeest vieren. Die mensen waren stomverbaasd hun eigen moedertaal weer te horen spreken over “Gods grote daden”.
Sommigen geloven hun eigen oren niet en doen het toneel af met “ze zullen wel dronken zijn
“.
- Petrus pakt zijn verantwoordelijkheid (“trad naar voren, met de elf andere apostelen”) en houdt ter plekke een toespraak. “Neen, niet dronken, er gebeurt hier wat al door de profeet Joel is gezegd:
“Aan het einde der tijden, zegt God zal ik over alle mensen mijn geest uitgieten. ……. Dan zal ieder die de naam van de Heer aanroept worden gered.”
Petrus vervolgt zijn rede met erop te wijzen dat het die God is die Jezus, die man uit Nazareth, tot jullie heeft gezonden, wat mag blijken uit zijn grote daden en wonderen/tekenen; dat kon Jezus alleen doen door toedoen van God; dat was toch al bekend bij jullie? En God wist dat Jezus zou worden uitgeleverd, had er zelfs een bedoeling mee.
“En God wist…” is een tekst die bij mij schuurt. Het voorbestemd zijn om zo’n helse weg te moeten afleggen, komt er bij mij niet echt in. Als ik het met mijn godsbesef van nu zou moeten navertellen, zou ik kiezen voor het beeld “dat God ook wel voorzag dat je er in de menselijke en maatschappelijke verhoudingen van die dagen er vergif op kon innemen, dat Jezus door zijn tegenstanders uit de weg zou worden geruimd. Maar God voorzag ook, en voegde de daad bij zijn woord, dat het leven van die mens – in de brede scheppingsbetekenis van leven- niet kon worden uitgewist en heeft hem tot leven gewekt.
En jullie, Joden, hebt hem toen door heidenen (Romeinen) laten kruisigen en doden. En die God liet het er daar niet bij zitten: hij heeft Jezus tot leven gewekt. Dat betekent zoveel als dat hij de dood van hem heeft afgenomen, de dood kon zijn macht (dD dood dus als persoon) niet over Jezus houden.
Hij benadrukt dit nog eens met een citaat uit Psalm 16 (8-11:
Steeds houd ik de HEER voor ogen, met hem aan mijn zijde wankel ik niet. Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel, mijn lichaam voelt zich veilig en beschut. U levert mij niet over aan het dodenrijk en laat uw trouwe dienaar het graf niet zien. U wijst mij de weg naar het leven: overvloedige vreugde in uw nabijheid, voor altijd een lieflijke plek aan uw zijde.
Een opmerkelijk verschil lees ik. De Psalmtekst spreekt van “juicht mijn ziel”. Lukas laat in Handelingen Petrus echter zeggen: “jubelt mijn tong van blijdschap”. Alsof Petrus (of Lukas) hier de tongen van vuur willen laten prevaleren boven de (innerlijke) ziel.
Petrus houdt de luisterende massa tenslotte voor (in mijn woorden): “daar getuigen wij nu van, de Geest die Jezus van God heeft ontvangen, is ons nu ook overkomen en dat is wat jullie nu meemaken. Jullie, volk van Israel, mogen weten dat God hem tot Heer en messias heeft aangesteld”.
- Het publiek is onder de indruk. Velen laten zich na hun vraag (“wat staat ons te doen”?) overtuigen door de oproep van Petrus om zich dit aan te trekken, te laten dopen, zonden te doen vergeven en “gered te worden uit dit verdorven mensengeslacht”. Ongeveer drieduizend lieten zich dopen, werden dus leerling.
- En dan volgt, wat ik beschouw als wat toen als de corebusiness van de gemeente van Jezus Christus is geformuleerd. Lukas schrijft:
Zij “die het geloof hadden aanvaard” die bleven trouw aan het onderricht van de apostelen, vormden met elkaar een gemeenschap, braken het brood en wijdden zich aan het gebed.
De uitdrukking: “die het geloof hadden aanvaard” komt uiteraard rechtstreeks voort uit wat Petrus hen had voorgehouden (zie 3 hierboven). Maar het is toch in die zin bijzonder omdat het lijkt of er voor die tijd geen “geloof” zou zijn geweest; de Joodse geloofstraditie zat- de joden althans- toch dicht op de huid. Er is voor mij evenwel iets opmerkelijks te ontdekken: dat in (de vertalingen van het) het Oude Testament het woord “geloof” – in de betekenis van geloof in God- nergens wordt gebruikt. Kennelijk was dat geen manier van omgaan van de joodse mens in die tijd met zijn religieuze attitude; wel is de tegenovergestelde beweging “de trouw van god aan zijn volk “. Ik wil het vooral lezen als:” komen tot deze nieuwe geloofsuitgangspunten, die redding in het vooruitzicht stelde, ook gezien de toen heersende maatschappelijke omstandigheden “. Opmerkelijk is overigens dat dat “nieuwe “geloof op een andere plaats “de Nieuwe Weg” wordt genoemd.
. . En Lukas herhaalt de start van hun gemeenschap: Ze bleven bijeen (en waren met ontzag `vervuld), hadden alles gemeenschappelijk, bezittingen werden verkocht en opbrengsten verdeeld onder wie iets nodig hadden, kwamen trouw bij elkaar, deelden samen de maaltijd in een geest van eenvoud en vreugde. Ze stonden in de gunst bij het hele volk. De Heer breidde hun aantal dagelijks uit met mensen die gered wilden worden.
Mijn vraag is: zou “redding” dezelfde lading hebben als “heil”? Zoiets als “weer kunnen opstaan”? In het proefschrift van Maarten den Dulk (“Als twee die spreken””, blz. 12) wordt het begrip heiliging ook gezien als sabotage (ontleend aan Mascotte ’s ABC). Miskotte schrijft ook over heiliging, geassocieerd met bevrijding.
Samengevat:
Het begin van wat toen “gemeente” is gaan heten is dus, samengevat, met dit rijtje “handelingen” samen te vatten:
- De Geest krijgen en voor iedereen verstaanbare taal spreken.
- Je verantwoordelijkheid pakken en hardop sprekend laten horen wat de boodschap is:” er wordt redding gebracht, keer om!”
- Een beweging begint: de mensen die zich aangesproken voelen, laten zich dopen, het lijkt op: vinden een eigen identiteit.
- De beweging zet door: de mensen blijven luisteren, vormen met elkaar een gemeenschap, breken en delen het brood en bezittingen en bidden met elkaar. Er is veel sympathie onder de bevolking voor deze levenshouding.
- Er komt een “Zwaan-kleef-aan” beweging op gang. Steeds meer mensen sluiten als leerlingen aan.
Handelingen 3:
Lukas begint met de dagelijkse praktijk in de Joodse traditie: omstreeks het negende uur gaan
Petrus en Johannes op een dag naar de tempel voor het namiddaggebed. Daar worden ze geconfronteerd met de verlamde bedelaar (“hij werd daar elke dag neergelegd”). Zij helpen hem “in de naam van Jezus Christus van Nazareth” opstaan en hij gaat weer zelfstandig lopen (en springen, God lovende). De menigte mensen die dat zagen zijn stomverbaasd. Petrus neemt weer zijn verantwoordelijkheid en geeft uitleg. Hij zegt dat zij goed moeten weten dat “het de God van onze voorouders (hij noemt Abraham, Isaak en Jacob bij name) is die Jezus uit de dood heeft doen opstaan en dat nu net die Jezus door jullie – zij het in onwetendheid van die bedoelingen van God- gekruisigd en gedood is. En die verlamde bedelaar heeft in de naam van Jezus geloofd en Jezus heeft hem geloof geschonken en hem gezond gemaakt waar jullie allemaal bij waren. Alle profeten hebben lang geleden al gesproken van het lijden en sterven van de messias. Keer daarom om van uw huidige levensweg, vraag om vergeving. God zendt zijn messias weer naar jullie, ook dat is gezegd door Mozes en Samuel en alle profeten. En jullie zijn nota bene de erfgenamen van die voorouders en profeten. God heeft zijn dienaar allereerst voor u laten opstaan en hem naar u gezonden om ieder van u die zich afkeert van zijn slechte daden te zegenen”.
Het is me nog niet helemaal duidelijk in welke context Petrus (en later vele na hem) die “slechte daden” eigenlijk ten tonele voert. Spreekt hij Jezus na, zijn er bijzondere omstandigheden? Gaat het ten principale om het doden van Jezus?
Maar daar komt toch gedonder van….
Handelingen 4:
Priesters, hoofd van de tempelwacht en de sadduceeen zijn hevig ontstemd over hun optreden, zetten hen gevangen. (…maar tegelijk groeide het aantal gelovigen aan tot 5000.).
De leiders (?), de oudsten en de schriftgeleerden komen de volgende dag samen met Annas (hogepriester) Kajafas, Johannes en Alexander en allen die tot de hogepriesterlijke familie behoorden. En ze verhoren Petrus en Johannes. Petrus antwoordt, “vervuld met de heilige Geest”. Ze hebben er eigenlijk geen goed antwoord op, maar verbieden hen de naam van Jezus verder nog te gebruiken en over hem te onderrichten. Daar gaan Petrus en Johannes absoluut niet mee akkoord, Ze laten hen (na nog een keer gedreigd te hebben) hen vrij, omdat ze tegenover al die mensen die God loofden en eerden om wat er gebeurd was niet met straffen konden aankomen. Iemand die na 40 jaar verlamming wordt genezen, dat is nogal wat. De leerlingen, aan wie Petrus en Johannes vertelden wat hen was overkomen, “riepen
God eensgezind aan…”. Ze vragen God – gelet op wat er (en lees de Psalmen er maar op na) met Jezus is gebeurd en wat er nu weer aan dreigementen loskomen- hen in staat te stellen vrijmoedig te blijven getuigen, zieken te genezen en wonderen te verrichten.
Na hun gebed, zo schrijft Lukas, begon de plaats waar ze waren te beven, werden alle vervuld van de heilige Geest en getuigden vrijmoedig over de boodschap van God.
Het is, in mijn ogen althans, belangrijk te lezen dat er door de apostelen en leerlingen vanaf het begin heel nadrukkelijk gesproken wordt over de opstanding van Jezus als “de boodschap van God”. Ik bedoel: niet “de boodschap van Jezus”. Hun getuigenissen te midden van de Joodse gemeenschap krijgt daardoor de betekenis van een verdieping van het Joodse geloof, natuurlijk wel revolutionair in de ogen van de gevestigde orde, maar, let wel, het is niet een compleet ander geloof. En dan komt er ook gedonder in hun eigen – eendrachtig samenlevende-geloofsgemeenschap. Er was een gewoonte ontstaan om, als je grond of een huis bezat, dit te verkopen en de opbrengst via de apostelen over allen te verdelen. Inkomens- en vermogensverdeling in pure zin. Zo deed ook Jozef (ook genaamd Barnabas), een Leviet, zie later).
Handelingen 5
Maar Ananias en Saffira verkochten en hielden een deel van de opbrengst achter. Petrus spreekt hen daar hard op aan. Beiden vielen dood neer bij het horen van die boodschap. Ze worden door jongemannen begraven. iedereen, binnen en buiten de gemeenschap schrokken hevig van dit gebeurde.
De irritatie en jaloersheid onder de leiders van de Joodse gemeenschap groeiden over het doorgaande optreden van de apostelen (wonderen, genezingen) van de apostelen en het hoge aanzien dat de geloofsgemeenschap genoot onder de Joodse, bevolking. de toename van het aantal mensen “die in de Heer gingen geloven”. De hogepriester en de sadduceeen namen de apostelen gevangen. Na een wonderlijk intermezzo (een engel opent de gevangenisdeuren en de apostelen gaan weer vrijelijk met onderricht aan de slag, om na de ontdekking door de tempelwacht weer opgepakt te worden) worden ze voorgeleid voor het Sanhedrin. De scherpe woordenwisseling tussen de hogepriester en Petrus gaat over het verbod om de naam van Jezus te gebruiken, onderricht te geven en. de Joodse gemeenschap aansprakelijk te stellen voor zijn dood. Petrus antwoordt op deze aanklacht met een getuigenis waarin weer God centraal staat: aan Hem zijn wij meer gehoorzaam dan aan mensen, Hij (“de God van onze voorouders”) heeft hem uit de dood opgewekt na de moord op Hem, Hij gaf hem naast Hem een plaats, Hij verhief hem tot leidsman en redder om het volk der Israëlieten tot inkeer te brengen en vergeving te schenken. Dat getuigen wij, zo zegt Petrus, en dat getuigt ook de heilige Geest dei God schenkt aan wie hem gehoorzamen.
