” En jullie, wie denken jullie dat ik ben”

            

“En jullie, wie denken jullie dat ik ben”
 Een impressie van het Lucas evangelie door Kees den Dulk,
en een gedachtewisseling met Maarten den Dulk, 0ktober 2023

Omgaan met een vraag

In de 4 evangeliën van het Nieuwe Testament brengen de auteurs het verhaal van Jezus’ woorden en daden over het voetlicht. Het wordt viermaal in de bijbel opgenomen als een eu-angelion, een goede boodschap, dus de titel verraadt al dat het om meer dan een verhaal(tje) gaat.
Het luisteren naar een verhaal wordt spannend als de verteller zichzelf onderbreekt met een vraag: ”Heb je goed geluisterd naar wat ik te vertellen heb? “. Je probeert zo correct mogelijk te antwoorden, maar hij of zij vindt je antwoord nog niet tot the point en gaat door met te vragen “Maar heb je goed in de gaten wie ik eigenlijk ben? “, Tamelijk confronterend en zelfs irriterend. Maar de kans is ook dat het de luisteraar echt aan het denken zet. Hij spitst de oren, zet zijn ogen wijd open.
Het overkwam mij bij het lezen van het eu-angelion , waar als auteur de naam van Lucas aan wordt verbonden. Het is alsof ik bij het luisteren naar de door hem verwoorde boodschap van Jezus tijdens zijn tocht door het leven, regelmatig aangesproken wordt met “Luister nou goed!’, en op één plaats nog indringender: “En jullie, wie denken jullie dat ik ben” (Lucas 9:20). Luisteren naar de ander wordt ontdekken wie die ander is. En daarmee ontdekken hoe jij met die vraag in jouw leven omgaat, wie jijzelf bent. En zo ging ik het evangelie van Lucas lezen.

In de tekst van Lucas zie ik Jezus’ vraag “En Jullie, Wie denken jullie dat ik ben” in een drietal stadia naar voren komen: 

  • In tekens van zijn identiteit die voor en bij zijn geboorte aan zijn moeder gegeven worden en daarna in de dialogen in de synagoge als hij als nieuwsgierige jongere geïnteresseerd raakt in zijn Joodse “roots”. 
  • In een vraag die op verschillende wijzen aan hem aan het begin van zijn tocht voor zijn voeten wordt geworpen: “Wie ben jij dat je aan deze missie begint?”
  • In een scala van vragen die hij zelf stelt bij zijn onderricht en verkondiging tijdens de drie jaar (als begin dertiger) van zijn levenstocht aan wie hij tegenkomt, op hem afkomt, of tegen hem tekeergaat. 

Tegelijk laat de evangelist ons niet met onbeantwoorde vragen achter. Het eu-angelion (de goede boodschap), de core van de missie van Jezus, wordt als een bevrijdend handvat aan zijn leerlingen en iedereen die naar hem wil luisteren meegegeven om het goede antwoord te vinden. Ook hier zou ik een drietal stadia, liever gezegd wegen, willen onderscheiden:

  • De weg waar je vandaan komt, van God de Vader en de vaderen van de Joodse geschiedenis
  • De kronkelwegen van de zoektocht van de kwetsbare en gelovige mens, tegenover de   duivelse en doodlopende hoofdwegen van de machthebbers en koningen, 
  • Een weg, die Jezus “koninkrijk van God ‘noemt, een uitdrukking die wel zijn wortels, maar in deze bewoording niet in de Tenach voorkomt. Een weg met als hoogtepunt een tafel met brood en wijn waarin Jezus zich als antwoord aan alle volkeren tot in de eeuwigheid laat zien als Redder en Heer.

Bij het stap voor stap doorlopen van deze stadia door het evangelie, stond ik als lezer regelmatig stil. De grote en gevarieerde schat aan tekeningen in de vorm van (ca 40) verhalen zoals die door Lucas zijn geschilderd maakte indruk.  Ik formuleerde aan de hand van die verhalen eerst een “werkschrift”, een impressie van het hele Lucasevangelie in de vorm van een drieluik. Daarna schreef ik een leeservaring uit van de 40 afzonderlijke verhalen, voorafgegaan door een samenvatting,
En werkende weg kwam er een gedachtewisseling met mijn broer Maarten, theoloog, op gang , die mij een diepgang verschafte die ik als niet-theoloog hard nodig had en die ik met vreugde aan de tekst heb toegevoegd. 

Inhoud

Werkschrift, een drieluik van mijn impressie

opgemaakt bij het lezen van het Evangelie van Lucas, de voettocht van jezus naar Jeruzalem, zijn dialoog en omgang met de mens, zijn doorgang door de dood heen.

Om te beginnen

Wie was Lucas? 

Lucas was een Griek, arts van beroep, kwam in Troas – in het huidige Turkije- rond het jaar 50, zo’n 20 jaar na het leven van Jezus, in contact met de apostel Paulus en de groep ( eerste) christenen om hem heen. Met Jezus heeft hij nooit in contact gestaan, wel van hem gehoord. Paulus is geboortig van Tarsus in de zuidoosthoek van Turkije ( zou een Romeins staatsburgerschap bezitten) en is opgegroeid in een orthodox Joods milieu. Heeft ook nooit contact met Jezus zelf gehad. Lucas sluit zich bij hem aan en trekt door Griekenland mee naar de stad Filippi, waar ze hevig worden tegengewerkt door de bevolking en de bestuurders. Paulus en zijn kompanen trekken verder door Macedonie, Lucas blijft daar bij de jonge christengemeente. Als Paulus en de zijnen na zeven jaar op terugtocht naar Jeruzalem weer door Filippi komen gaat Lucas weer mee en ze komen samen eerst aan in Caesarea, belangrijke havenstad en Romeins bestuurscentrum in Judea. Ze trekken door naar Jeruzalem om aan de apostelen daar verslag te doen van hun reizen. 

Proloog van Lucas (Lc 1_ 1-4)

Lucas wil betrouwbaar overkomen en begint het evangelie met een proloog, een verantwoording:

Nadat reeds velen zich tot taak hebben gesteld om verslag te doen van de gebeurtenissen die zich in ons midden hebben voltrokken, en die ons zijn overgeleverd door degenen die vanaf het begin ooggetuigen zijn geweest en dienaren van het Woord zijn geworden, leek het ook mij goed om alles van de aanvang af nauwkeurig na te gaan en deze gebeurtenissen in ordelijke vorm voor u, hooggeachte Theofilus, op schrift te stellen, om u te overtuigen van de betrouwbaarheid van de zaken waarin u onderricht bent.

Een proloog met woorden van deze aard vind je niet bij de andere evangelisten. Het lijkt op een verklaring van betrouwbare waarheidsvinding, een beetje ambtelijk. Vooral de laatste zin:” om u te overtuigen van de betrouwbaarheid van de zaken waarin u ( = Theofilus, de geadresseerde) onderricht bent.” Niet onbelangrijk vind ik bovendien wat er in de eerste zin wordt gezegd; dat er “reeds velen” verslag hebben gedaan van de gebeurtenissen die zich in “ons” midden hebben voltrokken en die “ons” zijn “overgeleverd door degenen die vanaf het begin ooggetuigen zijn geweest”. Er kan verondersteld worden dat hij tijdens het verblijf in Filippi, Caesarea, Rome, en andere plaatsen tijdens de reizen, mensen heeft gesproken die hem verteld hebben wat ze zelf meegemaakt hebben of ook weer doorverteld hebben gekregen. Wetenschappelijk onderzoek wijst ook op een nooit gevonden bron, het zgn. Q-evangelie, waarvan verondersteld wordt, naast het eerder geschreven evangelie van Marcus, bij Lucas en Mattheus een belangrijke rol te hebben gespeeld bij het selecteren en vormen van teksten met betrekking tot het leven van Jezus. 

De voorbereiding op de voettocht 

De routekaart ( lc 1: 5-80)

De routekaart wordt, nog voor de geboorte, aangereikt aan twee vrouwen, Elisabeth en haar nichtje Maria. Het is de stem van God door de mond van de engel Gabriel die beiden de verwachting van een kind aankondigt. En dat nota bene aan de een , Elisabeth, die door haar vergevorderde leeftijd eigenlijk een kind niet meer verwachten kon, en aan de ander ,haar nicht Maria in Nazareth, die door haar prille samenleven met een man, een kind nog niet verwachten kon. En het zullen zonen zijn, geheel volgens de genealogische Joodse traditie. Vrouwen zijn in die traditie vaak de gidsen op cruciale kruispunten. Zo ook Maria en Elisabeth, die de routekaart uitvouwen, wel met bevende handen maar door de engelen gerustgesteld, en dan de grote lijnen voor zich zien. Het eerste waar ze door worden verrast is dat de namen van die kinderen aan het begin van hun levenstocht die zij zullen krijgen, Jezus bij Maria en Johannes bij Elisabeth, de lading meekrijgen van een identiteit, waar hun voorvaders al over spraken en waar de samenleving waar ze in leven, verwachtingsvol naar uitkijken. Ze lezen als het ware een vraag: “Wie denken, jullie vrouwen, dat hij is?”

Voor beiden is het antwoord op die vraag een profetisch lied. Poezie is hier de andere taal voor de werkelijkheid die nog te gebeuren staat. Maria spreekt die uit als ze , in verwachting, op bezoek gaat bij Elisabeth: 

‘Mijn ziel prijst en looft de Heer, mijn hart    juicht om God, mijn redder.
Hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares.
Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen 
ja, grote dingen heeft de Machtige voor mij gedaan, heilig is zijn naam.
Barmhartig is Hij, van geslacht op geslacht  voor al wie Hem vereert .
Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm en drijft uiteen wie zich verheven wanen, heersers stoot Hij van hun troon en wie gering is geeft Hij aanzien.
Wie honger heeft overlaadt Hij met gaven, maar rijken stuurt Hij weg met lege handen.
Hij trekt zich het lot aan van Israël, zijn dienaar, zoals Hij aan onze voorouders heeft beloofd: Hij herinnert zich zijn barmhartigheid jegens Abraham en zijn nageslacht, tot in eeuwigheid.’

Bij Elisabeth komen de profetische woorden naar buiten, niet door haar eigen mond maar  door die van haar man , Zacharias. Het verhaal gaat dat hij bij de aankondiging van wat hij en zijn vrouw, als ouder echtpaar, nog zouden meemaken, met stomheid was geslagen ; en dat er pas weer woorden uit zijn mond kwamen, toen bij de traditionele besnijdenis van zijn zoon, 8 dagen na de geboorte, tegen alle verwachting in van hun omgeving , de naam Johannes door Elisabeth werd uitgesproken. Het is dan Zacharias die het lied, waarmee de naamgeving de diepe ladingkrijgt, geëmotioneerd uitspreekt:

‘Geprezen zij de Heer, de God van Israël, Hij heeft zich over zijn volk ontfermd en het verlost. Een reddende kracht heeft Hij voor ons opgewekt uit het huis van David, zijn dienaar, zoals Hij van oudsher heeft beloofd  bij monde van zijn heilige profeten: bevrijding uit de hand van onze vijanden, uit de greep van allen die ons haten.
Zo toont Hij zich barmhartig jegens onze voorouders en herinnert Hij zich zijn heilig verbond:
de eed die Hij gezworen had aan Abraham, onze vader, dat wij, bevrijd van onze vijanden en vrij van angst, Hem dienen zouden, oprecht en toegewijd, ons leven lang. En jij, mijn kind, jij zult genoemd worden:  profeet van de Allerhoogste, want voor de Heer zul je uit gaan  om de weg voor Hem gereed te maken, en om zijn volk bekend te maken met hun redding door de vergeving van hun zonden.|
Dankzij de liefdevolle barmhartigheid van onze God|
zal het stralende licht uit de hemel zich over ons ontfermen
en schijnen over allen die in duisternis verkeren, in de schaduw van de dood,|
zodat we onze voeten kunnen zetten op de weg van de vrede.’

In de teksten van Maria en Zacharias staan centraal de woorden Redder, Barmhartige , Barmhartigheid die Hij, de Ene, getoond heeft aan de geslachten voor ons ( Abraham) , van geslacht op geslacht, “zodat wij onze voeten kunnen zetten op de weg van de vrede”. Verleden, heden en toekomst die liggen in de handen van Jezus en Johannes. De liederen staan tegelijk in het teken van de tijd waarin ze gezongen worden. Over het volk van Israel wordt geheerst door de Romeinen, er is gebrek aan eigen daadkrachtige leiders of gezaghebbende profeten , die het sociaal verbond vanuit de Thora gestalte geven, Er is crisis, door oorlog en gebrek aan voelbare geestelijke leiding; de wens om het koninkrijk van de God van Israel te herstellen wordt onderhuids en hier en daar- zoals uit de lofliederen blijkt- openlijk gevoeld en tot uiting gebracht. En nu komen er twee mensen die op hun weg door hun leven de barmhartigheid gestalte zullen geven , zodat de mensheid hun voeten weer kunnen zetten op de weg van de vrede. 

De routekaart is uitgevouwen. Maria en Elisabeth (bij monde van Zacharias) hebben bezongen wie hun zonen zijn die op pad gaan, en hebben daarmee het pad ingetekend. 