De leden van het Sanhedrin zijn woedend als ze dit horen en willen de apostelen ter dood brengen. Daar steekt iemand uit hun midden een stokje voor, nl een zekere Gamaliel, een farizeeër die bij het hele volk goed bekend stond als wetsleraar. Zijn redenering was: laat ze begaan, bemoei je er niet verder mee. Want als het mensenwerk is dan is onze ervaring (met mensen al Teudas en Judas de Galileeër, van wie de aanhang roemloos in het niets verdwenen) dat het op niets uitloopt; maar als het Gods werk is, dan kunt u niets tegen hen doen,” het zou wel eens kunnen blijken dat u tegen God strijdt”. De leden van het Sanhedrin leggen zich daarbij neer, ze laten de apostelen wel geselen, leggen weer het verbod op om de naam van Jezus te gebruiken, maar laten ze uiteindelijk vrij. De apostelen vertrekken met opgeheven hoofd, en gaan door met onderricht (in de tempel of bij mensen thuis) en het brengen van de boodschap dat Jezus de messias is.
Die laatste uitdrukking (“dat Jezus de messias is” geeft mij nog eens de betekenis van deze woorden aan: het gaat er volgens mij om dat Petrus (en alle anderen) willen zeggen. Deze mens Jezus is niet zomaar een zelfstandig optredende profeet (hoe goed dat mag zijn bedoeld) maar is de door God gezalfde, deze mens brengt niet alleen de boodschap, maar is zelf de boodschap van God. Met andere woorden: het gaat niet om verheerlijking, aanbidding van Jezus, maar om het feit dat deze boodschap van God er voor iedereen is.
Handelingen 6
Ook binnen de gemeenschap begint gemor: de Griekstaligen voelen zich achtergesteld bij de Aramees sprekenden in ondersteuning van hun weduwen. Dat is aanleiding voor de apostelen om een organisatorische maatregel te nemen. Ze gaan – met instemming van allen- een aparte groep leerlingen de opdracht geven om zorg te dragen voor de gemeenschappelijke maaltijden (dat was kennelijk de corebusiness van de ondersteuning, dD), want, zo zeggen ze, dan kunnen wij ons “wijden aan het gebed en aan de verkondiging van het woord van God “.
Het klinkt een beetje arrogant, vind ik. Het diaconale werk dat hier wordt geïnitieerd, wordt een beetje weggezet alsof ze zeggen willen: “dat werk houdt ons maar af van belangrijker zaken als bidden en preken”.
Het worden 7 (!) mannen, als eerste onder hen treedt Stefanus op, diepgelovig en vervuld van de heilige Geest.
Onder de zes anderen, bevindt zich ook een zekere Nikolaüs, en van hem wordt vermeld “een proseliet uit Antiochie “. Een proseliet is iemand van niet-Joodse afkomst die zich bij het jodendom heeft aangesloten en als een echte jood wordt beschouwd. ‘Proseliet’ komt van het Griekse prosêlutos, dat letterlijk betekent ‘die erbij gekomen is’. (Uit: NBG Kennis & achtergronden)
De 7 mannen worden door de apostelen de handen opgelegd. En deze passage sluit Lukas af met: “het woord van God vond steeds meer gehoor, zodat het aantal leerlingen in Jeruzalem sterk groeide; ook en grote groep priesters aanvaardde het geloof. Kortom: zwaan kleef aan!
Stefanus treedt zo te horen, buiten het terrein van de (diaconale) ondersteuning, ook op onder het volk en verricht “grote wonderen en tekenen”. Mensen uit de Joodse gemeenschap gaan, geërgerd, met hem in discussie, maar kunnen niet tegen hem op. Ze hitsen anderen. het volk, en de oudsten en schriftgeleerden op en daardoor wordt Stefanus gevangengenomen en voor het Sanhedrin geleid. Valse getuigenissen volgen (Jezus zou, volgens Stefanus, gezegd hebben de heilige plaats te zullen afbreken en de rituelen uit de traditie van Mozes te willen veranderen. Stefanus straalt, in de ogen van het Sanhedrin. een engelachtige blik uit daarbij.
Handelingen 7
Stefanus wordt uitgedaagd door de hogepriester van het Sanhedrin om deze getuigenissen te bevestigen (‘is dat waar?”). En dan neemt Stefanus zijn verantwoordelijkheid, en komt met een sterk en uitvoerig betoog over de geschiedenis van het volk Israel en de boodschap die God steeds weer op het volk heeft overgebracht. Een geschiedenis vanaf het – onder regie van God- wegtrekken van Abraham, en de boodschap van God “… en daarna zullen ze wegtrekken en mij vereren op de heilige plaats”
(: dit lijkt op een kritisch antwoord op de valse getuigenis over het afbreken van de heilige plaats, zie boven)
Stefanus vertelt de Jacob-Jozef- en-zijn-broers ervaringen in Egypte, waar Jacob en de voorouders bergraven werden bij Abraham (in Sichem).
Hier wordt dus een plaats ingericht voor de geschiedenis van Israel.
En hij vervolgt met de tijd van Mozes daar, Egypte. Mozes vlucht daar naar Midjan en daar is weer een plek waar Gods verbondenheid wordt ervaren: de brandende braamstruik waar Mozes God hoort zeggen: “Trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat, is heilig. Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is en ik heb hun jammerklachten gehoord, zodat ik ben afgedaald om hen te bevrijden. Daarom stuur ik je nu naar Egypte.” Maar Stefanus gebruikt deze geschiedenis om het falen van een volk, als het om vertrouwen in een leider gaat, aan de kaak te stellen. In zijn pleidooi wijst hij op het verwerpen van de leidersrol van Mozes. “Mozes was het”, zo klinkt het vier keer, “die het volk wegleidde”, “die tegen de Israëlieten zei” God zal in uw midden een profeet zoals ik laten opstaan ””die als bemiddelaar optrad tussen onze voorouders en de engel op de berg Sinaï”, “die de leven brengende woorden (de tafel met de tien geboden) ontving om ze aan ons door te geven”. Maar het volk ziet het niet zitten met een Mozes (die dan ook nog eens ergens hoog opeen berg 40 dagen wegblijft) en haalt broer Aaron over om een gouden stierkalf – als zelfgemaakte god- te maken en daar omheen een groot feest te vieren. God is woedend. En Stefanus verwijst daarna ook nog op het misverstand dat de Allerhoogste in de tempel woont, die door mensenhanden is gemaakt, maar dat de profeet zegt dat de hemel zijn troon is en de aarde zijn voetenbank. Heb ik dit alles niet met eigen handen gemaakt?”. De toespraak van Stefanus loopt dan uit op een stevige aanklacht tegen de leiding van Israel: “zelf hebt u de rechtvaardige verraden en vermoord”. Het Sanhedrin en het luisterende volk ontsteken in grote woede op die beschuldiging, en Stefanus wordt gestenigd. Als bijzonderheid tekent Lukas aan dat aan een jongeman uit het publiek, een zekere Saulus. de mantel van Stefanis in bewaring kreeg en hij eindigt met” “Saulus keurde de moord op hem goed.”,
Die laatste zin is het begin van
Handelingen 8.
Want de hel barst los, de gemeente van Jeruzalem wordt verdreven naar Juda en Samaria. Saulus gaat nog verder en probeert zelfs de hele gemeente te vernietigen door mensen uit huizen te sleuren en in de gevangenis op te sluiten.
Korte opsomming van gebeurtenissen hierna:
- De verdrevenen uit Jeruzalem verkondigeden in Samaria het woord van God en Filippus verkondigde de messias. En worden in de naam van Jezus gedoopt. Er is grote vreugde in de stad.
- Een zekere Simon, een magiër waarvan het volk dacht dat hij de macht van God vertegenwoordigde, wordt door Filippus tot inzicht en tot geloof in het koninkrijk Gods en de naam van Jezus gebracht.
- De apostelen in Jeruzalem sturen Petrus en Johannes naar Samaria; zij leggen de Samaritanen, die tot het geloof waren gekomen, ook de Heilige Geest op.
- Simon probeert weer een eigen positie te krijgen, biedt geld aan om en ook de Heilige Geest te mogen opleggen, maar wordt door Petrus op zijn vingers getikt (onoprecht gedrag) en daarvan afgehouden. Simon toont berouw.
- Petrus en Johannes gaan terug naar Jeruzalem, in de reis ernaar toe verkondigen ze in tal van dorpen het evangelie.
- Filippus ontmoet op de weg naar Gaza de thesaurier van de koningin van Ethiopië. Er ontstaat een gesprek over de tekst van Jesaja die de Ethiopiër aan het lezen is. Filippus legt het verband met het evangelie van Jezus; er volgt een doop in een rivier.
- Filippus vervolgt zijn weg naar Caesarea en verkondigt onderweg in alle steden het evangelie.
Handelingen 9.
vervolg korte opsomming:
- Saulus krijgt, midden in zijn vervolgingsdrift (daartoe gesteund-! – door de Hogepriester), een teken (“een licht uit de hemel”, zoals Lukas beschrijft, “drie dagen bleef hij blind- terwijl zijn ogen open waren- en at en dronk hij niet “). Door een leerling van de Jezus-beweging, een zekere Ananias in Damascus, die een visioen krijgt, wordt hij toegesproken en raakt vervuld van de Heilige Geest. Hij laat zich dopen, de schellen vallen van zijn ogen, hij gaat weer eten en komt op krachten. Hij wordt opgevangen door de leerlingen daar.
- Saulus gaat onmiddellijk daarna in Damascus in de synagogen verkondigen dat Jezus de zoon van God is. En brengt de (Grieks sprekende) Joden daar in verwarring door aan te tonen dat Jezus de messias is.
- Die laatsten willen Saulus om het leven brengen. Hij wordt door leerlingen in de nacht (met een mand) over de stadsmuur in veiligheid gebracht en gaat naar Jeruzalem. Daar krijgt hij zowel met wantrouwige leerlingen als vijandige Griekstalige Joden te maken. Barnabas steunt hem; hij wordt voor de zekerheid naar Tarsus (zijn geboorte- en woonplaats) gebracht.
- vers 31: In heel Judea en Galilea en Samaria leefde de gemeente in vrede en kwam tot bloei. De gelovigen leefden in ontzag voor de Heer, en dankzij de bijstand van de heilige Geest nam hun aantal steeds meer toe.
- Vanaf vers 32: Petrus is op rondreis. In Lydda verricht hij de genezing (door Jezus Christus) van Eneas, waarop “alle” bewoners van Lydda en de Saronvlakte zich bekeren. Door leerlingen naar Joppe geroepen doet hij Tabita (kleermaakster) uit de dood verrijzen. Velen kwamen tot geloof in de Heer.
Handelingen 10
Tijdens zijn verblijf in Joppe wordt Petrus- die honger had en voor wie eten werd klaargemaakt- op het dakterras van zijn gastheer Simon, de leerlooier) geraakt door een visioen. Iets wat leek op een groot laken, waarin alle soorten dieren waren opgenomen, kwam van boven en hem werd- in het visioen- gemaand daarvan te eten. Hij weigert eerst met als argument om zich aan de eetvoorschriften van de joden te houden (geen onrein voedsel); de stem die hij hoort zegt dat God dit voedsel rein heeft verklaard en dat Petrus dat dan niet “als uitgesloten “mag beschouwen. Dit beeld werd driemaal getoond. Daarna werd het laken weer “opgenomen in de hemel “. Nog in gedachten over dit visioen (hij was verbijsterd en vroeg zich af wat het visioen toch mocht betekenen) werd hij door “de Geest” aangespoord om naar beneden naar de poort naar drie mannen, die daar waren aangekomen om hem te zoeken, te gaan en te doen wat zij hem zullen vragen. Toen hij hen vroeg naar de reden van hun komst verteleden ze dat hun heer, de centurio van een Italiaans cohort, Cornelius, uit Caesarea, aan hen gezegd had naar hem, Petrus, te gaan zoeken in Joppe en hem te vragen naar Cornelius mee te komen. (Cornelius had dit – ook in een visioen- van een engel te horen gekregen; hij was een vrome Jood en charitatieve man, vereerde God met al zijn huisgenoten). Petrus gaat de volgende dag met de drie mannen mee naar Caesarea. Daar wachtte Cornelius hem op met zijn familie en vrienden en een groot aantal mensen (dD: geen Joden, dus “heidenen”: Cornelius stond overigens in aanzien bij het hele Joodse volk). Hij zegt tegen Petrus dat “We zijn hier ten overstaan van God bijeen om te luisteren naar alles wat u door de Heer is opgedragen “.
Petrus reactie is (hier op deze plaats in Handelingen voor het eerst heel duidelijk): Ik begrijp nu pas goed dat God geen onderscheid maakt tussen mensen. Hij maakt aan de Israëlieten bekend dat hij door Jezus Christus het goede nieuws van de vrede is komen brengen, (maar) deze Jezus is Heer van alle mensen. En Petrus wijst vervolgens in zijn toespraak nadrukkelijk op het “voor iedereen”: heel het Joodse land (vs. 37), genas iedereen die in de macht van de duivel; was (38), aan het volk bekend maken (42), “iedereen die in hem, gelooft (43), daalde Geest neer op iedereen. (44)”. Concreet zien de joden dat de Geest op de heidenen neerdaalt (ze hoorden hem in klanktaal spreken en God prijzen) en worden gedoopt, ze zijn verbaasd dat ook heidenen het geschenk van de heilige Geest ontvingen.
Handelingen 11
Het nieuws dat ook heidenen Gods woord hadden aanvaard veroorzaakt toch reuring. los. Met name joodse gelovigen verwijten hem dat “hij onbesnedenen had bezocht en samen met hen had gegeten”. Daar brengt Petrus- door het gebeurde in Joppe en het visioen met het laken en de vier punten daarvan te vertellen- tegenin: “Ik herinnerde me dat de Heer tegen ons zei: “Johannes doopte met water, maar jullie zullen gedoopt worden met de heilige Geest. Als God hun wegens hun geloof in de Heer Jezus Christus hetzelfde geschenk wilde geven als ons, hoe had ik hem daar dan van kunnen weerhouden?”. ‘Toen ze dat gehoord hadden, waren ze gerustgesteld en loofden ze God met de woorden: ‘Dan geeft God dus ook de heidenen de kans om tot inkeer te komen en het nieuwe leven te ontvangen.’
Na Stefanus’ steniging en de onderdrukking van de aanhangers van de Nieuwe weg waren zij weggetrokken naar o.a. Antiochië in Samaria (lange reizen, Jeruzalem-Antiochië is ca 700 km). Ze “verkondigden Gods (!) boodschap uitsluitend aan de Joden. Enkele Cyprioten en Cyreneeers onder hen…maakte daar echter ook de Griekse bevolking bekend met het evangelie van de Heer Jezus. De Heer steunde hen bij deze taak, zodat veel mensen overgingen tot het geloof in de Heer. “
Barnabas wordt uit Jeruzalem enthousiast naar Antiochië gestuurd na deze berichten. Hij ziet wat God bewerkt heeft, spoort iedereen aan trouw aan de Heer te blijven. Hij was zelf diepgelovig en vervuld van de Heilige geest. Vers 34 eindigt dan met “Een groot aantal mensen werd voor de heer gewonnen”.
In deze laatste teksten valt op dat de namen God, Heer, Jezus, Heilige Geest door elkaar heen gebruikt worden (in één adem). Daarnaast is hier de scheiding van de “doelgroepen Joden en Grieken duidelijk aan de orde.
Barabas haalt Saulus uit zijn geboorte-woonplaats Tarsus naar Antiochie. Ze blijven daar een heel jaar lang, komen met de gemeente bijeen (op welke lokaties?) en geven onderricht.
En dan schrijft Lukas:
“Het was in Antiochië dat de leerlingen voor het eerst christenen werden genoemd. “
Genealogie gaat over “waar je vandaan komt en hoe het verder gegaan is”. En in de stamboom die daarbij hoort is het moment waarop jouw familienaam het eerste genoemd wordt een soort van “oerknal”. In de stamboom van mijn eigen familie is dat het moment (en de plaats) waarop mensen zich “den Dulk” zijn gaan noemen: in het jaar 1735 is in Scheveningen voor het eerst die naam in de annalen gevonden. Dat geeft je een ijkpunt in handen om jouw geschiedenis en toekomst in een kader te zetten. Waarom ik dit hier, bij het parafraseren van het boek Handelingen. zo neerschrijf? De vraag die ik mij stelde voor dat ik met lezen van dat Bijbelboek begon, was “hoe hebben de mensen die zich Christenen zijn gaan noemen hun start gemaakt en welke ervaringen hebben ze daarbij gehad. Is daar iets van te begrijpen en op te steken als we onze eigen situatie als christenheid in deze tijd in beschouwing nemen.? ”. IK zocht om te beginnen naar die “oerknal”. ons ijkpunt. En laat nu in Handelingen ook dat ijkpunt genoemd worden, waar de stamboom en de geschiedenis van de “familienaam” Christenen op kan worden geënt. Lees maar mee (Handelingen 11:25): • “Hierna vertrok Barnabas naar Tarsus om Saulus te zoeken, 26en toen hij hem gevonden had, nam hij hem mee naar Antiochië. Een heel jaar lang kwamen ze met de gemeente daar bijeen en gaven ze onderricht aan tal van mensen. Het was in Antiochië dat de leerlingen voor het eerst christenen werden genoemd. “• Antiochie is dus de oerplaats en het oermoment is waarschijnlijk “winter 45-46 “, een tijdsaanduiding die ik ontleen aan de vermelding in het boek “Paulus en de rest “(2010, Bert Jan Lietaert Peerbolte, blz. 65). Dat is dus zo’n 12 jaar na de laatste woorden en hemelvaart van Jezus Christus.
Nu gaat de vergelijking met de gebruikelijke regels van de genealogie in dit verband niet helemaal op. De geschiedenis van de “familie “van christenen is niet de chronologie van individuen, maar die van gemeenschappen, gemeenten zoals Handelingen die ook noemt. Het zijn apostelen en leerlingen die gemeenten stichten en in onderling verband proberen te houden in Jeruzalem, Judea, Samaria en verder uitwaaiend in het Midden-Oosten. In de eeuwen die volgen wordt het concept “gemeente”, inhoudelijk en organisatorisch, verbreed tot het fenomeen “kerk”. Het loopt tot in onze uit op een stamboom van vertakkingen waarvan de verbanden bijna niet meer te onderkennen zijn, waar takken elkaar zelfs de betekenis van de oerboom ontzeggen. En de geografische verspreiding, sterfhuisconstructies, fusies en nieuwe loten aan de stam maken het opzetten van een herkenbare genealogie van christelijke kerken en gemeenten over de wereld praktisch onmogelijk. Maar het startpunt hebben we wel te pakken, daar in Antiochie. En de verhalen van een selectie van startgebeurtenissen in de periode van ca dertig jaar vanaf Hemelvaart tot even voor de dood van Paulus, die de auteur van Handelingen (naar historici veronderstellen: Lukas), optekent, geven inzicht in de eerste “levenservaringen” van de familie van christenen.
• Toch blijft de blik van Handelingen wel degelijk ook gericht op de genealogie van individuele personen. Of liever gezegd op hoe mensen geschiedenis hebben gemaakt (nb dat is iets anders dan “de geschiedenis van mensen”). En dat gebeurt op een bijzondere manier. Door het hele verhaal van Handelingen heen wordt verslag gedaan van verantwoordingen en getuigenissen van apostelen en daarmee gelijkgestelde volgelingen van Christus. Petrus, Stefanus, Jacobus en Paulus voorop. En wat is standaard de verhaallijn in hun redevoeringen. die ze – meestal tegen hun Joodse tegenstanders- afsteken? Dat de geschiedenis van het volk van Israel bepaald is geweest door het doorgaande verbond van God met hun “voorouders”, zoals die nadrukkelijk worden genoemd. In wisselende combinaties worden Adam, Kain en Abel, Noach, Abraham, Isaak, Jacob, Jozef. David en vele anderen ten tonele gevoerd. En er wordt ook altijd de verwantschap tussen die voorouders uit de doeken gedaan. Er wordt niet aflatend gewezen hoe in de Tora wordt verhaald wat zich binnen die familie- en stamverbanden heeft afgespeeld. Om dan steeds tot de slotsom te komen dat profeten en leiders het verband met het verbond met het volk van Israel weer wilden aantrekken, daar waar het “van God los” dreigde te raken. En dat deze profeten niet werden gehoord en het vaak met de dood moesten bekopen. Ze wijzen er zonder omhaal van woorden op dat Jezus dat in hun eigen Joodse gemeenschap ook is overkomen. en in het vervolg blijkt dat zij zelf ook niet aan dat martelaarschap zijn ontkomen. Maar met overtuiging stellen ze dat het leven het toch heeft gewonnen en God woord heeft gehouden met de daad van opstand-ing. En dat de Joden en Grieken (en iedereen verder) dat als dè boodschap van geloof zouden moeten aanvaarden, als ze – zoals de apostelen dat verwoorden- gered willen worden. Sterker nog: Jezus en zijn volgelingen spreken nadrukkelijk van ”geloof”. In het Oude Testament komt dit woord- als aanduiding van het religieuze Godsbesef van de mens- in het geheel niet voor. De Handelingen geven, zoals ik het ervaar althans, de stap aan van “Gods trouw aan de mens, zoals betoond aan het volk van Israel “naar “Geloof van de mens in zijn heilsboodschap, bedacht aan alle mens op aarde”.
Op deze plaats geef ik een algemene leeservaring aan: in Handelingen, maar zo ook door het hele NT worden de woorden “geloof”, “geloven “veelvuldig gebruikt als aanduiding van wat wij ook bedoelen als religieus besef van een God, van Jezus, van de heilige Geest. Voorzover ik kon nagaan wordt in het hele OT deze woordkeus nimmer gemaakt. Een viertal malen wordt ” geloof” gebruikt in de zin van “geloof hechten aan”, zonder verwijzing naar een God. Eerder gaf ik al aan dat in het begin van Handelingen gesproken werd van “tot het geloof brengen””, alsof er voor de tijd van Jezus geen “geloof” zou zijn geweest. Het begrip bestond dus eigenlijk ook niet, als mijn leeservaring juist is. Ik denk dat in OT het woord “trouw, vertrouwen” de plaats heeft waar in NT door Jezus “geloof” is geïntroduceerd. Maar dan is het OT vooral gericht op de trouw van God aan de mens, terwijl in het NT de trouw/ geloof vooral gedoeld wordt op de attitude van de mens op God gericht.
In een soort tussenzin op deze plaats van de tekst wordt iets bijzonders gemeld. Uit Jeruzalem komen profeten naar Antiochie. Een van hen, een zekere Agabus, “voorspelde door de Geest” een grote mondiale hongersnood (en dat gebeurt ook, schrijft Lukas, tijdens de regering van Claudius, zie Flavius Josephus in “De oude geschiedenis van de Joden). De leerlingen besluiten giften te verzamelen en sturen Barnabas en Saulus met hun giften naar “de broeders en zusters in Judea). Een diaconale actie dus!