De eerste blik in de wereld ( Lc 2: 1- 21)

Maria en haar echtgenoot, de timmerman Jozef, krijgen volgens de overlevering een bevalling voor de kiezen die ze zich lang zullen heugen. En wat een verhaal oplevert dat ook de mensheid nog ten eeuwige dage mee zal dragen in de liturgie van de kerk enerzijds en in de feestroes van de wereld anderzijds. Wij zingen voluit van “ Er is een kind geboren” tot “Happy Christmas to You ”.

Het verhaal leest als het verder openvouwen van de eerdere aangereikte routekaart. “Gaan jullie, samen met de nog ongeborene, eerst maar op weg van Nazareth naar Bethlehem, een traject wat voorgeschreven wordt door de machthebbers van die tijd , om -in de plaats waar de roots van Jozef liggen- je maatschappelijke plicht te vervullen in het kader van een noodzakelijke bevolkings-telling”. Daar aangekomen, moet de maatschappelijke plicht even wijken voor de prioriteit van een zich aankondigende bevalling. Een overnachtingsplek wordt gevonden waar pelgrims het vaak mee moeten doen, een schuur met wat stro. En er wordt een jongen geboren, er worden doeken gevonden om hem in te wikkelen en de voederbak van de dieren doet prima dienst om de baby een veilige rustplek te bieden. Maria en Jozef zijn er dolgelukkig mee. 

Er ontstaat in de omgeving van Bethlehem een dynamiek, in tweeërlei opzicht, tegen de maatschappelijke opvattingen in. De eerste is die van een groep herders uit de buurt. Die worden opgeschrikt door de stem van hun God van Israel, door de mond van een engel om (ook) op pad te gaan, en laten alles wat ze in handen hebben uit handen vallen, ook hun verantwoordelijkheid voor het beheer over de schapen. De engelen zingen samen een lied, het lijkt wel een antwoord op de lofzangen van Maria en Zacharias. Een boodschap voor “heel het volk”, er is nl in Bethlehem een redder, de messias is geboren. Dat staat als het ware haaks op het bevel van keizer Augustus om “heel het volk” voor zijn eigen belangen te laten tellen. En in tweede opzicht dynamisch klinkt de revolutionaire beschrijving van Lucas , “plotseling voegde zich bij de engel een groot hemels leger dat God prees met de woorden Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor de mensen die Hij liefheeft”. Een groot hemels leger dat komt aanzetten, en dat in een tijd waarin de Romeinen hun grote legers inzetten om paal en perk te stellen aan de verkeerde paden waar een – in hun ogen- ongeordende samenleving – zich op begaf. De komst van de eerstgeborene, van een man en een vrouw die er een behoorlijke tocht voor moesten maken, veroorzaakt onverwachte bewegingen in de samenleving. Met de aantekening: ga wel op pad naar die eerstgeborene, blijf niet zitten waar je (comfortabel) zit! 

Het verhaal vertelt verder dat de herders, die in de schuur datgene vinden waarover de engelen zongen, het gebeurde doorvertellen, waar veel mensen op afkomen ( die het ook weer doorvertellen) , en die hun verbazing duidelijk laten merken. En dan wordt het, zo zou je zeggen, doodstil: Maria, zo staat er, bewaarde al deze woorden in haar hart en bleef erover nadenken”. Dit stiltemoment is een teken van groot gezag in deze vertelling. In het nadenken van Maria zal meegespeeld kunnen hebben wat de engel aan haar gezegd heeft bij de aankondiging van de engel in Nazareth, 9 maanden daarvoor: Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal Hem de troon van zijn vader David geven. 33

Tot in eeuwigheid zal Hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.’ De vraag wie dat kind, haar zoon, is en zal zijn, speelt, zo te lezen, ook bij Maria een cruciale rol. Bij pelgrimstochten, ook in onze tijd, kan een stiltemoment van deze aard ( “met wie hebben we te maken als we het over Jezus hebben”. ) van belang zijn . 

De eerste blik in de tempel (Lc 2: 22- 40)

Na 8 dagen, zo gaat Lucas’ verhaal verder, als hun zoon als Joodse jongen besneden wordt, krijgt hij de naam Jezus, zoals de engel had gezegd bij de aankondiging in Nazareth. Over geteld worden door de Romeinse overheerser wordt niet gesproken, wel dat hij een naam krijgt, voor God’s aangezicht. Een paar dagen later trekken ze door naar Jeruzalem waar Jezus volgens de Joodse riten in de tempel als de eerstgeborene in het gezin “toegewijd “wordt aan de Heer. Dat ritueel krijgt een diepere lading door een ontmoeting in de tempel van Maria en Jozef met Simeon, inwoner van Jeruzalem, die ze niet kennen maar die het kind in zijn armen neemt en – ook hier weer- een lied zingt:  Nu laat U, Heer, uw dienaar in vrede heengaan, zoals U hebt beloofd. Want met eigen ogen heb ik de redding gezien die U bewerkt hebt ten overstaan van alle volken: een licht dat geopenbaard wordt aan de heidenen en dat tot eer strekt van Israël, uw volk.’

Simeon heeft dan al lange tijd geleefd in de diepe verwachting dat de God van Israel vertroosting zou brengen in de dagen van onderdrukking en ontreddering. En hij ziet dit kind als de redder die hem door de Heilige Geest voorzegd is. Een ontroerend moment.

De woorden die Lucas hem in de mond legt hebben grote waarde: hij, Simeon, ziet “… de redding met eigen ogen….ten overstraan van alle volken….geopenbaard aan de heidenen….tot eer van Israel, uw volk. De hele wereld dienend en tot eer van Israel”. Vanuit de Joodse traditie op dat moment een opmerkelijke woordkeus. De zo nadrukkelijke verwijzing naar de joodse oergeschiedenis, Abraham, David, alle geslachten , zoals in de vorige liedteksten, is hier niet aan de orde. De blik is naar de toekomst gericht. En Simeon kan dan “in vrede heengaan”. 

Bij diezelfde gelegenheid is er een tweede ontmoeting. Een profetes, hoogbejaard, Hanna, 84 jaar, weduwe, leefde met bidden en vasten in de tempel. Lucas schrijft : “Op dat moment kwam ze naar hen toe, bracht hulde aan God en sprak over het kind met allen die uitzagen naar de bevrijding van Jeruzalem”. Ook hier een verwijzing naar de verwachting die sterk leeft onder de joodse bevolking naar de bevrijding van de Romeinse bezetting van Jeruzalem. 

Het pasgeboren kind Jezus gaat na de riten volgens de Joodse wet mee terug naar Nazareth en groeit op, vervuld van wijsheid, en Gods genade rustend op hem.

De eerste voetstappen naar Jeruzalem ( Lc 2: 41-52)

Lucas neemt, na het verhaal over het bezoek aan de tempel in Jeruzalem voor de besnijdenis van Jezus, een stap van 12 jaar in de tijd . En weer gaat het naar de tempel daar, maar nu met een kind jezus, dat de tocht er naar toe en de stad zelf maar eens moet ondervinden. Een proefreis zou je zeggen. Het gaat om het jaarlijkse Pesachfeest. Maria en Jozef gaan daar traditiegetrouw naar toe. Het is in de stad vol met mensen, ze horen bij een groot reisgezelschap en gaan na afloop mee terug naar Nazareth. Als ze merken – na een dag reizen- dat Jezus er niet bij is, gaan ze uiteraard, geschrokken, terug om hem te zoeken. Er is sprake van een misverstand. Jezus is met de leraren in de tempel in gesprek gegaan en zo’n ontmoeting laat hij zich niet ontgaan, hij is daar helemaal door in beslag genomen. En hij maakt met zijn twaalf jaren grote indruk. Zijn ouders begrijpen het niet, Maria laat hun angst merken. De reactie van Jezus is nu al scherp: ”Wist U niet dat ik in het huis van mijn vader moest zijn?” Hij gaat uiteindelijk gehoorzaam mee terug naar Nazareth zoals Lucas opschrijft. Er is dus nu al sprake van het feit dat Jezus geboeid is in het onderwijs, het onderricht dat de Joods religie als core- business beoefent. En tegelijk dat hij zijn ouders wil laten weten hoe hij er zelf in staat, in die weg om onderricht te krijgen en te geven. 

Ook hier, na deze ontmoeting, laat Lucas Maria , net als bij de geboorte in Bethlehem, haar bijzondere rol zien : “Zijn moeder bewaarde alles wat er met Hem gebeurd was in haar hart “. Ze houdt commentaar voor zich, de stilte in de discussie is haar keuze. 

(De lege tussentijd)

Niet meer dan twee zinnen wijdt Lucas aan de periode van ca 18 jaren als opstap naar het optreden van Jezus van zijn 30e tot 33e levensjaar:

“Jezus groeide verder op en zijn wijsheid nam nog toe. Hij kwam steeds meer in de gunst bij God en de mensen”. Een eerste verwijzing naar waar zijn roots liggen, bij God én bij de mensen. ( Lc 2: 52) 

Van Johannes tekende Lucas overigens al eerder op wat zijn weg zou gaan worden:

(Lc 1:80): Het kind groeide op en werd gesterkt door de Geest. Johannes leefde in de woestijn tot de dag aanbrak waarop hij zich kenbaar maakte aan het volk van Israël.

Wie ben jij, dat je hier aan begint

De vraag, die ik meegaf als titel van deze impressie ( “En jullie, wie denken jullie dat ik ben?, lc 9:20) lees ik als een leidraad door het hele evangelie. Het is meer dan een loutere vraag om bevestiging van zijn rol om mensen te ontmoeten, hen te verlossen van kwade krachten en een heilsboodschap te verkondigen. Het zal ook gaan om hen te overtuigen in welk momentum van de geschiedenis van mensen hij staat. 

Er is eerst een tegenvraag nodig om dit goed op de (route-) kaart te krijgen: “wie ben jij dan wel, Jezus “. En die vraag komt van drie kanten. 

De doop als antwoord : God zegt het ( Lc 3: 1-22)

Als startplaats van de voettocht – met de routekaart als baken- wordt de woestijn aangekruist. En Jezus komt op deze plaats en op dit moment Johannes weer tegen op zijn pad.

De woestijn is de locatie die de evangelisten, en Lucas dus ook, naar mijn gevoelen als de oergrond van een nieuwe schepping beschouwen. Zo althans versta ik hun keuze voor de woestijn als voorportaal van de ontmoetingen van Jezus met de wereld. Woestijn is geen woestenij, maar leeggemaakte ruimte. Weer bij af beginnen, zo lees ik dit. En ook net zoals in het geboorteverhaal is het Johannes die vooruitgaat, de weg vrijmaakt. Johannes “roept vanuit de woestijn “, zo citeert Lucas uit het boek van de profeet Jesaja eeuwen daarvoor, en ik vertaal met eigen woorden: vanuit waar het nog ongerept is, waar een nieuw begin kan worden gemaakt. Het is dus geen podium op een centraal stadsplein waar opgeroepen wordt de wereld op z’n kop te zetten, geen activisme in die zin. “Terug naar af”, dat is wat door Johannes en later Jezus als nieuwe richting wordt gepropageerd. En mensen komen er massaal op af. Het Joodse ritueel, de besnijdenis in de tempel in de eerste 8 dagen van een mensenleven, krijgt nu een vervolg in de doop met water in de Jordaan. Het is in tweeërlei zin een historisch breukpunt. Johannes ziet de doop niet als een automatisch ritueel . Het gaat er nu om dat mensen werkelijk beseffen dat God de verkeerde wegen die mensen iedere keer weer inslaan in hun leven niet meer ziet zitten (“Adderengebroed, zo werkt het niet”), en dat de doop een verbond is van God met ieder mens die zich laat dopen om in de wereld recht te doen, om de juiste wegen te kiezen. En ten tweede gaat het om ieder mens: niet roepen dat jouw voorvader Abraham is en denken dat je dan een streepje voor hebt. Het gaat om alle mensen op aarde. En deze ontmoeting van Johannes met de toestromende bevolking krijgt een veelzeggend vervolg als de mens Jezus zich bij hen voegt. Ook indertijd besneden, nu om gedoopt te worden. Ook met hem wordt het verbond gesloten. 

Lucas – en dat is ook in de andere drie evangeliën het geval- pakt dit moment aan om God zelf het woord te geven. Dat was daarvoor nog niet gebeurd, in de scenes voor en na Jezus’ geboorte kwamen engelen een boodschap brengen, maar nu kiest Lucas ervoor om God zelf van zich te laten horen: 

“Heel het volk liet zich dopen, en toen ook Jezus was gedoopt en Hij aan het bidden was, werd de hemel geopend en daalde de heilige Geest in de gedaante van een duif op Hem neer, en er klonk een stem uit de hemel: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in Jou vind Ik vreugde.’ “

Het zal in het NT, maar op één ander moment, zijn dat de stem van God niet door de mond van engelen maar rechtstreeks wordt gehoord , te weten bij de ontmoeting met Mozes en Elia ( Lc 9: 35), In de Tora, de profeten en andere boeken van de Tenach was God’s stem alleen gehoord. Alsof de evangelisten hier willen aangeven dat er op dit punt niets nieuws onder de zon is, de God van Israel blijft de Ene die de mens zoekt en aanspreekt.