Handelingen 12
Herodes (Agrippa I) die goede vriendjes met de Joden wil blijven treedt hardvochtig op tegen de christenen. Hij doodt Jacobus (broer van Johannes) en arresteert Petrus. Petrus wordt zwaarbewaakt Hierop volgt een wonderlijk verhaal (van Lukas?) waar verteld wordt dat hij met hulp van een engel kan ontsnappen (“uit de handen van Herodes te bevrijden en me te behoeden voor wat het Joodse volk hoopte dat gebeuren zou”). Hij vertrekt met hulp van leerlingen van Judea naar Caesarea. Herodes is woedend en laat de bewaarders terecht stellen. Herodes vindt later de dood doordat hij zich aanmatigend (als een “god” volgens omstanders) gedroeg tegenover de inwoners van de plaatsen Tyrus en Sidon.
Tezelfdertijd verspreidde het woord van God zich. Barnabas en Saulus komen terug uit Jeruzalem nar Antiochie en nemen Johannes Marcus mee.
Handelingen 13
In de gemeente van Antiochie wordt inmiddels een uitzending (”de eerste reis” door de Heilige Geest geïnitieerd) geregeld voor Barnabas en Saulus, die vertrekken naar Seleucie en doorreizen naar Salamis op Cyprus. Johannes gaat met ze mee. In Salamis verkondigen ze Gods boodschap (dD: dus niet: Jezus’ boodschap!) in de synagogen van de Joden (!). Verder trekken ze naar Pafos. Daar worden ze geconfronteerd met een magiër, ”een valse profeet” (Elymas Barjezus), iemand uit de kring rond de proconsul Sergius Paulus. Deze laatste wilde wel wat meer over “het woord van God ”van Barnabas en Saulus horen, maar Elymas probeert hem van gedachten te veranderen en van het geloof af te houden. Saulus (en Lukas zegt op deze plaats dat hij ”ook bekend stond als Paulus”). treedt keihard op en verwijst hem naar het land der blinden () “de hand van de Heer zal u treffen”). De proconsul aanvaardde daarop het geloof, diep onder de indruk van wat hij over de Heer had geleerd. (dus enerzijds gaat hij overstag door het ingrijpen van Paulus, anderzijds onder de indruk van het geloofsverhaal).
Ze trekken verder en komen in Antiochie in Pisidie (dD: dat is een ander Antiochie. het is gelegen in Galatie, het huidige Turkije). Tijdens de sabbat krijgen ze van de leiders van de plaatselijke synagoge, na de lezing uit de wet en de profeten, de uitnodiging “een bemoedigend woord” te spreken.
13: 51 is een intrigerende tekst: “Maar zij schudden het stof van hun voeten omdat ze niets meer met hen te maken wilden hebben en vertrokken naar Ikonium “.
De uitdrukking “zij schudden het stof van hun voeten heeft Lukas ook gebruikt in zijn evangelieboek, o.a. hfdsk 9:5, (evenals Mattheus 10: 14, Marcus 6: 11), daar is het een uitspraak van Jezus zelf. ”Hij riep de twaalf bij zich en gaf hun macht en gezag over alle demonen, en de kracht om ziekten te genezen. Daarna zond hij hen uit om het koninkrijk van God te verkondigen en zieken te genezen. Hij zei tegen hen: ‘Neem niets mee voor onderweg, geen stok, geen reistas, geen brood en geen geld, en ook geen extra kleren. Blijf in het huis waar je onderdak hebt gevonden tot je van daar weer verdergaat. Als ze jullie niet willen ontvangen, schud dan het stof van je voeten ten teken dat je niets meer met hen te maken wilt hebben.’ Ze gingen op weg en trokken van de ene plaats naar de andere, terwijl ze het goede nieuws verkondigden en overal zieken genazen.”
Twee verklaringen van deze term zijn mogelijk± 1. Trek je schouders op en trek door. 2. Je zit niet meer onderdrukt op de grond, je mag recht op staan en laten zien dat je weet waar voor je staat+ schudt het stof van je onderdrukte positie af en ga verder met je werk. De eerste verklaring lijkt me nogal arrogant, de tweede heeft mijn voorkeur.
Handelingen 14
In Ikonium treden ze op in de synagoge en krijgen ook daar verzet van Joden, terwijl andere Joden en Grieken tot geloof kwamen. Paulus en Barnabas voelen de spanning tussen de groeperingen stijgen (er zou geweld kunnen worden gebruikt) en vluchten weg naar Lystra en Derbe in een ander deel van Lykonie om daar ook het evangelie te gaan prediken. In Lystra komen ze in een merkwaardige situatie: ze genezen een verlamde man, die naar hen zat te luisteren; de daar aanwezige Lykaniers verklaren hen tot goden (Zeus en Hermes) en de priester van Zeus gaat zelfs met bloemen getooide stieren offeren. Paulus en Barnabas scheuren van ontzetting daarover hun kleren en verklaren dat ze gewone mensen zijn. En dat het nu juist hun boodschap is dat er een levende God is, die “in het verleden alle volken hun eigen weg heeft laten gaan, maar heeft toch blijk gegeven van zijn goedheid: vanuit de hemel heeft hij u regen geschonken en vruchtbare seizoenen, hij heeft u overvloedig te eten gegeven en u zodoende vreugde gebracht. ’Vereer daarom geen afgoden’. Met moeite weerhouden ze de mensenmenigte van die offers. Maar er kwamen Joden uit Antiochie een Ikonium die hen weer ompraatten en dan stenigen ze Paulus zelfs. Ze denken dat hij dood is en slepen hem zelfs de stad uit. Leerlingen “gaan om hem heen staan” en toen kwam hij weer overeind, gaat de stad in en vertrekt de volgende dag met Barnabas naar Derbe.
In Derbe, en daarna terugkerend naar Lystra en Ikonium, verder reizend naar Pamfylie en Attila. verkondigen ze hun boodschap, bemoedigen ze de daar gevestigde leerlingen en stellen ze oudsten aan. De gemeenschappen krijgen structuur, er wordt “organisatie” ingevoerd.
Tenslotte gaan ze weer naar hun uitgangspunt, Antiochie, en doen daar verslag van hun reizen. Opmerkelijk de formulering van Lukas hier: brachten verslag uit van alles wat God door hen tot stand had gebracht. Ze vertelden hoe hij voor de heidenen de deur naar het geloof had geopend”. God wordt hier als de actor ten tonele gevoerd.
Handelingen 15
In Antiochie komt een cruciale discussie aan de orde: moeten niet-joden en heidenen die wel tot het geloof zijn gekomen, nu wel of niet besneden worden. Dat wordt door (Joodse) leerlingen uit Judea uitdrukkelijk ter sprake gebracht. De Joodse christenen zijn toch indertijd (als jongetje) ook besneden? Dat is toch het door Mozes overgeleverde gebruik? Na een hevige woordenstrijd wordt besloten dat Paulus en Barnabas naar Jeruzalem gaan om dit aan de apostelen en oudsten voor te leggen daar. Via Fenicie en Samaria en ontmoetingen aldaar komen ze daaraan en vertellen eerst over hun succesvolle reizen, De farizeeën komen dan ook met de besnijdenis-norm, de apostelen en oudsten komen erbij. Het wordt een heftige woordenwisseling. Nu gaat Petrus zich ermee bemoeien. (Hij heeft immers al veel eerder te maken gehad met die kwestie, zie het begin van hfdsk 11. bij zijn ontmoetingen in Joppe en daarna in Jeruzalem). Hij wijst in een pleidooi op Gods vertrouwen in de heidenen met de woorden: “Hij heeft geen enkel onderscheid gemaakt tussen ons en hen, want hij heeft hen door het geloof innerlijk gereinigd. Waarom wilt u God dan trotseren door op de schouders van deze leerlingen een juk te leggen dat onze voorouders noch wijzelf konden dragen? Nee, we geloven dat we alleen door de genade van de Heer Jezus gered kunnen worden, op dezelfde wijze als zij “. De aanwezigen zwijgen daarop en luisteren naar de reiservaringen van. Paulus en Barnabas. Lukas geeft dan Jacobus het woord, die Petrus ondersteunt door te wijzen op profeten-woorden. “Dan keer ik terug op mijn schreden. Ik zal het vervallen huis van David herbouwen, uit het puin zal ik het weer opbouwen. Ik zal dit huis doen herrijzen, zodat de mensen die overgebleven zijn de Heer zullen zoeken, evenals alle heidenen over wie mijn naam is uitgeroepen. Zo spreekt de Heer, die dit van oudsher heeft aangekondigd.”
Opmerking: “de mensen die overgebleven zijn “: ik vermoed dat deze uitdrukking refereert aan meerdere passages uit Jesaja, waar de theologische duiding “rest van Israel” aan is gegeven. Lietaert Peerbolte wijst met de titel van zijn boek:” Paulus en de rest van Israel” hier ook op.
Hij vervolgt met zijn mening dat de heidenen geen al te zware lasten moeten worden opgelegd. De afgodendienst, die moeten ze afleggen, van ontucht en van het eten van vlees waar nog bloed inzit en het bloed zelf. Datzelfde pleidooi wordt door de aangewezen profeten Judas en Silas ook in Antiochië, waar ze met Paulus en Barnabas naar toe reisden, in de gemeente gehouden. De laatste twee blijven daar nog enige tijd om de boodschap te verkondigen.
Wat als tweede zendingsreis is betiteld gaat nu starten: Paulus wil de gemeenten waar ze tot dusver de boodschap hebben verkondigd gaan bezoeken. Maar niet na een incident: voordat ze vertrekken uit Antiochië is er al ruzie Barnabas, die met Paulus mee zou gaan, wil Johannes Marcus meenemen, maar daar vis Paulus mordicus tegen) Johannes heeft hen eerder al eens in de steek gelaten). End van de ruzie is dat Barnabas en Marcus naar Cyprus vertrekken, Paulus neemt Silas mee. Paulus reist via Syrië en Cilicie (waar hij gemeenten bemoedigt) ….
Handelingen 16
…. naar Derbe en Lystra. In Lystra ontmoet hij een zekere Timotheus, behorend tot de gelovige bevolking, die hij als reisgenoot mee wil nemen. T. is zoon van een Joodse moeder en een niet-Joodse vader. Paulus laat hem dan eerst besnijden (!) “ter wille van de Joden in Lystra en Ikonium, die immers allen wisten dat Timotheus een niet-Joodse vader had.
Opmerkelijke actie: Paulus is streng in de leer in Joodse setting (of bang voor reuring?). Staat hij nu wel of niet aan de kant van Petrus als het om de heidenen gaat? Dat lijkt wel zoals je de vervolgtekst leest:
Op hun tocht langs de steden stelden ze de gemeenteleden op de hoogte van de besluiten die door de apostelen en de oudsten in Jeruzalem waren genomen en droegen hun op zich daaraan te houden.
De reis gaat door naar de kust (de Heilige Geest verhinderde hen om in Asia en Bitynie het woord te verkondigen) en in Troas krijgt Paulus een visioen:” Kom over naar Macedonie om te helpen”. En dan vers 10: “Toen Paulus dit visioen had gezien, wilden we meteen naar Macedonië vertrekken, omdat we eruit opmaakten dat God ons geroepen had om aan de mensen daar het evangelie te verkondigen “.
Het plotselinge omschakelen van de persoonsvorm van “zij” naar “wij/ons” in de tekst is bijzonder. Dat wordt nog een paar verzen volgehouden, t/m vers 17 en daarna wordt weer teruggeschakeld naar de “zij”- vorm. De vraag is waarom Lukas dit hier doet? Ook in de Statenvertaling wordt deze taalvorm zo toegepast. Het zal later (hfdst 20), en dan ook weer in Troas, en in hfdst 27/28 weer worden gedaan.
Ze steken over, trekken naar Filippi in Macedonie, een stad die volgens Romeins recht werd bestuurd. In de dagen die ze daar waren vinden twee bijzondere ontmoetingen plaats.
Een met Lydia, die ze aantroffen bij de rivier waar ze al vermoeden dat daar een gebedsplaats was. Zij handelde in purperstoffen en kwam uit een naburige plaats (Tyatira). Ze vereerde God, opende haar hart voor de woorden van Paulus, werd met haar huisgenoten gedoopt. Ze zei met klem i:” Als u ervan overtuigd bent dat ik in de Heer geloof, neem dan bij mij uw intrek”. Dat aanbod nemen ze aan.
Let op de redenering: het gaat niet erom of zijzelf vindt dat ze gelooft, maar of Paulus ervan overtuigd is”.
Een geheel andere ontmoeting, ook weer bij die gebedsplaats bij de rivier, is met een waarzegster. Die is als slavin in dienst en verdient veel geld voor haar eigenaars. Ze liep Paulus en Silas dagen achter hen aan, schreeuwend: Deze mensen zijn dienaren van de allerhoogste God en verkondigen hoe u gered kunt worden”.
Let hier ook op de redenering: het gaat haar niet om geloof en vertrouwen, maar om negatieve aandacht vragen voor de praktijken van Paulus en Silas.
Paulus kreeg er genoeg van en ziet het als de werking van een geest die haar bezat; hij spreekt in de naam van jezus om de geest haar te doen verlaten. Dat gebeurt dan ook. Haar waarzegpraktijk komt stil te liggen.
Dit incident heeft inderdaad kwalijke gevolgen. De eigenaars van de waarzegster (ze heeft geen naam in dit verhaal) klagen Paulus en Silas aan als “marktbedervers” (ze krijgen geen inkomsten meer uit de waarzeggerij), sleuren ze voor de openbare – Romeinse – bestuurders. Nadat hun kleren afgescheurd zijn en lijfstraffen (een groot aantal stokslagen) opgelegd door die bestuurders worden ze vastgezet (met hun voeten in een blok) in de gevangenis. Daarna vinden er een aantal opvallende gebeurtenissen plaats. De celdeuren en sloten van hun boeien springen’ s nachts open door een hevige aardbeving, maar Paulus en Silas gaan daar niet weg. De cipier die opdracht had hen goed te bewaken, raakt in grote paniek (wil zelfs zelfmoord plegen) en vraagt Paulus en Silas hoe hij “gered” kan worden (hij neemt de woorden van de waarzegster over). Paulus en Silas vertellen hem van het geloof in de Heer Jezus (ditmaal dus niet het geloof in God als formulering) en dat dat hem en zijn huisgenoten zal redden. De cipier neemt hen mee, verzorgt hun wonden, komt tot geloof, wordt met zijn huisgenoten gedoopt, zet een maaltijd voor. “Hij en zijn huisgenoten waren buitengewoon verheugd dat hij nu in God (!!) geloofde. De stadsbestuurders horen wat er gebeurd is en proberen hun fout te herstellen door de cipier op te dragen hen (“heimelijk”, zoals Paulus dat interpreteert)) vrij te laten. Paulus laat dat niet zomaar gebeuren; hij vindt dat de bestuurders – die hen zonder proces lijfelijke straffen in de vorm van stokslagen hebben laten geven- zelf naar hen toe moeten komen om ze vrij te laten. Dat gebeurt, de bestuurders “doen het in hun broek” als ze horen dat het ook nog om Romeinse staatsburgers gaat. Paulus en Silas gaan daarna weer naar het huis van de purperverkoopster Lydia, “waar ze de gelovigen aantreffen” Ze spreken ze bemoedigend toe en vertrekken.
Handelingen 17
Paulus en Barnabas reizen door naar Tessalonica. Ze nemen hun intrek bij een zekere Jason. In de synagoge debatteert hij dagen actereen met de Joden daar. Nu is de boodschap: “De teksten in de Schrift (Tora en profeten) laten al zien dat een (komende) messias moest lijden, sterven en uit de dood moest opstaan. En ik verkondig u dat het Jezus (uit Nazareth) is die de bedoelde messias is”.
Bepaalde groepen uit de bevolking daar laten zich overtuigen (sommige joden uit de synagoge, veel Grieken die God vereerden en een groot aantal “vrouwen uit de hogere kringen”). Daartegenover werden andere Joden jaloers, hitsten raddraaiers op, die grote beroering in de stad teweegbrengen. Ze zoeken Paulus en Silas bij Jason, vinden ze niet en ze slepen Jason naar de stadsprefecten en beschuldigen hem van het onderdak verlenen aan “mensen die het hele rijk verstoren …door te beweren dat iemand anders koning is, namelijk Jezus”. Er ontstaat verwarring bij de bevolking en de stadsprefecten, waarna Jason en de anderen op borgtocht worden vrijgelaten.
Paulus en Silas worden dan terstond door de leerlingen uit Tessalonica naar Berea gestuurd, waar een welwillender publiek in de Synagoge hun boodschap aanhoort. Zowel Joden, als Griekse mannen en vooraanstaande vrouwen aanvaarden het geloof. Maar dan komen er toch weer mensen uit Tessalonica hen achterna en beginnen relletjes in Berea. Paulus gaat snel naar de kust, richting Athene, Silas en Timoteus worden ook In Athene
In Athene ontmoet Paulus Joden in de Synagoge en Grieken die God vereren en beleeft hij de confrontatie met de beelden van vele goden in Athene en worden hem kritische vragen gesteld door (epicurische en stoïcijnse filosofen) en nodigen deze hem uit in de Areopagus. (pikant: ze denken dat Paulus een boodschapper van uitheemse goden is: Jezus en Opstanding). Daar houdt Paulus een magistrale rede.
__________________________________________________________________ Wikipedia:
De Areopaag of Areopagus (Oudgrieks: Ἄρειος πάγος/ Áreios págos) is een 115 meter hoge heuvel ten noordwesten van de Akropolis. De gelijknamige hoogste rechtbank van het oude Athene was er gevestigd. Deze rechterlijke instelling deed dienst als een ‘raad van toezicht’ en moest waken over het correct verlopen van wetten en handelingen. De god Ares zou er door de goden zijn berecht voor de moord op Poseidons zoon Halirrhothius. Volgens een andere legende werd op de Areopaag Orestes berecht voor het doden van zijn moeder Klytaimnestra en haar geliefde Aegisthus. Dit verhaal is de basis voor de Orestie van Aeschylus. De oorsprong van de naam is niet helemaal duidelijk. Pagos is Grieks voor grote steen of rots. Areo- kan zijn afgeleid van de oorlogsgod Ares of van de Erinyen (Furiën). Aan de voet van de heuvel stond een tempel gewijd aan de Erinyen waar moordenaars hun toevlucht konden zoeken om niet berecht te worden. Vlak bij de heuvel werd ook de basiliek van Dionysius de Areopagiet gebouwd. Voor de 5e eeuw v.Chr. was het de plaats van de Atheense senaat (zie ook archont). In 462 v.Chr. voerde Ephialtes hervormingen door en de Areopaag werd alleen nog maar een rechtbank voor moordzaken. In de 4e eeuw v.Chr. werd de functie uitgebreid met het onderzoeken van corruptie, maar voor het veroordelen van mensen daarvoor was nog steeds de volksvergadering nodig.
__________________________________________________________________
Paulus richt zich tot de filosofen met de volgende redenering: U bent buitengewoon godsdienstig, want naast al de goden die u vereert, heeft u ook een altaar opgericht “Aan de onbekende God”. En die God, die kom ik u verkondigen. Die God, schepper van de wereld en al wat er leeft, woont niet in door mensenhanden gemaakte tempels en laat zich ook niet bedienen door mensenhanden alsof hij nog iets nodig heeft. Die God schenkt juist aan iedereen leven en adem en al het andere.
Dus: wat in jullie Griekse cultuur de manier is om met goden om te gaan – tempels en altaren oprichten, aanbidding en offeren alsof ze daar wonen en vereerd willen worden- dat is niet aan de orde bij de God dien ik verkondig. Deze God heeft het leven en mensen en’ al het andere’ geschapen, niet andersom.
Hij heeft uit één mens de hele mensheid gemaakt, heeft deze over de hele aarde verspreid; voor ieder volk heeft hij een eigen tijdperk en een eigen woongebied vastgesteld.
(dit lijkt de geschiedenis van de opkomst van de wereldrijken wel à la Homo Sapiens wel!).
En het was Gods bedoeling juist dat de mensen hem zouden zoeken en al tastend zouden kunnen vinden, want hij is dicht bij ons. Sterker nog, in hem leven wij, (“…bewegen en zijn”), zoals jullie dichters hebben gezegd “Uit hem komen wij ook voort”. Maar je moet daaruit niet de conclusie trekken dat het Goddelijke door mensen is bedacht, en door een ambachtsman is gemaakt gelijk aan een beeld van goud of zilver.
(Hier gebruikt Paulus n.m.m. heel bewust een transcendent Godsbeeld dat aansluit op het Griekse denken?)
Maar weet dat God niet achteromkijkt, hij slaat geen acht op de tijd dat (jullie?) hem niet kenden. Hij roept de mensen nu op om een nieuw leven te beginnen. Hij zal op een door hem bepaald tijdstip door een door hem aangewezen mens (man) een rechtvaardig oordeel over de mensheid laten vallen. En die man dat is Jezus waarover wij hier spreken en God heeft het bewijs geleverd dat hij dat is door hem uit de dood te doen opstaan.
Het slot van zijn toespraak volgens de laatste twee zinnen is de cruciale wending in zijn redenering. De man, die God uit de dood liet opgestaan, is ook door God uitgekozen om een oordeel te vellen. Let wel: Jezus wordt hier alleen aangeduid als “deze man”. Geen woorden als messias, zoon van God, e.d.)
De reacties zijn gemengd. Sommigen spotten met de opstandings-uitspraak, anderen willen er wel eens wat meer over horen en enkelen aanvaarden het geloof en laten zich dopen. Handelingen 18
Paulus trekt door naar Korinthe. Lukas geeft hier een blik op de politieke situatie: Paulus ontmoet nl een uit Rome gevlucht Joods echtpaar (Aquila, die oorspronkelijk uit Pontus kwam en zijn Italiaanse vrouw Priscilla). Gevlucht omdat keizer Claudius de Joden uit Rome verdreef. Hij trekt bij hen in; Aquila is net als Paulus leerbewerker en hij gaat ook bij hem werken. Zo krijg je ook een inkijkje in de wijze waarop de rondtrekkende apostelen in hun levensonderhoud moeten voorzien. Maar iedere zondag spreekt hij in de synagoge de Joden en Grieken toe “om hen te overtuigen”. De Joden vooral getuigt hij dat Jezus de messias is.
Lukas verhaalt in deze setting (18: 6en 7) van twee “handelingen” van Paulus die opmerkelijk genoemd kunnen worden. de eerste is de aanduiding van Paulus “houding tegenover de onverzettelijke opstelling van de Joden. “…schudde hij het stof van zijn kleren …”. Die uitdrukking gebruikte Lukas ook al in 13: 51, als reactie van Paulus en Barnabas in Pisidie waar zij bij de Joden ook een vijandige houding ondervonden. En daar schreef ik dat diezelfde uitdrukking door Lukas in zijn evangelieboek ook al is gebruikt als advies van Jezus aan zijn leerlingen. Ook nu heb ik meer en meer voorkeur om die uitdrukking de betekenis te geven van “houdt je rug recht, niets van aantrekken”. Paulus trekt zich er ook niets van aan, voegt de Joden, die zich zo misdragen, toe: “U roept zelf het onheil over u af! Mij treft geen blaam. Voortaan zal ik me tot de heidenen richten` Een tweede, de daad bij het woord voegend, direct daaropvolgend `statement `van Paulus: `Hij verruilde de synagoge voor het huis van Titis Justus….wiens huis naast de synagoge stond`. Dat is revolutionair, alsof hij wil zeggen: ik heb voor mijn werk de synagoge niet meer nodig, ik ga naar “de heidenen” die daarnaast wonen.
Wat bij dit laatste wel moet worden opgemerkt is de omstandigheid dat de woorden “Hij verruilde de synagoge voor het huis van Titus “alleen in de NBV zijn opgenomen. In de Statenvertaling en in de NBG 1951 komt deze zinsnede niet voor. In de laatstgenoemde vertaling staat: “En hij vertrok vandaar en kwam in het huis van iemand, genaamd Titius Justus, die God vereerde wiens huis naast de synagoge stond.”