Hij laat overigens in het midden wie die stem bij de doop gehoord heeft, zelfs van Jezus wordt dat niet gezegd, alhoewel God wel zich tot hem richt. Een reactie van Jezus wordt in ieder geval niet genoteerd. Het geldt voor allen die het lezen, dat mag je er toch wel uit afleiden, denk ik. En wat er gezegd wordt moet niet worden misverstaan: Jezus is zijn geliefde Zoon, in Hem vindt Hij vreugde. De identiteit wordt hier duidelijk gemaakt .Het klinkt als een echo van wat in Spreuken 15: 20 staat : : Een wijze zoon geeft zijn vader veel vreugde, en een paar verzen verder (vers 24): ‘De vader van een rechtvaardige verheugt zich”1. Het zoonschap werd door Lucas eerder al bevestigd, want zowel bij de geboorteaankondiging in Nazareth door de engel Gabriel, als in de woorden die Jezus zelf in de tempel als 12 – jarige aan zijn zoekende ouders wordt dit beeld gebruikt. Maar nu is het echt door God zelf uitgesproken. En, om het beeld van wat later in de Christelijke kerk centraal zal gaan staan – de drie-eenheid – vol te maken, ruimt Lucas – wat al eerder bij de geboorteaankondigingen was gedaan- ook een plaats in voor de Heilige Geest, hier in de gedaante van een duif.

1 Ik vond de verwijzingen naar Spreuken bij Schillebeekx ( “Jezus, het verhaal van de levende”, blz 215) 

Waar kom je vandaan (Lc 3: 23- 38)

Lucas wil niet dat de oproep tot opnieuw beginnen en de doop, afbreuk doen aan de lijn van afkomst van de mensen, de genealogie blijft in stand. Hij schrijft om dat te bekrachtigen de volledige afstammingsreeks van Jezus op, die loopt in de mannelijke lijn van zijn vader Jozef via David, Juda, Jacob, Abraham via Adam, tot God de Schepper terug, 77 generaties tel ik in de opsomming. Steeds is de opvolging aangeduid met :’zoon van”; alleen bij de naam Jezus zelf staat “Hij was, zoals algemeen werd aangenomen, de zoon van Jozef “ . Hier wordt de “zoon-van-God “ -relatie, waar eerder zo’n nadruk op wordt gelegd, dus niet benoemd. Daarentegen , helemaal aan het eind, wordt , bij de naam Adam, wel geschreven “ de zoon van God”. Opmerkelijk om dit van Adam te zeggen, het lijkt alsof Lucas de rol van God als vader door de hele mensengeschiedenis heen trekt. De christenheid neemt dat beeld over : wij worden, net als Jezus , kinderen Gods genoemd. 

Het duivelse stemmetje: laat zien wie je bent (Lc 4: 1-13)

De derde vraag, een uitdaging , komt van de advocaat van de duivel. Dat speelt zich (weer) af in de woestijn. De lege agenda voordat hij aan zijn daadwerkelijke maatschappelijke loopbaan begint. Het vuur van de heilige geest brengt hem daar, hij gaat 40 dagen in retraite en vast. Hij heeft, volkomen begrijpelijk, aan het eind van die periode honger, zijn maag is ook leeg en dat is het moment dat Lucas kiest om te vertellen hoe Jezus op de proef wordt gesteld. Wat gebeurt er als God je even alleen laat en dat duivelse stemmetje van binnen treitert en zegt: kom, je bent toch de zoon van God, dan kan je toch een steen in brood veranderen, en kijk, kom maar eens hier boven naar alle koninkrijken uitkijken, als jij mij aanbid, kan ik jou wel aan de macht over de wereld helpen, en kom ook eens hier naar boven op de tempel, als je toch die zoon van God bent kan je hier ook wel naar beneden springen, de engelen vangen je wel op, daar zorgt God toch voor, dat staat toch geschreven? Jezus laat zich niet vangen, houdt zijn rug recht. Het gaat om meer dan brood tegen de honger, en bidden doen we alleen tot God, en je moet niet denken God op de proef te kunnen stellen, zo stelt hij zich op tegen de verleidingen. Een starthouding in het leven, waar wij ons ook nu aan kunnen spiegelen.

Eerste gedachtewisseling tussen Kees en Maarten

Kees schrijft:

Beste Maarten,

Alles wel? Jouw jaarwisseling is er hopelijk een teken van geweest. De wereld schudt weer op z’n grondvesten, in het Midden-Oosten gaat het bepaald niet “wel”, beestachtige terreur met heel veel lijden, zonder zicht op een einde. We hadden gisteravond een OPEEN op tv waarbij nu eens goed gekozen was om een dilemmadialoog met elkaar aan te gaan. Voor zoveel mogelijk in goede balans, vonden we (op een minister na, die het niet kon laten om een potje ruzie te gaan maken, jammer).
 
En dan kom ik in deze pandemie van ellende met een impressie van een (Lucas) eu-angelion, een goede boodschap, die ook schuurt, en kan je lang laten liggen. Het is me niet gelukt om tot een afgeronde tekst te komen. In het eerste gedeelte is daar blijk van gegeven; ik had de beeldende tekeningen van het evangelie met een paar forse, concrete, pennestreken willen neerzetten rond het thema Identiteit. De overweldigende veelheid echter van verhalen met zoveel verschillende invalshoeken verhinderde mij om tot een goede afronding te komen. Jij stuurde mij onlangs ook een index die je van Lucas had gemaakt toe, rond het thema opbouw van een gemeenschap, dat stimuleerde mij, maar heb jij zelf ook deze “niet in de grip krijgen”- ervaring?In het tweede deel een (lange) leesversie van die verhalen, ik noem het mijn werkschrift. Van de verhalen van Jezus’ optreden van zijn eigenlijke voettocht van Galilea tot Jeruzalem heb ik wel een samenvatting gemaakt in deel 3. Beperk je zo je wilt tot die samenvatting.

Maarten, het is me wat met dat gehobby van mij in jouw vakterrein. Laat het bij een bladeren, maar weet dat je voor mij een goede gids bent,

Kees 

Maarten antwoordt:

Beste KeesLees graag in je verwerking van de Lucastekst. Je geeft je leeservaring weer op een wijze waardoor het voor de lezer een toegankelijk verhaal wordt. Dat lijkt dan op het oog vanzelf en natuurlijk – maar dat is nu juist de kunst van het schrijven. En die kunst versta je. Voor jezelf is dit – naar mijn stellige overtuiging – de beste manier om bij de tekst te komen. En makkelijk is dat niet: een tekst die een biografie lijkt, maar die een leerboek voor volgelingen wil zijn, opgebouwd uit een heleboel losse stukjes, die in een subtiel patroon zijn gelegd als een quilt. Maar de tekst zelf neemt je mee op voorwaarde dat je geduldig blijft luisteren en kloppen en doorgaan zonder al te veel in details te blijven hangen. Het is goed werk, Kees, En je doorzichtige stijl werkt er hard aan mee om het over te brengen.

Moet natuurlijk een paar streepjes zetten: 
De aanspraak bij de doop van Jezus wordt toch nog een keer herhaald, namelijk bij de verheerlijking op de berg (9:35).  Niet helemaal letterlijk, maar toch.
Dat Simeon hoogbejaard is zal je niet in de tekst vinden, wel in de traditie. Ik heb menige preek gehoord waarin de voorganger olijk uitlegde dat in de bijbel Hanna wel hoogbejaard genoemd wordt maarSimeon niet. ‘Had u niet gedacht, gemeente…’ 
O ja, en ergens maak je melding van keizer Herodes. Moet zijn: Keizer Augustus. 

Ingewikkelder is de historische context waar je terloops naar verwijst. Je schrijft: 
Israel wordt onderdrukt door de Romeinen, er is over het volk van Israel geen daadkrachtige leiding meer in handen van koningen, er zijn geen onafhankelijk optredende en gezaghebbende profeten meer, wel min of meer verstarde religieuze praktijken gecontroleerd door priesters en leiders van de tempel en synagogen. Het ligt ingewikkelder. In de tijd dat Lucas schrijft (dus ruim na de oorlog van Rome tegen Juda van 66 tot 70) is de Joodse staat ontmanteld en is de tempel verwoest. Er is dan definitief geen koningschap meer en geen priesterschap en het Joodse volk krijgt geestelijk leiding van de Farizeeën. Die groep geestelijk leiders, al spoedig rabbi’s genoemd, zijn niet verstard, integendeel, ze vertonen vanaf die tijd en eeuwenlang daarna een opmerkelijke vitaliteit, waarmee ze de samenhang en de overlevering van het Joodse volk wereldwijd verspreid overeind houden. Het is de tijd waarin de Mishna en later de Talmud wordt ontwikkeld, een ongelooflijke prestatie. Maar vóór de Grote Oorlog lagen de kaarten heel anders. Wat het koningschap betreft: de Perzen stonden de Joden (die door Babel in ballingschap waren gevoerd) toe om terug te keren naar hun land en ze mochten daar hun tempel weer opbouwen, maar koningen mochten ze niet aanstellen. Eeuwenlang werd het volk dus bestuurd door enkele rijke priesterfamilies. Maar toen het Romeinse rijk zich in het Midden Oosten vestigde, zag een zekere Herodes kans om zich door de Romeinse keizer te laten aanstellen tot koning van het Joodse volk. Na eeuwen had het volk, behalve priesters, ook weer een koning! Na de dood van deze Herodes de Grote (bekend van de kindermoord) kregen vier zoons elke een vierde deel van zijn rijk en droegen de malle titel ‘viervorst’. Eén van hen, Herodes Antipas, die regeerde over Galilea, was verantwoordelijk voor de moord op Johannes de Doper. Hij wordt in de evangeliën met een beetje ironie toch ‘koning’ genoemd. Een kleinzoon van Herodes de Grote, Herodes Agrippa, was de laatste, officieel door Rome erkende Joodse koning die in Jeruzalem regeerde. Hij komt voor in Handelingen en vervolgt daar de apostelen. Kort gezegd: in de tijd van Jezus was er dus wel een Joodse ‘koning’ in Galilea en in de tijd van de apostelen was er voor enkele jaren ook een echte koning in Jeruzalem, terwijl de priesters samen met de schriftgeleerden en oudsten van het volk leiding gaven aan het volksleven middels de Hoge Raad. En Johannes de Doper werd door het volk beschouwd als echte profeet. Ingewikkeld allemaal (en nog ingewikkelder dan ik hier samenvat). Hoe zeg je dat?  Goede voortgang gewenst met dit gesprek met Lucas.

En tot ziens, Maarten

Kees schrijft: 

Beste Maarten,

Je opmerkingen neem ik zeker ter harte. Dank je wel. Het tweede spreken van God, daar had ik inderdaad overheen gelezen (waarschijnlijk door het beeld van de “wolk”). En natuurlijk geen Herodes, maar Augustus, en Simeon is niet bejaard, hoe kom ik erbij. Te snel genoteerd, met een verkeerd gevormd beeld. De maatschappelijke context van Jezus’ dagen (want daar doel ik op in die passage), daar heb ik wellicht een iets te “mooie” beschrijving van willen geven. En ik had me nb toch nog wel een tijdje terug wat ingelezen in de Herodes-dynastie. Er blijft wel een vraag hangen voordat ik de tekst herschrijf: als ik de woorden van de liederen van Maria en Elisabeth/ Zacharias nog eens goed lees, is er toch een niet geringe ondertoon uit op te maken die op een onderdrukt volk duidt; en het (minstens) arrogante optreden van de elite in de Joodse synagogen en de tempel, zoals Jezus die ontmoet op zijn tocht liegt er toch niet om en wijst niet bepaald op een leiderschap dat in de religieuze gemeenschap nodig is. Daardoor beïnvloed heb ik mijn woorden gekozen. Is dat toch wat te veel van het kwade geweest?
Doorwerkend aan het vervolg, ben ik vergevorderd in de aaneenschakeling van ontmoetingen, optredens, gelijkenissen, etc. Maar dat wordt een soort verhalenbundel. Als ik die er zo aan vastknoop, doet dat mijn “impressie “geen goed. Heb daarom een voorlopige samenvatting geschreven tot aan het eind toe. En de verhalen komen dan in een soort annex daarachter. Als je toe zou zijn aan die samenvatting, stuur ik het toe, maar dat kan nog ook nog best wachten uiteraard.

De zon is weer goed gaan schijnen hier, en belooft veel warmte komende week. We hebben inderdaad afgezien van een tocht naar Zandvoort. Jullie zullen ons goed vertegenwoordigen dat is een gerust idee. Nel komt ook niet, daar gaat het geloof ik ook niet ze jeel best mee in de motoriek. Hopelijk kan ze genoeg hulp krijgen.
Hartelijke groet voor jullie,

Kees


Maarten antwoordt:

O hemel, Kees, ik probeer die moeilijke vraag over de NT kritiek op de joodse geestelijke leiders helder te krijgen. . En dan komt de hele theologie-geschiedenis na WOII voorbij. Waar begin ik, waar stop ik?
Veel theologen realiseerden zich na de oorlog dat er in de christelijke traditie antisemitische tendenzen zaten. Die tendenzen werden gevoed door de NT kritiek op farizeeers en priesters. Dat kon zo niet langer! Er kwam in de kerk een proces van zelfkritiek op gang waarbij gesprekken met Joodse exegeten verheldering boden. In de tijd dat ik studeerde gingen nogal wat medestudenten lernen bij rabbijnen. Dat leverde twee dingen op: respect voor de eigen Joodse leerwijze en een ander verstaan van de NT kritiek op die Joods leerwijze en leraren. Maar helemaal helder werd de verhouding nooit.

Wat hebben we geleerd?
Beide tradities, de Joodse en de christelijke, gaan uit van de Thora als leerboek voor het leven. De christelijke traditie heeft in de loop van de eeuwen afstand van de Thora genomen, maar ten onrechte. We moeten weer bij de bron komen. Elk van beide tradities gaat op een andere manier met de Thora om. De Joodse traditie legt van generatie tot generatie de Thora opnieuw uit als bron voor de vorming van een gemeenschap, gebaseerd op rechtvaardig en betrouwbaar handelen in de geest van Israëls God. De Thora geeft hen de bouwstenen voor een sociaal contract, (zoals Sachs zegt) niet alleen voor de staat, maar ook voor de samenleving. Hun ambitie was het vormen van een Joodse gemeenschap, die zich zichtbaar onderscheidde van niet Joodse gemeenschappen. De christelijke traditie heeft minder vertrouwen in dat vermogen om zelf de Thora uit te eggen en legt dat gezag in handen van de verborgen Messias, die door de eeuwen heen de weg van recht en trouw wijst. Daarbij is hun ambitie geweest om gemeenschappen te vormen waarin Joden samen met anderen om de tafel gaan en waar dus de niet-Joodse leefgewoontes niet op voorhand werden afgewezen.
De relatie tussen beide tradities is nooit goed geweest. Joodse leiders beschouwden de christelijke weg als een bedreiging voor de Joods identiteit en christelijke leiders voelden zich door die afwijzing op hun beurt bedreigd. In de eerste eeuw stond de discussie meteen op scherp, maar toen was het nog een discussie tussen groepen die zich beiden met de joodse gemeenschap verwant voelde. Het was in zekere zin nog een intern-Joodse discussie. De kritiek over en weer was niet mals, maar men beriep zich in beide gevallen op dezelfde bron, op de Thora als het woord van Israëls God. In de eeuwen daarna – toen de christenen een prominente plaats kregen in het Romeinse rijk – veranderde de discussie in een strijd om de macht, waarbij christenen de Joden meer en meer buitenspel zetten, als rechtelozen in de samenleving. In die tijd kreeg het NT een antisemitische klank. Een ‘Farizeeër’ werd een doortrapte leugenaar en gold als voorbeeld voor een Jood, die als zodanig onbetrouwbaar zou zijn. En met die giftige erfenis zitten we nog steeds.

Hoe ga je daarmee om?
|Het is belangrijk dat in het NT de Joden en hun eigen traditie een vaste plaats hebben, zo kritisch die ook is jegens de apostelen. We kunnen het Ja van de apostelen jegens Jezus niet verstaan zonder het Nee van de Schriftgeleerden en Farizeeën. Ook wie Nee tegen de Messias zegt, heeft immers een relatie met die Messias. En dat Nee is dus even belangrijk voor het verstaan van die Messias als het Ja. De overlevering gaat via het Ja en het Nee. Het is niet toevallig dat het woord ‘overleveren’ de tweezijdige betekenis heeft van traditie en van verraad. In de figuur van Judas komt dat samen.

Dan noem je daarnaast nog de kwestie van de maatschappijkritiek, die in de liederen die Lucas aan het begin van zijn evangelie laat klinken. Die maatschappijkritiek richt zich op de sociale verhoudingen tussen rijke en armen, machtigen en rechtelozen. In die politieke strijd om gerechtigheid stonden Joden en christenen veel meer naast elkaar. Er was een flinke linker vleugel onder de Farizeeën die de strijd om de gerechtigheid vertaalde als strijd tegen de Romeinse bezetter en uitbuiter. Deze ‘zeloten’ zaten ook onder Jezus leerlingen. De discussie ging daarbij om de vraag of het verzet tegen Rome al of niet met geweld moest worden uitgevoerd.  

Nou ja, dit was een poging – maar het is een nog steeds niet opgeloste kwestie.

Je beschrijving over de moeite die je ondervindt bij de verwerking van de tekst van Lucas komt me zo bekend voor: ik ervaar dat nu in de omgang met Jesaja.Enerzijds is er die voortgaande lijn van de korte verhalen, die zo veel en zo kort en zo gevarieerd zijn dat je er in verdwaalt. Anderzijds is er die behoefte om in een korte inleiding de thematiek aan te geven. Op dit moment ben ik nog vrolijk aan het verdwalen en maak terzijde losse notities waaruit misschien ooit een inleiding kan voortkomen. Maar of ik er uitkom? Jij bent verder, merk ik. Ik ben benieuwd. Stuur op wat je hebt. Nou, deze mail loopt ernstig uit de hand…

O, Kees, ik bedacht nog dat ik vorig jaar of zo probeerde een overzicht van Lukas te maken. Ik had Marcus in mijn hoofd en wilde nagaan hoe de andere evangelisten met zijn voorbeeld hadden gewerkt. Bij Lucas raakte ik vaak het spoor bijster. En uiteindelijk heb ik het maar gelaten bij dit schetsje. Ik geef het voor beter. Misschien heb je er wat aan, anders doe je het maar weg.
Ooit in de studietijd in de jaren zestig werden we in Amsterdam vertrouwd gemaakt met de analyse van Lucas 1-2 door Frans Breukelman ( ‘En het geschiedde..’). Dat was exegese zoals we dat nooit eerder hadden gekregen. Ik heb vele Kerstdiensten kunnen putten uit dit kleine, rijke boekje. Pas in het begin van deze eeuw kon ik wat afstand nemen en schreef mijn eigen analyse van die inleidende hoofdstukken van Lucas (in de bundel: De Bijbel spiritueel). Maar verder heb ik niet zoveel met het evangelie van Lucas gewerkt. Ik hoop dat jij met hem op reis blijft gaan. Ik volg het graag,

Maarten 

Reactie van Maarten op definitieve tekst,

Beste Kees,
Zeker, de concentratie op het evangelie van Lucas, als één beweging waarin de messiaanse identiteit zichtbaar wordt, is tegengif tegen de barre werkelijkheid van de oorlogen in Europa en het Midden Oosten. De vraag die je uit de zuigkracht van de depressie houdt is: Wie is die Messias eigenlijk en waarom houdt hij het vol in deze wereld?
Ik wordt meegenomen door je waarnemingen. Inderdaad: Lucas geeft de weg van Jezus naar Jeruzalem als één beweging weer, met drie aspecten: hij komt vanuit de Joodse traditie, hij gaat zijn weg in deze ontmenselijkte samenleving en hij brengt de volken rond de tafel in Gods rijk.  In je samenvatting komt dat krachtig aan de orde. Het sprak me vooral aan om dat ik zelf lang bezig ben geweest met het Marcus evangelie, waarin de weg van Jezus twee bewegingen kent: vanuit Galilea naar de volken en dan weer terug naar Jeruzalem. Lucas heeft het evangelie opnieuw verteld als één beweging naar Jeruzalem toe, om dan daarna in Handelingen de beweging van de leerlingen van Jezus te vertellen als één beweging van Jeruzalem naar Rome en naar de volken. Jij hebt in de samenvatting en later in de uitwerking van de vele, vele verhalen deze éne beweging van Lucas’ evangelie vastgehouden, helder, doorzichtig, licht geschreven. Dat is niet eenvoudig – want er komt zoveel voorbij….Dat kan je alleen wanneer je lang en aandachtig bij de teksten blijft en dan ook weer op tijd afstand neemt. De componiste Goebaidoelina zei eens dat ze alleen kan componeren op ogenblikken van genade. Nou, zoiets geldt ook voor het schrijven over Lucas, denk ik. |

In de liederen van Maria en Zacharias laat je meteen de richting horen van de hele beweging: Gods rijk, waarin deze wereld veranderd en vernieuwd wordt. En mooi dat stiltemoment, wanneer Maria bezig is de dingen te overwegen. Krachtig beeld van de doop als werkelijk nieuw begin. Goed geschreven: over de mens als zoon van God, waarbij Adam en Christus bijeen komen. En dan stromen de verhalen voorbij waarin de houding van de Messias in allerlei variaties getekend wordt, soms in zijn ‘gastvrijheid’, dan weer als een ‘les in communicatie’ en dan weer als ‘werktheater’. Wat een ongelooflijk veelzijdig drama is dat toch. Schillebeeckx heeft je zeker geholpen om de goede toon te vinden. Maar het is wel helemaal jouw verhaal geworden.  
|Er zijn steeds van die puzzelmomenten, zoals raadselachtige uitspraken over duiveluitbanning, of dwarse waarschuwingen van Jezus om niet over de opstanding te spreken (als of dat gebeuren oor zich zelf moeten spreken), of over de vraag waarom eerst 12 en dan 72 leerlingen worden uitgezonden (eerst naar Israël en dan naar de volken?), maar er zijn ook verhalen die als het ware voor zich zelf spreken – zoals het lange lijdensverhaal aan het slot.  
En ja, het lijkt erop alsof Lucas nooit uitgeschreven raakt: hij blijft schrijven over de weg van Jezus, die als verborgen Messias van generatie tot generatie in onze geschiedenis meegaat, vandaag in Oekraïne en in en om de Gazastrook. Hij is de weg, zoals je terecht schrijft, met verwijzing naar het Johannesevangelie>

Bedankt voor je werk, Kees.

De voettocht door het leven, een samenvatting

De drie jaar durende levenstocht van de volwassen Jezus zal, dwars door alle hindernissen, er op gericht zijn om mensen te laten zien dat hij zelf de weg is, om de medemens te ontmoeten en hem de consequenties te laten zien wanneer hij hem wil volgen, en om zichzelf en de medemens scherp houden wie hij of zij eigenlijk is in de ogen van de Ene. 

De tocht zal er een zijn van Nazareth naar Jeruzalem, door de landen van Galilea en Juda, met Jeruzalem als “point of no return”. Stad van oeroude Joodse traditie waar de tempel staat waar de God van Israel aangebeden wordt , waar Jezus zich onlosmakelijk mee verbonden voelt , als een Zoon. Maar ook de stad waar diezelfde traditie zich als een vijand tegen hem zal gaan opstellen. Waar leven en dood in gevecht zullen gaan en waar het verhaal van Jezus de meest onverwachte apotheose krijgt wat de mensheid ooit zal horen: het leven zal overwinnen van de dood om een weg te plaveien voor een vrije doortocht voor gans de mensheid. 

Allereerst een tweetal logistieke kanttekeningen. Waar in het reisverslag weinig aandacht aan wordt besteed – en dat geldt voor alle 4 de evangelisten- is de manier van vervoer, de overnachtingen , dagelijkse persoonlijke verzorging en maaltijden. Ook is er schaarse informatie over de materiële bronnen die het Jezus mogelijk maken deze niet geringe klus te klaren. Allemaal particuliere sponsoring, zou je kunnen denken. Alleen in hfdk 8: 3 vind ik een duidelijke aantekening : als Jezus- na zijn optreden in en rond Kafarnaum, gaat rondtrekken, gaan er naast de 12 apostelen , 3 met name genoemde vrouwen ( Maria Magdala, Johanna en Susanna) “ en nog tal van andere vrouwen” mee, “ die uit eigen middelen voor hen zorgden”. 

En ten tweede : op de route krijgt ieder van de verblijfsplaatsen en werkplekken van Jezus een eigen betekenis. Boven werd de woestijn al genoemd , als lege plek om opnieuw te beginnen. Het zullen vervolgens de synagogen zijn waar hij de oorsprong van het heilsverhaal zoekt, maar waar hij ook de dialoog met de “oude “traditie in alle scherpte voert. En in de straten van de steden en op veldwegen rond de dorpen gaat hij geen confrontatie uit de weg, ziet hij de mens in zijn kwetsbaarheid, in zijn armoede en in zijn strijd met ziekte en pijn aan, verdrijft hij de tirannie van de machten die mens als een demon in de greep probeert te houden. Huizen zijn voor hem de plaatsen om binnen te gaan en om genezing te brengen, of om mee aan tafel te gaan en te delen in voedsel en wijn en in de boodschap over het koninkrijk van God, of ook de discussie aan te gaan met vriend en vijand. Een waterput op het land is voor hem een uitgelezen plek om in de ontmoeting met een vrouw de bron van leven te laten zien. Vissersboten op het meer als plekken van onderricht over wat vertrouwen betekent, in storm en ontij. Heuvels om ruimte te vinden om de menigte te onderrichten en de heilsboodschap verkondigen, waar hij laat zien hoe door te delen weinig in veel kan veranderen als er maar een paar broden en vissen beschikbaar zijn. En dan zijn er de plekken in de bergen om zich terug te trekken van de voortdurende aandacht en communicatie met anderen, om te kunnen bidden en zo in alle stilte in gesprek te zijn met zijn Vader.