18:8
Paulus krijgt bijval van de leider van de synagoge, Crispus, die zich met vele anderen uit Korinthe laat dopen. Paulus blijft dan nog 1 1/2 jaar aldaar. Wel meldt Lukas nog een affaire met de joden. die de Romeinse proconsul voor hun karretje willen spannen om Paulus te veroordelen. DE proconsul wijst hun aanklacht van de hand. Paulus reist na enige tijd af naar Syrië (met kaalgeschoren hoofd i.v.m. zijn gelofte), en passeert Efeze (waar hij Priscilla en
Aquila achterlaat) en zelfs ondanks verzoeken uit de joodse synagoge (!) om te blijven doorreist via Jeruzalem, de basis, weer door naar Antiochie. Paulus gaat na enige tijd vandaaruit weer op reis door Galatie en Frygie (Klein Azië), spreekt daar de leerlingen daar moed inspreekt. en trekt door naar Efeze. Daar was vlak daarvoor een ontmoeting geweest tussen Priscilla en Aquila met een Jood uit Alexandrië, Apollos. Deze laatste was goed op de hoogte met de boodschap van de Nieuwe Weg van de Heer en verkondigde die vrijmoedig ook in de synagoge.
Hier komt een interessante kwestie aan de orde: Apollos was in zijn kennis over de Weg van de heer nog blijven steken in de doop van Johannes, Priscilla en Aquila leggen hem (even terzijde genomen) uit “wat de weg van God precies inhield “. En hier zien we weer dat de boodschap van de apostelen ten principale gaat over Jezus die geleden heeft en door God is opgestaan uit de dood”. Jezus is door God als messias uitgekozen. God ter sprake brengen, dat is het. En Priscilla en Aquila zijn enthousiast over Apollos en stimuleren zijn reisplan om naar Achaje (Korinthe) te gaan. Het zout wordt nog even in de wond van de Joden gewreven, want Lukas vermeldt dat Apollos succes heeft “want hij slaagde erin de Joden in het openbaar in het ongelijk te stellen door op grond van de schriften aan te tonen dat Jezus de messias is. (Mijn interpretatie; De joodse opvatting over het messias-schap van Jezus was nl afgewezen, want er was in de Profeten er wel voorspeld, maar het nieuwe koninkrijk wat zij ervan verwachten, was door Jezus niet waar gemaakt dus kon Jezus in hun ogen niet de Messias zijn).
Handelingen 19
En even later komt Paulus na zijn reis door Klein-Azië aan in Efeze. Nogal kritikasterig vertelt Lukas dat hij daar bij leerlingen ( die door Apollos waren onderwezen en tot het geloof waren gekomen) ) eerst nog het door hem geconstateerde misverstand uit de weg ruimt dat de doop door Johannes de basis van hun geloof zou zijn; het geloof in Jezus en het werken van de Heilige Geest wordt door Paulus er nog even goed ingeprent en zij ( het ging volgens Lukas om 12 mensen) lieten zich dopen in de naam van Jezus, de handen werden opgelegd en de Geest daalde op hen neer “ zodat ze in klanktaal gingen spreken. Paulus werkt een aantal maanden in Efeze. Ook nu begint hij zijn (Joodse) gehoor aan te spreken in de synagoge, maar daar wordt weerstand geboden tegen zijn verkondigingen en hij vertrekt daar met zijn leerlingen om dagelijks in de school van Tyrannus te spreken, waar zowel Joden als Grieken bij elkaar komen.
Dit lijkt een beetje op wat eerder werd vermeld over zijn overgang naar het “huis naast de synagoge” tijdens zijn verblijf in Antiochie.
Lukas beschrijft dan hoe Paulus geconfronteerd wordt met zieken, waarvan hij zegt dat Paulus ze geneest door zelfs zijn doeken en werkkleren bij ze te brengen, zodat ze genezen en de boze geesten hen verlaten Het verdrijven van boze geesten krijgt nog een merkwaardig staartje: er is een hogepriester uit de Joodse gemeenschap die zeven zonen heeft die rondtrekken en geestenbezweerders-praktijken uitoefenen en daarbij de naam van Jezus en Paulus aan roepen. De boze geest, die door Paulus verdreven was (?). zo schrijft Lukas, stelt daar een kritische vraag over (“wie zijn jullie eigenlijk”?); de man die genezen was – door Paulus- wordt zelfs furieus en valt hen met geweld aan, zodat ze “naakt en gewond” wegvluchten. Dit voorval maakt indruk op de Joodse en Griekse inwoners van Efeze (en ze eren daarbij de naam van de Heer Jezus). Nog sterker: veel inwoners, die kennelijk ook dit soort praktijken beoefenden, biechten dit op, en een aantal die magie bedreven, verbranden publiekelijk hun boeken. “Toen de waarde ervan werd berekend, kwam men uit op een bedrag van vijftigduizend zilverstukken “. Lukas sluit de vermelding van dit incident af met “”Zo zegevierde het woord van de Heer en vond het steeds meer gehoor”.
Het is een bijzonder staaltje geloofsverkondiging om de “zonde” zo plastisch in een geldbedrag uit te drukken.
Paulus wil dan eigenlijk door naar Macedonie en Achaje en daarna naar Jeruzalem. Maar hij wordt opgehouden in Efeze doordat weer een bijzonder incident plaats vindt. De plaatselijke zilversmid, die Artemistempeltjes vervaardigde en aan de man bracht, vindt dat hij sterk in de wielen wordt gereden door Paulus, die, zoals hij zegt, de bevolking ervan probeert te overtuigen dat “goden die door mensenhanden worden gemaakt geen goden zijn”.
(er wordt hier kennelijk gedoeld op de toespraak op de Areopagus in Athene) zie ie 17: 2229).
En de zilversmid, Demetrius, waarschuwt de bevolking voor aantasting van de goede naam (en verlies van inkomsten, bedoelt hij waarschijnlijk ook) van het zilverambacht, maar ook voor aantasting van de naam van de Godin Artemis en de tempel aan haar gewijd. De Griekse bevolking, is hevig ontsteld en er wordt amok gemaakt in het theater (“groot is de Artemis van Efeze”)., er worden reisgenoten van Paulus bedreigd, een plaatselijke Joodse bestuurder (?), Alexander, krijgt geen gelegenheid om een en ander te verdedigen, Paulus wordt door leerlingen en bevriende stedelijke functionarissen, buiten het geweld gehouden.
En dan brengt de stadssecretaris rust in de tent. Hij zegt: ‘De tempel van Artemis wordt door onze stad zorgvuldig beheerd, daar is bij niemand twijfel over. En deze mannen, Paulus en zijn vrienden, hebben niets ten nadele van Artemis of de tempel ondernomen. Als Demetrius en zijn ambachtslieden met iemand een geschil hebben, moeten ze de daarvoor aangewezen weg volgen en bij het gerecht en de bestuurders een aanklacht indienen. Ook als jullie daarnaast nog iets willen aankaarten, wordt dat op een officiële volksvergadering besproken. Doe verstandig en blijf rustig, we worden dadelijk nog ter verantwoording geroepen voor al die onlusten van vandaag, die niet zijn goed te praten. ‘
Handelingen 20
Paulus steekt de leerlingen in Efeze een hart onder de riem en vertrekt. Eerst naar Macedonië, en gaat, de gelovigen op zijn doorreis moed insprekend, door naar Griekenland. Wil door naar Syrië, wordt gewaarschuwd voor opstandige Joden en maakt een omweg via terug weer naar Macedonie. Met een aantal bekenden uit de regio komt hij in Troas.
In de reisbeschrijving wordt door Lukas op deze plaats voor de tweede maal in de tekst voor “wij” als actor(en) gekozen. “Wijzelf voeren na het feest van het Ongedesemde brood weg uit Filippi en kwamen …in Troas aan. “Wie nu eigenlijk die “wij” precies zijn, is niet duidelijk. Niet
Paulus, want die gaat over land met zijn vrienden naar Troas. (zie ook Handelingen 16:10). De “wij-vorm gaat – zij het sporadisch- door tot bijna het eind (28: 11)
In Troas – waar ze een week blijven- vindt een merkwaardig incident plaats. Paulus houdt een ellenlange toespraak (tot midden ion de nacht) tegen de leerlingen. Daar valt een jongen, die in slaap was gevallen, uit de vensteropening van de derde verdieping naar beneden, voor de omstanders zo te zien, dood. Paulus brengt hem weer tot leven, gaat nog lang door met spreken (na wat brood te hebben gegeten). “De leerlingen namen de jongeman …met zich mee en voelden zich gesterkt door wat er was gebeurd. “
Dan vertrekken ze, een groep per schip, Paulus over land per voettocht voegt zich later bij hen op het schip. Via via komen ze in Milete, iets ten zuiden van Efeze, waar hij bewust niet naar toe wilde om niet langer opgehouden te worden om op het Pinksterfeest in Jeruzalem te kunnen zijn. Wat hij daar in Milete vervolgens wel doet, is “de oudsten” uit Efeze laten vragen bij hem te komen. Hen spreekt hij hen emotioneel toe. Kernpunt is dat hij voorziet dat de gelovigen in Efeze een moeilijke tijd tegemoet zullen zien (“woeste wolven dringen bij u binnen”, zoals hij ook ervaren heeft op zijn reis door Klein Azie, waar hij de beproevingen van de samenzweringen van de Joden moest doorstaan. Hij wijst erop dat hij alles eraan heeft gedaan om hun welzijn, door hen op te roepen tot bekering tot God en geloof in Jezus, wat hij kon doen door de werking van de Heilige Geest (weer alle drie in een adem. En dat hij dat gedaan heeft aan Joden als aan Grieken.
Hij voorziet ook dat hij de Efeziërs niet meer terug zal zien. Hi krijgt overal de waarschuwing dat zijn leven niet veilig is. Maar hij persisteert om gewoon door te gaan en niet op te houden. Tot slot roept hij hen ook op tot diaconale dienst en hulp aan de zwakken, gedachtig Jezus’ woorden: ”Geven maakt gelukkiger dan nemen”.
Het afscheid is emotioneel. De oudsten uit Efeze beseffen dat ze hem niet meer zullen tergzien.
Handelingen 21
Op de verdere doorreis naar Jeruzalem wordt hij eerst in Tyrus door leerlingen gemaand niet door te reizen en in Caesarea nog geconfronteerd met waarschuwingen door daar werkende profeten. De gordel van Paulus wordt gebruikt om kracht bij die waarschuwing te zetten (deze man zal door de joden in Jeruzalem met zijn gordel worden vastgebonden). Paulus laat zich niet vermurwen en “deden we er het zijgen toe en zeiden alleen nog “Laat gebeuren wat de Heer wil”.
Aangekomen in Jeruzalem ontmoet hij de oudsten bij Jacobus en vertelt hij hen van zijn verkondigingswerk “onder de heidenen”. Zij prezen en eerden God. Maar ze wijzen Paulus er (fijntjes?) op dat er een gerucht door Jeruzalem gaat dat hij de vele Joden die onder de heidenen wonen en het geloof aanvaard hebben, zou wijs maken dat zij hun kinderen niet hoeven te besnijden (dat was nl wel aan de heidenen toegestaan eerder) en zich niet aan de voorschriften van Mozes zouden hoeven te houden. Ze verzoeken hem om middels een speciaal ritueel dit ongedaan te maken. het ritueel bestaat uit met vier aangewezen mannen (die de gelofte hebben afgelegd) zich laten reinigen, kosten van offers betalen zodat de vier hun haar kunnen afscheren. Zogezegd zogedaan.
In Jeruzalem zijn wat Joden uit Asia en zien Paulus in de tempel bezig. Ze hitsen de Joodse bevolking in Jeruzalem op tegen Paulus (“hij keert zich tegen de wet en de tempel) en hij wordt uit de tempel gesleurd; ze proberen hem zelfs te doden. De Romeinse militaire cohort- leider (tribuun) aldaar bemoeit zich er mee, het volk houdt op, Paulus wordt gearresteerd. Het volksoproer houdt aan, de tribuun begrijpt niet goed wat er gaande is. Hij hoort Paulus Grieks spreken, wil meer weten en Paulus zegt een Jood, geboren in Tarsus te zijn, vraagt het woord te mogen nemen.
Op de trappen van de kazerne spreekt Paulus de menigte toe. In het Hebreeuws, en het wordt meteen stiller.
Handelingen 22
Hij vertelt dat hij een missie heeft. En dat doet hij met het verhaal van zijn bekering in Damascus. En schetst hoe hij als joodse jongen uit Tarsus, braaf in de leer (“aan de voeten van”) bij de Farizeïsche wetsleraar Gamaliel (zie ook hfdst 5) tot een gedreven en hardvochtig vervolger van de “aanhangers van de Weg” uitgroeide. En dat hij dat als vurig dienaar van God deed “net als jullie dat zijn”. Hij verhaalt dan van de ommekeer in zijn leven op zijn reis naar Damascus; een stem die zegt Jezus te zijn, een lichtflits die hem verblindt en de opdracht die hij krijgt om naar Damascus te gaan. Dat hij, begeleidt door zijn reisgenoten, daar aankwam en door een man, Ananias, in hoog aanzien daar, wordt aangesproken, weer normaal kan zien. Paulus (daar nog Saulus genaamd) vertelt verder dat van Ananias te horen krijgt dat hij door de God “van onze voorouders” uitgekozen is om bekend gemaakt te worden met diens wil, om de rechtvaardige te zien en te horen spreken (bedoeld is, volgens mij, Jezus). Want, zo had Ananias gezegd, dan kan en zal je ook zijn getuige zijn en aan alle mensen verkondigen wat je gezien en gehoord hebt. En Ananias spoort hem aan te laten dopen in zijn naam. Vervolgens verhaalt hij dat een stem (van Jezus) hem aanspoort om Jeruzalem te verlaten (“want ze zullen van jou geen getuigenis over mij aanvaarden”. Na wat verweer overtuigt de stem hem die hem zegt te gaan, “want ik wil je naar de heidenen sturen, ver van hier”.
De menigte is wel even stil geweest maar slikt de missie-boodschap geheel niet. We, met die man, schreeuwen ze, gooiden met hun mantels en wierpen stof in de lucht.
(“stof in de lucht werpen “door de Joden associeer ik met de eerdere vermeldingen dat apostelen “het stof van de voeten schudden” na de opstandige houding van toehoorders; je zou het als een samenhangend beeld kunnen zien: je tegenstanders werpen in woede stof in de lucht en jij, schudt dat stof van je voeten, recht je rug en loopt door).
De tribuun wil Paulus dan met fysiek geweld laten verhoren. En dan doet Paulus een slimme zet: hij beroept zich op het feit dat hij Romeins burger is en vraagt de Romeinse m, militairen of zij een Romeins burger mogen geselen (en ook nog zonder proces). De tribuun schrikt zich een hoedje, laat Paulus, wel gevangengenomen, met rust. De volgende dag laat hij het Sanhedrin en de hogepriesters bij hem konen en ook Paulus. Hij laat Paulus zijn verhaal doen.
Handelingen 23
Aan het begin is er een incident met de hogepriester Ananias die, als Paulus zegt dat hij voor God een zuiver geweten heeft, hem voor zijn mond wil laten slaan. Paulus geeft hem ervanlangs, noemt hem huichelaar, maar wordt dan weer terechtgewezen over het feit dat hij een hogepriester uitscheldt. Dat neemt Paulus, cynisch, dat wel, ter harte. En vlak daarop probeert hij een wig te drijven tussen de Sadduceeen en de Farizeeërs binne3n het Sanhedrin. Hij beroept zich op het feit dat hij een farizeeër is, en de opstanding predikt. De farizeeërs aanvaarden de mogelijkheid van opstanding (en geesten en engelen) en de sadduceeen niet. Schriftgeleerden onder de farizeeën nemen het op voor Paulus, tumult breekt los. De tribuun brengt Paulus in veiligheid in de kazerne. Hij hoort daar in de nacht de stem van Jezus die hem moed inspreekt en zegt dat hij, net als hier doet in Jeruzalem, ook in Rome (!) van hem moet getuigen.
Hier wordt dus het ultieme reisdoel voor Paulus uitgestippeld: Rome
Inmiddels beramen een aantal fanatieke Joden een moordaanval op Paulus. Ze proberen de hogepriesters en de oudsten van de Joodse Gemeenschap voor hun karretje spannen door Paulus in een hinderlaag te lokken. Een neef van Paulus (zoon van zijn zuster) krijgt daar lucht van en weet dit te verijdelen, doordat hij Paulus waarschuwt en die op zijn beurt de legerleiding op de hoogte stelt. De tribuun (zijn naam wordt hier genoemd: Claudius Lysias) bepaalt daarop Paulus onder zware beveiliging snachts naar Caesarea te brengen, naar de Romeinse procurator Felix. Caesarea is de stad waar de Romeinse bestuurders woonden. (en recht spraken?) Hij stuurt een brief aan Felix mee met de vraag of hij de aanklachten van de Joden tegen de (Romeinse burger) Paulus wil onderzoeken. Felix neemt de zaak serieus, hoort dat Paulus uit Sicilië afkomstig is, en zegt hem te willen verhoren wanneer zijn aanklagers er ook zijn. Vijf dagen later is het zover, Ananias de hogepriester, komt aan met oudsten en zelfs een advocaat (Tertullus). De aanklacht wordt ingediend en Tertullus doet het woord. Zijn redenering is slim; hij prijst de procurator om zijn beleid jegens het Joodse volk (“we kunnen door u in duurzame vrede leven”) en wijst vervolgens op de het te veroordelen optreden van Paulus (“deze man”, zijn naam wordt niet genoemd). Hij karakteriseert Paulus als “een pest “, overal ter wereld onlusten onder de Joden veroorzakend. Het is de sekteleider van de Nazoreers en heeft zelfs de tempel willen ontwijden.
Daarop krijgt Paulus het woord. Hij vertrouwt op de procurator “die al jaren recht spreekt over het Joodse volk”. Hij wijst erop dat hij pas 12 dagen geleden naar Jeruzalem kwam om God te aanbidden; dat hij geen debatten had uitgelokt of volksoploop had veroorzaakt., niet in de tempel, niet inde synagoge of elders in de stad. Dat hij juist vanuit de geloofsovertuiging van de Weg (die zij dus een sekte noemen) de God van onze voorouders dien, en geloof wat de Wet en de Profeten ons zeggen. En dat hij, nota bene, net al; s zijn aanklagers hoopt en verwacht dat God zowel de rechtvaardigen als de onrechtvaardigen uit de dood zal doen opstaan. Hij daagt zijn aanklagers uit om bewijs te leveren voor hun aanklacht. Hij suggereert dat zijn uitspraak voor het Sanhedrin in Jeruzalem “Omwille van de opstanding van de doden sta ik vandaag voor u terecht” de reden zou kunnen zijn.
Deze redevoering van Paulus benadrukt weer nadrukkelijk dat hij (met de apostelen) twee argumenten in hun boodschap centraal stellen. De eerste is dat het om de God van onze voorouders gaat waar zij het geloof op baseren. De tweede dat die God de mensen uit de dood doet opstaan ”rechtvaardigen en onrechtvaardigen”. En dat dat niet afwijkt van wat zijn aanklagers geloven. Het woord Jezus komt in de rede, zoals Lukas deze opschrijft, niet voor. Ik vind dit een steeds terugkerend beeld in Handelingen.
Felix lijkt niet van plan om Paulus af te vallen. Hij laat hem onder een mild regime en garantie van goede zorg onder arrest houden, tot de tribuun Lysias zal komen, zoals hij zegt. Maar hij weet toch eigenlijk niet goed wat hij met Paulus aan moet. Met zijn vrouw (Drusilla, een Jodin) gaat hij in de gevangenis bij hem op bezoek om te horen wat Paulus voor boodschap over Jezus heeft. En dan ontstaat er de situatie dat Felix Paulus hoort spreken over “gerechtigheid en zelfbeheersing en over het komende oordeel van God”. En dan schrijft Lukas dat Felix bang wordt en het gesprek beëindigt. Hij stuurt hem weer naar de gevangenis. Lukas suggereert dat Felix hoopt dat Paulus hem wel geld zal aanbieden (corruptie om vrij te komen?) en hem daarom steeds weer voor een gesprek uitnodigt. Dat duurt lang, twee jaar; om de Joden ter wille te zijn houdt Felix hem al die tijd in gevangenis. Dan wordt Felix als procurator opgevolgd door Porcius Festus.
Handelingen 25 en 26
De Joodse leiders gaan onmiddellijk aan de slag om de zaak van Paulus bij Festus aanhangig te maken. Hun poging om Paulus van Caesarea naar Jeruzalem over te laten brengen., strandt. Festus maant de Joden mee3 te gaan naar Caesarea. Er ontstaat al gauw een conflict tijdens de rechtszitting die Festus snel organiseert. Paulus wordt gedaagd zich tegen de Joden te verdedigen, wijst erop dat hij de Joden niets heeft misdaan. Op een diplomatieke vraag van Festus of hij bereid is om te gaan naar Jeruzalem om daar terecht te staan antwoordt Paulus dat hij terecht staat voor de keizerlijke rechtbank en zich alleen voor de keizer wil verantwoorden, niet voor de Joden. Festus geeft dan- heel slim- aan: “U hebt u beroepen op de keizer, dan zult u ook naar de keizer gaan”.
Dan komt ook koning Agrippa (met zijn zus Bernice) in Caesarea bij Festus op bezoek. Hij krijgt daar alles te horen over de zaak van Paulus. Festus vertelt o.a. dat hij geconstateerd heeft dat Paulus geen misdrijven heeft gepleegd, maar dat er binnen de Joodse gemeenschap met Paulus twistpunten zijn over de godsdienst en over een zekere Jezus, dier dood is maar volgens Paulus leeft. Agrippa en Bernice verschijnen de volgende dag in vol (in vol ornaat) in de rechtszaal waar Paulus ook wordt voorgeleid en dan ontstaat de merkwaardige situatie dat de Romeinse bestuurders eigenlijk vinden dat Paulus niets misdaan heeft waarvoor hij veroordeeld kon worden, maar dat Paulus er op staat zich voor de keizer te verantwoorden.
Paulus heeft in deze rechtszaak weer zijn verhaal over zijn bekering van vervolger van de nieuwe weg -volgelingen tot vurig aanhanger van die beweging gedaan. En dat hij op grond van de verschijning van de Heer Jezus daar en de opdracht die hij daar kreeg, de inwoners van Judea en de heidenen verkondigd om zich te bekeren en zich te gedragen wat bij het nieuwe leven paste. En dat nota bene daarom de Joden hem hebben vastgezet en bijna vermoord hebben. Hij besluit zijn verdedigingspleidooi met het uitspreken van zijn godsdienstig motief om daarmee door te gaan, te weten dat “Mozes en de profeten al zeiden dat zou gebeuren: dat de messias zou lijden en sterven en dat hij als eerste van de doden zou opstaan om aan zijn eigen volk en aan de heidenen het licht te verkondigen”. Festus (“Wartaal, het vele studeren drijft u tot waanzin”) en Agrippa (ironisch: “dadelijk krijgt u me nog zover dat ik me voor christen uitgeef”) eindigen de rechtszaak met de woorden van Agrippa:” Hij had al vrij kunnen zijn, als hij zich niet op de keizer had beroepen.
Agrippa en Festus (die eerst er geen heil in zag) besluite na beraad om hem naar Rome te sturen.
Handelingen 27 en 28
NB: de tekst in Handelingen wordt hier voor de derde keer in de “wij”- stijl geschreven. Tot 28: 16.