Het zijn stuk voor stuk locaties waar hij de vraag aan de orde stelt aan zijn omgeving wie zij denken dat hij is en waar hij de spiegel voor houdt wie de mens is waarmee hij contact wil. 

Maar de meest indrukwekkende locaties in het Jezus-verhaal zijn toch die, waar hij zich zelf en zijn leven aan de orde stelt, waar de tirannie niet meer verdreven lijkt te kunnen worden , de dood hem wordt aangedaan, maar waar hij tegelijk die laatste locatie niet als eindpunt ziet, integendeel als nieuw startpunt voor een doortocht van het leven wordt gekozen.   Het zijn de rug van een ezel, een plek voor het avondmaal met zijn discipelen, de tempel in Jeruzalem, het hof van Gethsemane, de Olijfberg. de Schedelplaats, het graf van Armatea, en als laatste de tuin naast het graf. 

De menigte pelgrims en toeristen die in alle eeuwen daarna al die locaties bezoeken, kregen en krijgen de kans te luisteren naar de cruciale vraag naar wie zij denken dat Jezus is. En krijgen iets in handen om door te vertellen. Geen museale monumenten maar bronnen om opnieuw te beginnen. 

Waar het Jezus om gaat is de ontmoeting en het gesprek, met de nadrukkelijke intentie ieder die het horen wil deelgenoot te maken van een heilsboodschap. Een boodschap gebaseerd op de eeuwenoude lessen uit de Tora en de Profeten, met het oog op de hele wereld van het heden en met de zekerheid van een nieuwe morgen. In synagogen, in de openbare ruimte en in het open veld, waar menigten samenkomen om naar hem te luisteren, in gesprek met leerlingen die hem volgen en door hem uitgekozen apostelen. En in confrontaties en twistgesprekken met particuliere omstanders en bewoners van de dorpen en steden en vooral ook met de elite uit de joodse gemeenschap. Waarbij hij de boodschap ook praktische vorm geeft in tekens die bijna altijd ( Lucas vertelt over 17 specifieke situaties,) ) de genezing van een lichamelijke of geestelijke ziekte , waarvan tot tweemaal een opwekking uit de dood, van individuele personen raken. Daarnaast geeft Lucas drie maal beelden van een bijzondere ingreep (grote visvangst, stileggen storm, uitdelen van schaars voedsel aan velen). Mondeling en aanschouwelijk onderwijs , dat is zijn bagage, het vak dat hij dag in, dag uit met passie uitoefent. Hij begeestert velen. 

Als ik zoek naar de kern van wat hij zelf als zijn identiteit ziet, ga ik ook naar de andere synoptische evangelie-schrijvers Mattheus en Marcus. Daar vind ik gelijkgestemde verwoordingen. Bij de vierde Evangelist, Johannes, worden we verrast door een geheel eigen tekst ( Joh. 14:6)   Dat is waar Jezus zegt: : “ Ik ben de weg, de waarheid en het leven”. Ik lees dat als: “Volg mij op mijn weg, blijf niet op een vastgeroeste plek zitten; luister naar de waarheid, niet naar kletspraatjes, niet naar nepinformatie; en kies voor leven, een weg omhoog uit de bedreiging van de dood, uit de spiraal naar beneden. Volg mij, dat betekent voor jou bevrijding”.

Identiteit krijgt gestalte in de hand die je uitgestoken krijgt en die jou vastpakt om het goede pad te vinden. En die jij vervolgens er toe aanzet om jouw hand aan de ander aan te bieden die er om vraagt. 

In de ogen van bepaalde groepen uit de joodse gemeenschap daarentegen is hij een irritante drammer en wordt hij van lieverlee getypeerd als een gevaar voor de samenleving. Zij weten uiteindelijk de Romeinse overheersers ervan te overtuigen hij dat hij dat met de dood moet bekopen. En dat gebeurt door middel van een kruisiging, in die tijd geen ongebruikelijke vorm van executie. En vooraf en tijdens die dramatische gebeurtenissen zal het meest menselijke gedrag van zijn omgeving te zien zijn: mensen die hem eerst met gejuich binnenhalen als hij op een ezel zittend de stad binnenrijdt, apostelen die bij een laatste avondmaal vooral discussiëren over hun eigen positie, maar die in slaap vallen als Jezus, later in doodsangst gegrepen, zijn Vader om hulp bidt, een van de apostelen, Judas, die hem verraadt en een van de vrienden die uit verdediging de soldaten met fysiek geweld   te lijf wil gaan, een Romeinse bestuurder die zijn handen in onschuld wil wassen en de verantwoordelijkheid voor een doodsstraf doorschuift naar het volk, een cynische betiteling -als identiteitsaanduiding- op het kruis van INRI, Jezus Christus koning der Joden, soldaten die zitten te dobbelen om een kleed van Jezus, een apostel, Petrus, die tot driemaal net doet of hij niet bij de Jezus-groep hoort, als hem er naar gevraagd wordt, en wiens verloochening, zoals door Jezus voorspeld, wordt bekrachtigd door hanengekraai. Van ezel tot haan, het lijkt wel of de dierenfabel gebruikt wordt om het menselijk falen op cruciale ogenblikken in één verhaal te vatten. 

Toch is er ook mede- menselijke bewogenheid. De man die ( weliswaar gedwongen) Jezus te hulp schiet bij het dragen van het kruis, het indringende verdriet van de vrouwen bij de kruisiging, en de ontroerende uitspraak van een Romeinse militair”: Werkelijk, deze mens was een rechtvaardige!”. En de graflegging later vindt plaats op een door een vriend ter beschikking gestelde locatie, Arimathea. 

Jezus zelf kiest aan het kruis laatste woorden waarmee hij aangeeft dat zijn Vader de ultieme bron is waar hij vandaan komt en weer bij terugkeert : ”Vader, in uw handen leg ik mijn geest”. 

Wat er na de graflegging gebeurt is eigenlijk met geen woorden te beschrijven. De kleine groep direct om hem krijgt . als een soort omkering van de werkelijkheid , te maken met het meest onverklaarbare teken van zijn boodschap: een opstanding uit de dood. Aanvankelijk met ongeloof maar gaandeweg met aanvaarding dat de heilsboodschap die hij altijd gepredikt heeft ook het leven zelf betreft: het houdt niet op bij de dood. Jezus presenteert zich door de dood heen. “En jullie , wie zeggen jullie dat ik ben”. De vraag echoot na, toen en alle eeuwen nadien. 

Bij Lucas is er geen 40 dagen nodig tot aan de Hemelvaart. Zijn evangelieverhaal laat het vertrek van de wereld van Jezus vrijwel direct na de eerste dagen van de opstanding plaats vinden. Met slechts een paar woorden aangeduid. Dat beeld vormt dan het einde van zijn evangelie. 

Als we onderzoekers op dit gebied mogen volgen, gaat Lucas verder met schrijven, over de dynamiek die na dat vertrek is ontstaan bij de discipelen, de vrouwen, de volgelingen , in Israel maar vooral ook over de Joodse landsgrenzen heen, Klein Azie/Turkije, Griekenland tot aan Rome toe. De dynamiek die een beweging in gang zet die als Jezusbeweging begint en doorzet als een uitwaaiering van christengemeenten. Dat schrijven neemt in de Bijbel de plaats in als boek onder de naam de Handelingen van de Apostelen

Een bundel verhalen 

Het vervolg van mijn impressie is een bundel van 42 verhalen, de lijn van de tekst van het evangelie volgend. Elk verhaal heeft een eigen titel gekregen, Hieronder wordt de index van titels weergegeven als hyperlinks. Op een titel klikken brengt de lezer naar mijn feitelijke tekst. De lezer kan daardoor eenvoudiger een keuze maken wat hij/zij wil lezen. 

De eerste confrontatie (Lc 4: 14-30)

De tirannie verdrijven (Lc 4: 31-44)

Loslaten (Lc 5: 1-11) 

Genezen (Lc 5: 12-39)

De sabbat is er voor de mens (Lc 6: 1-11)

Eerste contouren van een werkgemeenschap (Lc 6: 12-16)

Lessen in liefde (Lc 6: 17- 49 )

Vertrouwen en ontferming (Lc 7: 1-17)

Johannes de doper (L7: 18- 35)

Gastvrijheid (1) (L7:36-50)

Van onderricht naar verkondiging (Lc8: 1-3)

Een les communicatie ( Lc 8: 4- 21)

Het gezag van Jezus (Lc 8: 22- 56 )

Werkopdracht en werkhouding ( Lc 9: 1-6)

Je bent wat je deelt ( Lc 9: 7-17)

En Jullie, wie denken jullie dat ik ben? (Lc 9: 18 -50)

De praktijk van de uitzending (Lc 10 : 1- 24) 

Nadenken over prioriteiten (Lc 10: 25- 42) 

Het ‘Onze Vader’ als werktheater (LC 11: 1-13 )

Het koninkrijk van God ( Lc 11 : 14-36) 

De pot verwijt de ketel ( Lc 11: 37-54) 

Hoed je voor macht en hebzucht (Lc 12:1 -21)

Bezit delen en zorg hebben voor (Lc 12: 25-53)

Zelfstandig oordelen ( Lc 12: 54 – 13: 1-9)

Goed voorbereiden (lc 13:10- 35)

Gastvrijheid (2) ( Lc 14: 1-24)

Opofferen (Lc14 :25 -35)

Verloren schapen (Lc 15 : 1- 32)

Rijkdom en rechtvaardigheid (Lc 16 : 1-31)

Uitdagingen in het leven (Lc 17: 1-10)

Waar ben ik, waar ben jij? (Lc 17: 11-37) 

Leren bidden (Lc 18 :1- 14)

Als een onbevangen kind (Lc 18: 15-30)

“Wie ben ik”: Een laatste onderricht en verkondiging (Lc 18:31- 19:28)

De stad en de tempel : de ontvangst ( Lc: 19:29-48)

Wat is je mandaat, Jezus? ( Lc 20-1-8)

Tevergeefse valkuilen (Lc 20: -21:4)

Blijf waakzaam . let op de tekenen ( Lc21: 5-38)

Bittere ironie ( Lc 22:1-Lc23 :25)

Verloren zaak ? (Lc 23:26-Lc 24: 4a)

‘Dit ben ik’: een levend bewijs ( Lc24:4b- 52)

De eerste confrontatie (Lc 4: 14-30)

En dan begint de reis van drie jaar door Galilea, Judea naar Jeruzalem. “Vervuld met de kracht van de Geest”, zoals Lucas dit aangeeft. Het nieuws over hem gaat als een lopend vuurtje door de regio.

Onderricht in de synagogen in Galilea spreekt velen aan. 

In de synagoge in Nazareth, de plaats van zijn jeugd, komt hij “uit de kast”. Hij leest uit Jesaja ( 61:1-2)    ‘De Geest van de Heer rust op Mij, want Hij heeft Mij gezalfd. Om aan armen het goede nieuws te brengen heeft Hij Mij gezonden, om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden het herstel van hun zicht, om onderdrukten hun vrijheid te geven, om een genadejaar van de Heer uit te roepen.’ en zegt dat deze woorden “vandaag” in vervulling zijn gegaan. Het komt, als je het nu leest, een tikkeltje pretentieus over. De synagogebezoekers zijn dan ook verbaasd en vragen “ Dit is toch die zoon van (onze dorpsgenoot, de timmerman) Jozef?”. En Jezus geeft meteen concreet aan wat zij van hem mogen verwachten. Als ze denken dat hij als een soort wonderdokter komt, kan hij zichzelf dus ook genezen, zullen ze denken. Neen, zo niet. En hij komt ook hier in Nazareth niet doen waarvan ze gehoord hebben dat hij in Kapernaum gedaan heeft. Neen, een profeet is in zijn eigen omgeving niet geliefd, dat is hij zich bewust, maar hij, Jezus, wil in woord en daad, laten blijken waar de mens met de heilsboodschap vertrouwen in mag hebben. Zoals in het verhaal over Elia, die bij de vrouw in Sidon voedsel kwam brengen en niet in Israel waar wel hevige hongersnood heerste. En zoals over Elisa is verteld dat hij de Syriër Naaam van de huidziekte genas en niet de talloze Israëlieten met die aandoening. 

Als hij zich zo scherp profileert, wordt hij voor het eerst geconfronteerd met vijandig optreden, een bedreigende houding van de omstanders die hem uit de gemeenschap, zelfs in de afgrond willen gooien. Zijn reactie is niet mis, , zoals hij ook later zijn discipelen zal leren: recht je rug en loop door. En dat doet hij ook. 