Van Caesarea met een handelsboot langs de kust van Judea (er staat – ten onrechte- Asia) naar Sidon, waar hij van zijn begeleider, de centurio Julius, toestemming krijgt om vrij van boord te gaan om vrienden te bezoeken. Daarna, met veel wind, om Cyprus heen, overstap in Myra (in Lycie), met heel weinig wind met een omweg vaarbare routes vinden en in Goede havens bij Lasea (op Kreta). Na een tijd daar gebleven te zijn besloot de Centurion te vertrekken. Dit echter geheel tegen het advies van Paulus in, die slechte weersomstandigheden voorzag. Na een barre zeetocht met dreigende afloop, overboord gooien van lading en scheepsuitrusting, zelfs onder dreiging van scheepslui die de gevangenen ook in zee wilden dumpen, komen ze vast te zitten vlak bij een eiland, ze zwemmen aan land wat later blijkt Malta te zijn. Onderweg had Paulus hen nog even fijntjes ingewreven dat ze zijn advies hadden genegeerd, maar dat hij woorden van God had opgevangen die een goede afloop voorzag. “We zullen stranden op een of ander eiland “. (Malta dus). Lukas verhaalt van twee wonderlijke incidenten: bij een hartelijke ontvangst bij Maltezer bevolking krijgt Paulus een beet van een gifslang. De bevolking schrijft dat meteen toe aan een straf van hun god Dike (Paulus zal wel een moordenaar geweest zijn), maar Paulus schudt de slang van zich af en er gebeurt niets, De omstanders zijn onder de indruk en noemen Paulus van de weeromstuit “een god”. Een tweede incident doet zich voor bij de gouverneur van eiland, Publius. Daar thuis ligt zijn vader doodziek, Paulus is te gast en geneest hem. De bevolking eert Paulus en overlaadt hem en zijn vrienden mat eerbewijzen en voedsel.
Na drie maanden varen ze met andere boot via Syracuse, Regium, Puteoli, met als eindbestemming Rome. Leerlingen die daar woonden komen Paulus en de zijnen tegemoet, waardoor Paulus weer moed vat en Gd daarvoor dankt. Daar krijgt Paulus toestemming om een eigen woning te betrekken met een soldaat als bewaker.
Hij heeft na een paar dagen een ontmoeting met de Joodse leiders. Hij vertelt hoe hij door de Joodse inwoners van Jeruzalem is behandeld (gevangengenomen, uitgeleverd aan de Romeinen). Hij zegt niets tegen de Joden te hebben misdaan en nu ervoor kiest om voor de keizer verantwoording af te leggen. De Joodse leiders zeggen niets kwaads over hem gehoord te hebbe, maar vragen hem wel zijn boodschap aan hen uit te leggen want er is toch veel verzet tegen de groep waartoe hij, Paulus, behoort. Ook nu grijpt Paulus weer zijn kans om zijn verkondiging te doen. Lukas geeft, de laatste maal in de Handelingen als volgt zijn toespraak weer:
“Van de ochtend tot de avond legde Paulus getuigenis af en sprak hij uitvoerig met hen over het koninkrijk van God, terwijl hij hen op grond van de Wet van Mozes en de Profeten voor Jezus probeerde te winnen. 24Sommigen lieten zich overtuigen door zijn woorden, maar anderen bleven ongelovig. 25Ze werden het niet met elkaar eens en gingen uiteen, maar niet voordat Paulus nog een laatste woord had gesproken: ‘Volkomen terecht heeft de heilige Geest bij monde van de profeet Jesaja tegen uw voorouders gezegd: 26“Ga naar dat volk en zeg: ‘Jullie zullen goed luisteren maar niets begrijpen, en jullie zullen goed kijken maar geen inzicht hebben. 27Want het hart van dit volk is afgestompt, hun oren zijn doof en hun ogen houden zij gesloten. Met hun ogen willen ze niets zien, met hun oren niets horen, met hun hart niets begrijpen. Want anders zouden ze tot inkeer komen en zou ik hen genezen.’” 28U moet dan ook weten dat God deze boodschap van redding al aan de heidenen bekendgemaakt heeft; zij zullen wel luisteren.’
Handelingen eindigt dan met:
“Paulus verbleef twee jaar in het huis dat hij gehuurd had en ontving daar iedereen die naar hem toe kwam. 31Hij verkondigde het koninkrijk van God en onderrichtte vrijmoedig over de Heer Jezus Christus, zonder dat hem iets in de weg werd gelegd “.
Een abrupt einde, hoe het verder vergaat met Paulus en de andere apostelen wordt niet door Lukas beschreven.
Commentaar Maarten op Handelingen, stap voor stap
Maarten reageerde:
Beste Kees,
Met veel plezier lees ik door jouw ogen Handelingen. Er is geen andere manier om het boek te leren kennen dan het cursorisch te lezen en dan leesindrukken en vragen te noteren. Dat is ook de meest creatieve fase. Wanneer je je eenmaal in details gaat verdiepen en exegetische commentaren raadpleegt, dan wordt het schoolmeesterij en bovendien verlies je al gauw door de bomen het zicht op het bos. Wat me treft is de volharding waarmee je door dit boek heengaat en je niet hebt laten afschrikken door de problemen, waarover je in de inleiding schrijft. Dat heeft geleid tot een mooi leesverslag, waar ik dan ook – zoals gezegd – met plezier in gedoken ben. Hoewel ik me meermalen met Handelingen heb bezig heb gehouden, ben ik – vrees ik – die creatieve fase van de eerste kennismaking nooit helemaal te boven gekomen. Ik kan wat structurele opmerkingen maken waardoor de indeling van Handelingen (in samenhang met het evangelie naar Lukas) wellicht wat verhelderd wordt, kan hier en daar een bepaalde passage met eigen commentaar voorzien, maar as ik nu meelees met jouw verhaal, kan ik slechts hier en daar wat in de marge schrijven. En doe ik dan ook maar. Onvolledig en intuïtief. Neem het maar voor wat het is.
De boodschap van Handelingen tref je goed, aan de hand van Schillebeeckx. God ter sprake brengen als degene die de daad van de opwekking stelt en daarmee de hele wereld een wending ten leven geeft.
De wijze waarop je beschrijft hoe de Jezusbeweging vanuit het Joodse volk naar de andere volken gaat, is een zaak waarover ik langer moet nadenken. Het gaat dan vooral om de breuk met de synagoge en de verhouding tot de synagoge en de tempel. Ik ga er zelf van uit dat de volgelingen van Jezus geen andere bedoeling hebben gehad dan de Joodse Wet en Profeten doorgeven aan de andere volken, op gezag en in de geest van Jezus Messias. Hun uitleg van Wet en Profeten is anders dan die van de toenmalige Joodse schriftgeleerden, maar het blijft uitleg van die Joodse Schriften. Ook als er sprake is van grote twist en zelfs van een breuk met de synagoge, dan nog blijven ze in de geest verbonden met Israël. De verwoesting van de tempel (en de opheffing van de eigen staat van de Joden) is een catastrofe geweest die Joden en christenen beiden tot in het diepst van hun existentie raakte. En beiden hebben een manier moeten vinden om daarmee verder te gaan. De christenen hebben de verwoesting van de tempel verstaan als een gebeuren dat even verschrikkelijk is als de kruisiging van Jezus. Als er dan toch sprake is van een leven daarna, dan kan je daar alleen over spreken in termen van opstanding. De gemeente draagt de tempel in haar eigen bestaan verder: Jezus is die tempel en zij zijn de tempel! De tempel en de tempeldienst is geen gepasseerd station, maar is – in het licht van de opstanding – een existentiële zaak geworden. Wat me na aan het hart ligt is de gedachte dat de eerste christenen – ondanks alle twist en verwijdering – zich niet losmaakten van de Joden om voortaan voor zichzelf te beginnen, integendeel. De missie van die eerste christenen was, dat ze een nieuwe gemeenschap zouden vormen van Joden en niet-Joden samen. In die richting gaan mijn gedachten. Ik ben bezig met de Romeinenbrief en merk hoe ingewikkeld het ligt. Ben er nog niet uit.
Dan een paar losse kanttekeningen:
De verkiezing van de twaalfde apostel heeft iets ironisch. De elf weten nog niet dat Paulus onverwachts die plaats zal innemen.
De uitdrukking ‘heilige geest’ komt inderdaad vooral in de apostolische geschriften voor. Mij viel ooit op dat het nog wel eens gebeurt in tegenstelling tot de ‘onreine geest’ (in het begin van het Marcusevangelie bijvoorbeeld). De onreine geest is de geest die het maatschappelijk discours vervuilt en de samenleving verziekt. De heilige geest gaat daar vurig tegenin.
Die heilige geest beweegt je om om te keren van de ‘slechte daden’, namelijk het maatschappelijk onrecht dat de verhoudingen in de samenleving kapot maakt.
Terecht vertaal je ‘geloof’ met ‘trouw’. Ons woord geloof is door de eeuwen heen veranderd tot op een niveau dat het nauwelijks meer bruikbaar is. Onverwachts heeft – dacht ik – Hazes het woord weer ‘in’ gemaakt door te zingen: ik geloof in jou. Maar het blijft tricky. In mijn studietijd stelde ds. Kleijs Kroon voor om te spreken over fiducie. En ach, dat woord is ook alweer wat versleten. Trouw is en blijft de beste weergave.
In Handelingen 6 val je terecht over de vreemde wending als zou hier het diaconaat worden ingesteld, opdat de apostelen zich aan de bediening van het Woord zouden kunnen houden. Het is beter om de actie zo te verstaan: er wordt naast de oorspronkelijke christelijke gemeente van Jeruzalemse Joden een geheel nieuwe gemeente opgericht van mensen die uit de Hellenistische wereld kwamen. Daardoor kon men binnen de eigen gemeentes beter zorg dragen voor de armen. Die werden dan binnen de eigen groep niet gediscrimineerd als Joods of als Grieks. Wat hier gebeurt is de kernsplitsing van de gemeente van Christus, die op den duur zal leiden tot een veelzijdige verzameling van gemeentes wereldwijd.
De naam ‘christenen’ die voor het eerst in Antiochië opkomt, zal in de begintijd in Joodse oren zoiets betekend hebben als: een beweging van Joden die een bepaalde Messias volgen. Het zal nog steeds gezien zijn als een binnen-Joodse beweging. Het is dan nog niet de aanduiding van een afgescheiden groep en zeker niet van een eigen religie.
In Handelingen 12: 19-23 lees je over de dood van koning Herodes Agrippa (kleinzoon van koning Herodes de Grote uit het kerstverhaal). Dit is het enige verhaal dat je ook vindt bij Flavius Josefus, in Antiquitates /Joodse Oudheden Boek XIX, hoofdstuk 8,2. Ooit heb ik daar gretig studie van gemaakt. Heel leuk om te zien hoe twee getuigen hetzelfde gebeuren net even anders neerzetten.
Ik deel je uitleg van ‘het stof van de voeten schudden’. Het moet inderdaad zoiets betekenen dat je je je vrij opstelt van de ander. Je maakt je niet afhankelijk van diens kritiek en je gaat ook niet eindeloos met hem in discussie. Je blijft bij jezelf en bij eigen opdracht.
Heel intrigerend is die overgang van ‘zij’ naar ‘wij’ in de vertelling. Ben nog geen overtuigende uitleg tegengekomen.
Let ook op de scène in Handelingen 18: 12-17 waarin Paulus tegenover de Romeinse proconsul Gallio staat in Corinthe. Gallio is de broer van de beroemde filosoof en toneelschrijver Seneca, die op zijn beurt de leraar van de jonge Nero was en later raadgever van Nero als keizer. In deze tijd (het jaar 50) is Nero nog een tamelijk gevierd vorst. Zijn gekte brak pas later uit. Paulus komt hier dus heel dicht bij ‘Rome’. Ook Aquila en Priscilla, die na hun verbanning uit Rome in Corinthe verblijven (18:2) hebben hem over de situatie Rome kunnen vertellen. Hun namen komen weer terug aan het slot van de brief aan de Romeinen.
In Handelingen 19 is geld een belangrijk thema, zoals je terecht opmerkt. Dat lijkt me een belangrijk punt. Het evangelie van Paulus is in die zin een social gospel dat het aan de fundamenten van de economie raakt.
Ik stop. Handelingen is zo rijk aan thema’s. je raakt er niet op uitgekeken.
Wat zijn je verdere plannen met Handelingen?
In verbondenheid, Maarten