De tirannie verdrijven ( Lc 4: 31-44)

Weer teruggekeerd naar Kapernaum is hij vaste spreker in de synagoge op de sabbat dagen. En ook hier maakt hij met zijn woorden grote indruk op veel synagogegangers. En ook hier wordt hij geconfronteerd met een uitdaging. Want tijdens een van die sabbatsvieringen is er tussen het synagogepubliek een gestoorde man die aan het schreeuwen slaat en Jezus aanvalt met dreigende woorden. “ Wat kom jij uit Nazareth hier doen, ons vernietigen ? Ik weet heus wel wie je bent : een heilige van God !” Jezus pareert deze scheldkanonnade door te doorzien dat het hier om een kwade genius ( demon) gaat die de man in zijn greep heeft. En het voelt alsof hij alweer door die demon uit de woestijn wordt verleid tot een weerwoord. Daar gaat hij niet op in , maar wat hij wel doet is een wonderlijk staaltje gezag : hij weet de man te verlossen van die demonische kwelgeest. Hij redt een mens, geeft de duivel een trap na. Het voorval gaat als bijzonder nieuws door de regio. 

In het huis van Simon, waar ze na het synagoge-bezoek naar toe gaan, “spreekt hij de koorts (bij Simon’s schoonmoeder) bestraffend toe “ en de koorts verdwijnt, vele anderen die op hem afkomen worden genezen van ziekten als Jezus zijn handen op hen legt, en worden demonen , die schreeuwen “Jij ben de Zoon van God !” door Jezus uitgedreven. 

Bij dit eerste optreden laat hij zien dat hij niet komt om zoete broodjes te bakken maar om de kwade krachten, die als tirannen de mens in hun macht proberen te krijgen en de heilsboodschap in een kwaad daglicht willen stellen, met groot gezag te verdrijven. Hij voegt er nog ( bestraffend) aan toe dat ze hun mond moeten houden over hun ( foute) gezwets dat ze wel weten dat hij Gods Zoon is ( of ook de Heilige van God). Ze moeten beter weten, dat hij optreedt als de Messias (hier op aarde) om mensen uit hun ellende halen, en dat hij zelf nota bene ook overweldigd zal worden door tirannie. 

De vraag naar de identiteit van Jezus wordt bij de start van zijn tocht duidelijk aan de orde gesteld. Zoon van God, Messias? Jezus wil geen dogmatische dialoog, hij zegt “kijk naar wat ik doe, hoe ik met de medemens om ga. Daar gaat het om”. 

Jezus wordt, als hij even uitrust van deze incidenten, gevraagd te blijven daar in Kapernaum. Hij geeft aan dat het de bedoeling is door te trekken en het goede nieuws over het Koninkrijk van God ook in andere steden te brengen.

Loslaten (Lc 5: 1-11)

In het geboorteverhaal van Jezus waren het de herders, die alles uit hun handen lieten vallen, ook hun verantwoordelijkheid voor de schapen, om naar Jezus te komen . Er gebeurt iets overeenkomstigs aan het meer van Gennesaret, waar de volwassen Jezus op zoek is naar mensen met eenzelfde levenshouding, maar nu met het doel om hem te volgen. Hij vindt die houding bij drie vissers, Simon Petrus, Jacobus en Johannes ( de laatste twee zijn zonen van Zebedeus). Hij werft zijn eerste medewerkers op een bijzondere manier. Als hij bij een van de vissers, Petrus, aan boord is gestapt en vandaaruit een toegestroomde menigte mensen op de oever onderricht geeft over het woord van God, gebeurt er iets onverwachts. Hij merkt een grote teleurstelling bij Simon, niet over zijn woorden, maar over wat de vissers in de voorgaande nacht meemaakten, ze hadden gevaren zonder enige vangst. Jezus raadt ze aan om naar dieper water te gaan en daar de netten uit te gooien. Tegen beter weten in, volgt Petrus toch die raad op en er wordt een massale vangst binnengehaald, ook de andere boten met Jacobus en Johannes moeten erbij komen om, met grote moeite, alles aan boord te krijgen. Simon Petrus schaamt zich diep voor zijn aanvankelijke skepsis, en vraagt Jezus om weg te gaan “want ik ben zondig, Heer”: En met hem zijn alle anderen verbijsterd over wat ze daar voor hun ogen zien gebeuren. Maar dat is het moment waarop Jezus juist groot vertrouwen uitspreekt in die mannen: “ Wees niet bang, kom met me mee, jullie gaan nu mensen “vangen””. En zij laten alles achter zich, de boten en alles er op en er aan, die ze op land hebben getrokken, en ze gaan Jezus volgen. 

Herders en vissers, die hun oude stiel opgeven om het verhaal van God’s Koninkrijk door te vertellen, daar moet Jezus het van hebben. De schapen of ook lammeren en de vissen komen in het vervolg van zijn tocht vaker in de verhalen voor. Het levert de tekens van zijn identiteit op, waaraan christenen elkaar later zullen herkennen : Agnus Dei , het lam Gods en Ichthus , de vis.

               

Genezen (Lc 5: 12- 39)

In drie ontmoetingen hierna wordt genezing van ziekten in direct verband gebracht met vergeving van zonden. In het eerste geval komt er een man bij hem met ‘een ziekte die onrein maakt’ en smeekt Jezus hem rein te maken. Dat geschiedt ook door hem aan te raken en hardop te zeggen ’ik wil het, word rein’. Hij vraagt hem wel om er niet over te praten in het openbaar maar om naar de synagoge te gaan en het de priester te tonen en daar voor de mensen een reinigingsoffer als getuigenis te brengen ,‘zoals Mozes heeft voorgeschreven’. Dit laatste verwijst hoogst waarschijnlijk naar Lev. 5: 12-16: 

Ook wie vergeet dat hij in aanraking is geweest met iets onreins, zoals het kadaver van een wild of tam dier of het kadaver van een kruipend dier, en daardoor onrein blijft, maakt zich schuldig, net als iemand die vergeet dat hij in aanraking is geweest met de onreinheid van een mens, van welke aard dan ook. De betreffende persoon moet, zodra hij zich van zijn schuld bewust wordt, openlijk uitspreken wat hij misdaan heeft en de HEER hiervoor bij wijze van genoegdoening een vrouwelijk dier, een ooi of een geit, als reinigingsoffer aanbieden. De priester zal voor hem de verzoeningsrite voltrekken.

Met andere woorden, Jezus geeft de religieuze traditie van het Joodse volk, waar het onderhouden van reinheid als basishouding van leefgedrag geldt, hier alle voorrang. In zo’n zaak als van de onreine man zal er sprake zijn van al dan niet bewust gedrag waardoor hij een ziekte heeft opgelopen. De genoegdoening bij genezing vereist vervolgens een ritueel door een priester te voltrekken. Maar aan de genezing zelf, de aanraking door Jezus, moet geen ruchtbaarheid worden gegeven, daar heeft hij geen behoefte aan. Uit volgende teksten kan je opmaken dat Jezus veelal het uitroeien van de oorzaak van ziekte een antwoord is van God op het getoond geloofsvertrouwen van de mens. En daar kan hij als Gods zoon een hand in hebben. Maar daarover moet je niet teveel over praten. Dat schaadt zijn positie. 

Een volgend voorval brengt Jezus in een huis waar hij onderricht aan het geven is, met een groot gehoor, binnen en buiten. Onder het gehoor zijn ook farizeeën en wetsgeleerden uit alle windstreken van de regio, van Galilea, tot Judea en Jeruzalem, die waren komen luisteren ( uit meer dan nieuwsgierigheid, als je de verdere tekst leest). Het optreden wordt verstoord door een opmerkelijke actie van een aantal mannen uit de omgeving. Die wilden met een vriend of familielid, die verlamd was naar Jezus zien te komen, niet om naar zijn lessen te luisteren maar om hem te vragen de verlamde te genezen. Doordat ze met het ziekbed en de verlamde niet door de menigte heen konden komen, gingen ze zover dat ze naar boven klommen en het bed met verlamde en al door een opening in het dak naar beneden lieten zakken vlak voor de voeten van Jezus. Jezus, die de kracht om te genezen in zich weet, gaat daar toch anders mee om dan de mensen verwachten. Hij reageert eerst met de woorden die hij tegen de verlamde uitspreekt: “Uw zonden zijn u vergeven”, Het lijkt er op alsof Jezus hier optreedt als priester, die genoegdoening namens God geeft, in de lijn van de Joodse traditie, maar dat is niet het hele verhaal; Lucas schrijft op dat Jezus zijn kracht om te genezen gebruikt als hij ziet hoe het geloof van de vrienden en de man hen tot deze opmerkelijke actie brachten. De farizeeën en schriftgeleerden zien dit niet zo en morren onder elkaar over wat ze horen, vinden het godslasterlijke taal, “Wie kan zonden vergeven dan God alleen?”. Jezus raadt hun gedachten en brengt een ijzersterk argument in: “wat is gemakkelijker, alleen maar roepen ‘Uw zonden zijn u vergeven, of zeggen “Sta op en loop” ? Let op, ik heb van God als Mensenzoon de volmacht gekregen om hier en nu, op aarde, zonden te vergeven”. En hij voegde de daad bij het woord en gaf de verlamde het teken om op te staan , zijn bed op te pakken en naar huis te gaan. Dat gebeurde ook. De verlamde en allen die het had zien gebeuren, stonden versteld en loofden God. “Vandaag hebben we iets ongelooflijks gezien”!

De farizeeën en schriftgeleerden vinden even later weer een aanleiding om het gedrag van Jezus aan de kaak te stellen. Hij was na de genezing van de verlamde weer verder gelopen en bij het tolhuis had hij de tollenaar Levi zien zitten. ( tollenaars werden gezien als corrupte belastinginners) . En Levi had zich aangesproken gevoeld door een oproep van Jezus om met hem mee te gaan, en had – net als de herders in het geboorteverhaal en net als de vissers op het meer van Gennesaret– alles uit handen laten vallen, en was Jezus gaan volgen. Van de weeromstuit organiseert hij in zijn huis een feestmaal en nodigt, naast Jezus een groot aantal andere tollenaars en nog anderen uit zijn netwerk uit. Als de farizeeën en schriftgeleerden dat doorkrijgen, roepen ze de leerlingen van Jezus (die daar ook bij waren) ter verantwoording “Waarom eten en drinken jullie met tollenaars en zondaars ?” Jezus neemt de regie en antwoordt niet zonder humor: “ Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, zieken wel. Ik eet en drink met mensen die ik op kan roepen een omkeer in hun leven te maken, de rechtvaardigen hebben dat niet nodig”. Zij houden nog even vol met criticas-teren en stellen de leerlingen van Johannes en ook die van de farizeeën ten voorbeeld. “Die vasten en bidden tenminste , Uw leerlingen eten en drinken maar”. “ja”, zegt Jezus, maar zolang op een feest de bruidegom er nog bij is, ga je toch niet vasten ? Als hij niet meer onder hen is, dan wordt het tijd om te vasten”. 

Met een gelijkenis houdt hij, na wat er bij Levi gebeurd en gezegd is, iedereen bij de les: oude mantels worden niet versteld met van nieuwe mantels afgescheurde lappen, daar   schiet je niets mee op, evenzogoed giet je geen jonge wijn in oude leren zakken, dat geeft alleen maar scheuren. Jonge wijn hoor je in nieuwe zakken te doen. Het probleem is echter nog dieper: mensen die gewend zijn om oude wijn te drinken, stappen niet over op jonge wijn, de oude is in hun beleving beter “. Met andere woorden, als je geen vernieuwing wil, geen omkering in je ( zondig) gedrag, blijft alles bij het oude, wat je ook aan de buitenwacht aan zogenaamde veranderingen tentoonstelt. Ik maak alle dingen nieuw, van binnen en van buiten. 

De kerngedachte die bij mij opkomt, als ik deze drie verhalen over genezingen   en zondig gedrag , zou ik zo willen samen vatten, als een onderricht van Jezus aan ons: 

“Kom niet naar mij toe om alleen een beroep op mij te doen te doen alsof ik een wonderdokter, een kwade-geestbezweerder, de EHBO-er als de nood aan de man is, de mores-leerder, een nieuwe sterke leider zou zijn. Laat daarentegen zien dat je naar mij toe komt omdat je mijn weg wilt volgen, dat je geloof in mijn Vader hebt. Dan kan je met een schone lei beginnen, en valt de kracht die ik heb gekregen van Hem om jou vrij te maken, in goede aarde”. 

De sabbat is er voor de mens (Lc 6: 1-11)

In deze twee verhalen wordt het beeld dat wij van Jezus en zijn boodschap hebben , op scherp gesteld. Zet hij de door God gegeven wet en de praktijk van de naleving daarvan opzij en propageert hij een in mensenhanden toevertrouwde ”vrije” samenleving of staat hij iets anders voor ogen? En wat is rol van Jezus daarin nu precies? 

In het eerste verhaal vallen de farizeeën hem aan op wat ze daar op een sabbat bij korenvelden zien gebeuren, en wel dat de leerlingen aren lopen te plukken, die fijn wrijven en ervan eten. Streng verboden volgens de Joodse wetten! En Jezus, jij laat dat gewoon gebeuren. In die setting geeft Jezus een lesje uit de Profeten. “Weten jullie nog hoe David omging met de voorschriften, toen het om eten van zijn mannen ging?”   lees 1 samuel 21:6 er maar op na:

“Daarop ging David weg en Jonatan keerde terug naar de stad. David begaf zich naar Nob, naar de priester Achimelech. Deze kwam hem geschrokken tegemoet en vroeg: ‘Waarom bent u alleen, waarom is er niemand bij u?’ ‘Orders van de koning,’ antwoordde David. ‘De koning heeft me belast met een opdracht waarvan niemand iets mag weten. Mijn mannen wachten op me op een afgesproken plek. Maar nu ter zake: wat hebt u in voorraad? Geef me vijf broden, of wat u anders in huis hebt.’ ‘Gewoon brood heb ik niet,’ antwoordde de priester. ‘Ik kan u wel gewijd brood geven, maar alleen als uw mannen geen omgang met een vrouw hebben gehad.’ ‘Wij hebben zoals gewoonlijk de verplichting op ons genomen om ons van de omgang met vrouwen te onthouden,’ antwoordde David. ‘Altijd als ik er met mijn mannen op uit trek zijn wij en alles wat we bij ons hebben gewijd, zelfs als het een gewone onderneming betreft. Dus vandaag zijn we zeker gewijd.’ ‘Wij hebben zoals gewoonlijk de verplichting op ons genomen om ons van de omgang met vrouwen te onthouden,’ antwoordde David.’ ‘Wij hebben zoals gewoonlijk de verplichting op ons genomen om ons van de omgang met vrouwen te onthouden,’ antwoordde David. ‘Altijd als ik er met mijn mannen op uit trek zijn wij en alles wat we bij ons hebben gewijd, zelfs als het een gewone onderneming betreft. Dus vandaag zijn we zeker gewijd.’ Daarop gaf de priester hem gewijd brood, want hij had geen ander brood dan het toonbrood uit het heiligdom van de HEER , dat om de zoveel dagen wordt ververst.

David. zo argumenteert Jezus, eigende zich dus gewijd brood toe uit de tempel, omdat er niets anders was, terwijl dat eigenlijk met allerlei voorschriften omgeven was. “De mensenzoon is heer over de sabbat”. In feite wil hij zeggen, de regels , i.c. de naleving van de sabbat , zijn er voor de mens, de mens is niet voor de regels. Marcus heeft in zijn evangelie bij dit incident iets ruimer geschreven: ( 2: 27-28) : “ De sabbat is er voor de mens en niet de mens voor de sabbat, en dus is de Mensenzoon ook heer over de sabbat”. 

Opmerking van mij(dD) : Het commentaar van Schillebeecks ( “Jezus, het verhaal van een levende”, pag. 196/197) bij dit leermoment is de moeite waard : 

De zin van het logion zou zijn: ‘omdat de sabbat er is voor de mens, daarom juist is de mensenzoon Heer van de sabbat’. De redenering van het logion onderstelt dan als aanvaarde discussiebasis de joodse beaming van het beginsel dat de sabbat er is voor de mens; zij wil daaruit dan, met het oog op Jezus, de mensenzoon, conclusies trekken. Sinds de Makkabeeëntijd (zie Mekiltha Ex. 31,13-14) zou het gevleugeld woord: ‘de sabbat is er voor de mens’ in omloop zijn geweest. Van daaruit zou men de redenering in Mc. 2,27-28 moeten begrijpen. God staat achter de sabbat; en ook Jezus wil het sabbatbeginsel geenszins aanvallen. Maar God heeft de sabbat bedoeld als geschenk aan de mens en voorde mens (Deut. 5,12-15; Gen. 2,2-3; Ex. 20,8-11). In Israël werd immers de sabbat ingevoerd vanuit sociale bewogenheid (om rust te geven ‘aan slaven en vee’); dit werd nadien theologisch gefundeerd in het scheppingsverhaal. De judaïsche casuïstiek rond de sabbat stond oorspronkelijk in dienst van de veiligstelling van dit goddelijk geschenk tegenover menselijke willekeur. Maar juist deze juristerij heeft op den duur de zin zelf van de sabbat verraden: de sabbat-wet, bedoeld als rust en verademing voor de mens, was door deze casuïstiek verworden tot een ondragelijke last voor de mens. Hiertegen moest Jezus, de verkondiger van de op menselijkheid bedachte Gods heerschappij, vanuit het wezen van zijn boodschap, protesteren tegenover de sabbat-verordeningen der vaderen en schriftgeleerden wordt in Mc.2,28 de volmacht van de mensenzoon gesteld.

…….

De ‘volmacht’ waarmee door Jezus wordt gesproken is de volmacht van de profeet ‘van Godswege’, die de op menselijkheid bedachte (vandaar Jezus’ kritiek op die wetten) Góds heerschappij (vandaar: eerbied voor Góds wet) verkondigt. Jezus’ kritiek op de wetten én zijn eerbied voor Gods wet hangen wezenlijk samen; het harmoniseert volkomen met zijn prediking van de Gods heerschappij en de praxis van het rijk Gods. De tekst is soteriologisch van oorsprong; in Mc. krijgt hij een christologische pointe (na pasen terecht, maar als zodanig is het een explicitatie van de soteriologie van Jezus’ boodschap en praxis. Ik kan me, gezien zijn terughoudendheid in zelf-getuigenissen – zijn zaak is immers de zaak van God -, onmogelijk voorstellen, dat Jezus zelf zou kunnen zeggen: ‘ik – de mensenzoon in de zin van “ik” – ben de Heer van de sabbat’). In zijn persoonlijke identificatie met de zaak van God als zaak van de mens, waaruit zijn sabbat-kritiek ontspringt, is dan weliswaar een christologische vraag mede-gegeven, die echter pas na pasen geëxpliciteerd wordt.

Een direct daarop volgend verhaal speelt zich ook af op een sabbat. Jezus geneest, tijdens onderricht in de synagoge, iemand met een misvormde hand, die hij naar voren riep. Lucas beschrijft dat voorval als een interactie van uitdagingen tussen de daar aanwezige schriftgeleerden en farizeeën, die met argusogen zaten op te letten of jezus onwettig gedrag vertoonde aan de ene kant en aan de andere kant Jezus die had door wat er aan de hand was en hen uitdaagde met de vraag of er op de sabbat goed of kwaad mag worden gedaan, of je een leven mag redden op de sabbat of verloren laten gaan. Ook nu stelt Jezus – om met Schillebeecks te spreken- de sabbat als “geschenk van God aan en voor de mens” op de voorgrond. En hij kan dat doen als een mensenzoon die volmacht van Gd heeft gekregen, in die hoedanigheid. 

Zijn opponenten zijn in alle staten. Lucas noteert dat dit aanleiding is voor hen om na te gaan denken over vervolgstappen, over wat ze met Jezus zouden doen. 

               

Eerste contouren van een werkgemeenschap (Lc 6: 12-16)

Jezus zet de eerste stappen om zijn werk te organiseren. Hij doet dat niet nadat hij zich een nacht lang daarop heeft voorbereid door een gesprek met God, zijn Vader, in een lang gebed aan te gaan. We horen niet wat hij gebeden heeft, dat houdt hij als mysterie voor zich. We horen wel de locatie: Jezus trok zich terug op een berg en na het nachtelijk gebed riep hij al zijn leerlingen bij zich. En we horen ook de uitslag: uit de inmiddels uitgedijde groep leerlingen/ discipelen om hem heen selecteert hij 12 mannen, die hij, zo staat het er, apostelen noemt. Boodschappers moeten het worden. Later in het evangelie komen de specifieke taken, volmachten, aan de orde. De 12 ( een aantal dat zou verwijzen naar de 12 stammen van het volk Israel) zijn: Simon, aan wie Hij de naam Petrus gaf, diens broer Andreas, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartolomeüs, Matteüs en Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon, bijgenaamd de Zeloot, Judas, de zoon van Jakobus, en Judas Iskariot ( die een verrader zou worden).

                                                              

Lessen in liefde (Lc 6: 17- 49 )

Direct daarna moet hij zich weer in zijn werk storten. De grote groep leerlingen en de menigte uit streken van dichtbij en van ver, die hem steeds blijven volgen verwachten veel van zijn inspirerend onderwijs en van de kracht om zieken te genezen en duivels uit te drijven. Ze willen ook steeds zover gaan dat ze hem zelfs kunnen aanraken. Hij zoekt een goede plek lager op de berghelling, een vlak stuk waar hij allen overziet. Terwijl hij zijn blik richt op zijn leerlingen , begint hij met de Zaligsprekingen: Gelukkig wie arm is, want je krijgt koninkrijk van God in je schoot geworpen, wie honger heeft zal verzadigd worden, wie nu huilt zal lachen, wie door mensen omwille van de Mensenzoon gehaat, buitengesloten, beschimpt, naam door het slijm gehaald worden – zullen opspringen van blijdschap, want ze worden rijkelijk beloond in de hemel. Er is, wat die haatdragende houding van je omgeving betreft, niets nieuws onder de zon, want de voorouders van die mensen behandelden hun profeten ook zo. Opmerkelijk dat Jezus hier de leerlingen en andere volgelingen op een lijn stelt met profeten, het lijkt alsof hij zichzelf hier ook op het oog heeft. Hij laat niet na te tonen wie hij is. Maar, zo vervolgt hij : wee die rijk is, verzadigd is, lacht, wanneer alle mensen lovend over je spreken ( dat hebben jullie voorouders met valse profeten ook gedaan) . En luister goed: Heb je vijanden lief, wees goed voor wie jullie haten; zegen wie jullie vervloeken; bid voor wie jullie slecht behandelen; keer andere wang toe aan wie jou op de wang slaat; geef je onderkleed ook als iemand je bovenkleed afneemt; geef aan ieder die iets van je vraagt en eis geen bezit terug als iemand het afneemt. Behandel anderen zoals je wilt dat ze jullie behandelen. Denk je soms dat het een verdienste is om lief te hebben wie jou liefhebben, om weldaden te bewijzen aan wie jou weldaden bewijst, om geld te lenen aan degenen van wie jets terugverwacht ? Ook zondaars hebben lief wie hen liefhebben, bewijzen ook weldaden aan wie hen weldaden bewijzen, lenen ook geld aan zondaars terwijl die bij hen in het krijt staan. Heb dan daarom je vijanden lief, doe wel , leen geld zonder iets terug te verwachten, dan word je rijkelijk beloond , zal je kinderen van de Allerhoogste zijn, want ook Hij is goed voor wie ondankbaar en kwaadwillig is. Wees barmhartig, zoals jullie Vader dat is, oordeel niet, veroordeel niet, vergeef, geef, het zal jullie ook worden aangedaan en een goed geschudde en overvolle maat die je voor anderen gebruikt zal je ook gegeven worden. En hij legt dit verder ook uit in de vorm van gelijkenissen: 

Blinden die elkaar willen leiden, vallen in een kuil. 
Eerst je alles eigen maken, dan ben je gelijke van je leermeester.
Splinter in de ogen van een ander zien en niet de balken in je eigen oog.
Goede bomen en slechte bomen en hun vruchten zijn als de schatkamer van het hart van de mens.. Waar het hart vol van is loopt de mond van over.
Naar mij (Jezus) luisteren en wel of niet er naar handelen; een huis bouwen op een fundament diep in de rotsgrond of zonder fundament bouwen. Het water beukt tegen het huis en dat stort wel of niet in. 

                                                              

Vertrouwen en ontferming (Lc 7: 1-17)

Na dit optreden, als leraar in een leerhuis, maar dan buiten de synagoge, trekt Jezus door, weer terug naar Kafernaüm in Galilea. Een Romeinse legeraanvoerder, een centurio, dus iemand buiten de Joodse gemeenschap, hoort van de bijzondere mens Jezus en vraagt hem om hulp; zijn slaaf op wie hij gesteld is, is ernstig ziek. Hij laat aan een paar oudsten van de Joden naar hem toegaan om hem te vragen zijn slaaf van de dood te komen redden. Die oudsten doen dat en pleiten bij Jezus met nadruk om te gaan helpen omdat zij de centurio hoog achten. Hij is het Joodse volk goedgezind, heeft zelfs voor hen een synagoge laten bouwen ! Als Jezus dan vervolgens met hen meegaat naar het huis van de centurio, krijgt hij een bericht van de centurio ( via vrienden), waar grote schroom van de kant van de centurio uit spreekt. Die vraagt Jezus niet bij hem binnen te komen , zoals hij ook niet zelf naar Jezus is toe gegaan. “Ik ben het niet waard dat u die moeite doet of dat ik u persoonlijk lastig val, spaar u die moeite. Spreek, waar u bent, een woord, en hij zal genezen. Ik weet immers hoe het is om met gezag te kunnen optreden, dat is in het leger toch ook zo: ik krijg mijn orders van hogerhand en ik deel weer orders uit aan mijn soldaten, en dat werkt goed”. Jezus staat versteld van deze opvatting: enerzijds een strenge gezags-regel, anderzijds een diep vertrouwen in de onderlinge verstandhoudingen. En dat hij dat dan ook nog van een Romeinse legeraanvoerder moet horen. Hij geeft de menigte die hem volgde van aan wat hij daar ziet gebeuren. Hij draait zich om en zegt: “Ik zeg jullie, zelfs in Israel heb ik niet zo’n groot geloof gevonden”. Kennelijk spreekt hij daar ook woorden van genezing uit, want even later vinden de vrienden van de centurio de slaaf in goede gezondheid aan. 

In diezelfde dagen vindt in een nabijgelegen plaats Naim een tweede optreden plaats, waar Jezus het onmetelijke verdriet aanschouwt van een rouwstoet van een weduwe haar enige zoon ook nog heeft verloren en nu gaat begraven. Jezus is overmand door ontferming over zo’n gebeuren. Dat is de drive om de jongen aan te raken en hem tot het leven terug te brengen. 

Lucas noteert een diep ontzag onder de bevolking over dit optreden. God wordt geloofd. Heeft zich over ons ontfermd , een groot profeet is opgestaan. Het nieuws hierover verspreid zich over hele regio, tot Judea toe. 

               

Johannes de doper (L7: 18- 35)

Johannes, die ook in de regio rondtrekt en van Jezus en zijn optreden hoort, wil weten of de mens Jezus waar zoveel over gesproken wordt dezelfde is waarvan gezegd is dat Hij zal komen of dat er een ander te verwachten is. Hij stuurt ( 2!) van zijn leerlingen op hem af met die vraag. Jezus wijst op de tekenen, waar hij ook mee doende is op dat moment, ( blinden die weer zien, verlamden die weer lopen, genezingen van huidziekten, opwekking van doden , goed nieuws voor armen). En spreekt dan de woorden: “Gelukkig is degene die aan Mij geen aanstoot neemt “. Het gaat niet om een mens Jezus die goede daden verricht, , maar om het brengen van geluk, van Gods heil op de mens bedacht. En jij mag je gelukkig prijzen, wanner je er geen aanstoot aan neemt. 

Als de afgezanten van Johannes zijn vertrokken, gaat Jezus met de menigte rondom hem in gesprek over wat hun ervaring met Johannes dan was. Wat hadden zij op het oog toen ze Johannes in de woestijn opzochten: het wuiven van het riet in de wind, iemand die zich in mooie gewaden hulde ? Neen, toch, want zo iemand woont in een paleis, niet in de woestijn. Johannes, lieve mensen, is een profeet, meer dan dat zelfs, hij is (wat er in Maleachi 3:1 al geschreven is) de bode die vooruit gezonden is en voor mij de weg baant. Hij kan in aardse termen ( “van allen die geboren zijn uit een vrouw” ) de grootste genoemd worden, maar in termen van het koninkrijk Gods liggen de verhoudingen anders: wie als kleinste daar binnen komt , mag zich toch groter weten dan hij. 

Johannes, zo vervolgt Jezus, deelde als teken van Gods rechtvaardigheid en Gods plan de doop met ons. Allen ( ook de tollenaars) die zich door hem lieten dopen erkenden dat teken , de farizeeën en wetsgeleerden lieten zich niet dopen en verwierpen het dus. Met wie , zo vraagt Jezus zich af, zal ik die laatste ( dD: ik vermoed althans dat hij op hen doelt als hij het heeft over “deze generatie”) vergelijken? Met kinderen die niet als één groep met elkaar  willen spelen, dansen of zingen, zelfs niet treuren. Als de ene helft zus zegt, zegt de andere helft zo, en andersom. Als Johannes de Doper geen brood en wijn drinkt , zeggen ‘jullie’: hij is door een demon bezeten, maar als de Mensenzoon is gekomen , die wel eet en drinkt, zeggen’ jullie’: een veelvraat, wat een dronkaard , die vriend van tollenaars en zondaars. 

En dan laat Lucas hem zeggen: “En toch is de Wijsheid door al haar kinderen in het gelijk gesteld”.  Over deze zin , en met nam over het begrip Wijsheid heb ik met Maarten gecorrespondeerd en daar leidde ik het volgende uit af: 

De Wijsheid is voor de auteur van Spreuken een (poëtisch) oerbeeld van wat er al voor de schepping was (Spreuken 8:22), en waaraan God zijn scheppingsdaden aan toetst ( ik vond dat beeld weer in Job 28 : 25-28 ). Prachtige poëzie in beide boeken! Het is meer dan louter wijsheid met een kleine w. Lucas gaat een stap verder: de Wijsheid wordt teruggevonden in de daden van God en de mensen , ze komt daar tot haar recht , zoals Maarten mij schreef . Ik vond in de NBV 21 vertaling in de overeenkomstige passage van Mattheus : “Maar de Wijsheid wordt door heel haar optreden in het gelijk gesteld “. Haar kinderen , zoals Lucas het formuleert, is dus een metafoor voor wat er door de Wijsheid is voortgebracht.

Het blijft een moeilijke opgave om wijsheid te betrachten. In Spreuken 8 wordt gezegd; “Wijsheid begint met ontzag voor de Heer, inzicht is vertrouwdheid met de Heilige” Een grote opgave, maar hoopvol gericht op de toekomst.

 . 

Gastvrijheid (1) (L7:36-50)

 Dan volgt een ontmoeting die Jezus heeft in het huis van Simon, een farizeeër. Op zich al opmerkelijk. Jezus neemt de uitnodiging die hij krijgt aan en, zoals Lucas optekent ”ging hij aanliggen voor de maaltijd”. Jezus neemt daarmee ook het aanbod van gastvrijheid aan van zijn tegenstanders. Het gaat vervolgens in het verhaal niet om de kwaliteit van de maaltijd, of een interessant gesprek met andere gasten. Neen, het gaat om waar gastvrijheid voor staat. Een niet uitgenodigde vrouw ( “die in de stad bekend stond als een zondares”) weet toch naar binnen te komen omdat ze Jezus wil ontmoeten en één doel heeft: Jezus met olie zalven (geurige olie in een albasten flesje, dus geen goedkoop spul) . Ze doet dat – met tranen geroerd, die over zijn voeten stromen- – door zijn voeten met haar haren te drogen, de voeten te kussen en daarna met de olie te zalven. Dan mengt de farizeeër zich in deze ontmoeting, zegt wel niets maar denkt er het zijne van: Jezus had , als hij profeet is zoals hij altijd zegt toch kunnen weten dat die vrouw een zondares was! Jezus voelt meteen aan waar de farizeeër met zijn gedachten mee bezig is en confronteert hem op zijn beurt hem met een gelijkenis. Het verhaal van een geldschieter, die schulden kwijtscheldt aan twee van zijn schuldenaars , een met 500 , de andere mat 50 denarie. En vraagt aan de farizeeër, wie van de twee de meeste liefde aan de geldschieter zal betonen. Opmerkelijk dat Jezus niet het woord “dankbaarheid”, maar “liefde” gebruikt. En op het voorspelbare antwoord van de farizeeër ( “aan wie het grootste bedrag is kwijtgescholden”) zegt Jezus : ”Ja, daar heb je juist geoordeeld”. Maar dat is voor Jezus tegelijk het argument om Simon er op te wijzen dat hij als gastheer zijn voeten, zoals gebruikelijk , niet met water waste en hem met een kus op zijn hoofd begroette , waar de zondares met tranen en geurige olie zijn hoofd en voeten heeft gezalfd. Let op het verschil dat Jezus maakt tussen water en tranen, en tussen het hoofd en de voeten. Hart en ziel en geknielde houding versus meer verstandelijke beelden als water en hoofd. En dat betekent, zegt Jezus, dat de zondares van haar schulden, die zeker groter waren, wordt bevrijd, want ze betoonde haar liefde, en iemand ( zoals jij, Simon) wordt weinig vergeven want die betoonde weinig liefde ( noch in woorden of in daden )Let ook hier op de omdraaiing in het argument : het gaat om de liefde die is betoond, nog meer dan om de grootte van de schuld. En Lucas voegt er dan aan toe de ideeën die de andere gasten over dit voorval gehad zullen hebben : “ Wie is Hij, dat hij zelfs zonden vergeeft?”. En hij laat Jezus tegen de vrouw zeggen: “Uw geloof heeft u gered, ga in vrede”. Het gaat erom om geloof en vertrouwen te betrachten, , niet om elkaar van zonden te betichten. 

               

Van onderricht naar verkondiging (Lc8: 1-3)

Lucas zet zijn verhaallijn op dit punt in een nieuw frame: Jezus, die tot dusver “onderricht” gaf, gaat vanaf nu “ het goede nieuws ( eu-angelion!) over het koninkrijk van God : “verkondigen”.   En dat onderstreept hij met de woorden dat Jezus “kort daarop begon rond te trekken van stad tot stad en van dorp tot dorp”. Tot dusver was hij na zijn avontuur in de woestijn nog dicht bij huis ( in Galilea) gebleven met tekens in de vorm van genezingen, ontmoetingen bij mensen thuis, en toespraken binnen en buiten de synagoge. 

De overgang van “ onderricht” naar “ verkondiging” vind ik terug in de liturgie van onze kerkdienst. In de liturgie voor de Dienst van het Woord is naar mijn mening zeer terecht ooit de aanduiding “Uitleg en Verkondiging” gekozen.( de termen “ meditatie” of “ overweging” worden ook vaak gebruikt, maar mijns inziens is dat niet to the point) .

Jezus trekt rond, vergezeld door de twaalf apostelen, maar ook door een groep vrouwen. Hoeveel vrouwen wordt niet vermeld, drie worden specifiek genoemd: Maria van Magdalena bij wij zeven demonen waren uitgedreven ( door Jezus neem ik aan) ,Johanna ( vrouw van de rentmeester Chusas van Herodes en iemand met de naam Susanna. Lucas tekent daarbij wel aan ( heeft dat kennelijk in zijn bronnen gevonden) dat de vrouwen “ uit eigen middelen voor hen zorgden”. Het moeten waarschijnlijk niet onbemiddelde vrouwen geweest zijn die de materiele verzorging van de rondtrekkende groep op zich hebben genomen . Het is de enige keer dat in het evangelie expliciet daarover iets gezegd wordt.

Een les communicatie ( Lc 8: 4- 21)

De eerste woorden die hij in dit kader uitspreekt – aan een grote menigte mensen uit allerlei streken vandaan – spreekt hij in termen van een gelijkenis. Hij gebruikt het beeld van het zaaien van zaad om de verspreiding en van het woord van God duidelijk te maken. Het is tegelijk een les in communicatie. Enerzijds gaat het bij de boodschap om te “zenden” : de zaaier ging er op uit om te zaaien. ( je zou nu zeggen: Niet thuis achter je computer blijven zitten en mooie teksten maken en alleen op Sociale media posten, neen, op pad gaan naar degenen voor wie de boodschap bestemd is.) Anderzijds moet er “ontvangen” worden. Jezus roept daarbij luid : “Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren”. En besef goed dat – al ga je naar de mensen toe- die oren verstopt kunnen zijn. Of, in termen van het zaaien, het zaad kan op de bodem van onvruchtbaarheid terecht komen : het valt op de weg, wordt vertrapt en door de vogels opgegeten worden, of op een rotsachtige bodem waar geen water is om door te laten groeien, of tussen de distels die , als ze opschieten, het zaad verstikt. Het kan ook op de bodem van vruchtbare aarde neerkomen, dan , zo zegt Jezus, draagt het honderdvoudig vrucht. De leerlingen begrijpen het nog niet helemaal en vragen wat deze gelijkenis te betekenen heeft. Jezus zet ze meteen op het spoor: jullie mogen ( als zaaiers) de essentie – het geheim, zoals Lucas het noteert- van de boodschap dan misschien wel goed in de smiezen hebben, maar dat hoeft niet zo te zijn bij je toehoorders. Voor hen moet je gelijkenissen gebruiken. Het zaad, daar bedoel ik het woord van God mee. De mensen luisteren allemaal wel naar het woord dat jullie bij hen brengen en je denkt dan dat ze vruchtbaar zaad geworden zijn. Maar het zou zo maar kunnen dat de een zaad is dat de duivel weggraait nog voordat het zijn werking kon hebben om te geloven, de ander is als zaad dat in eerst instantie goed aan slaat , maar er is geen water om wortel te schieten, zodra ze op de proef worden gesteld, is het zaadje van het geloof alweer verdwenen , en nog een ander heeft geluisterd maar is als zaad dat door dagelijkse beslommeringen en verleidingen van het leven verstikt wordt en geen vrucht draagt. Mensen die met een goed en eerlijk hart geluisterd hebben , het koesteren en standvastig vrucht dragen, is het zaad wat in vruchtbare grond is gevallen. En hij voegt er aan toe : Let er dus op hoe je luistert ( en dat geldt ook voor de leerlingen). Zet het licht ( inzicht) dat je krijgt niet onder je bed over onder stoelen en banken, maar communiceer er transparant en duidelijk over; alles zal (ooit ) openbaar worden, alles komt aan het licht. Als je iets te bieden hebt, al is het weinig, daar zal het inzicht alleen maar door groeien. Als je niets in petto hebt wordt je nog ontnomen wat je denkt te hebben. 

Jezus is geen moralist, maar geeft in een les communicatie aan wat de rol en werking is van de zenders en ontvangers van de boodschap van God. En luisteren en doorgeven van de boodschap ligt op ieders bord, er zijn geen vaste spelers in het veld. 

Dat laatste geeft hij nog eens extra betekenis als toehoorders rond hem er op wijzen dat zijn moeder en zijn broers bij hem willen komen wat door de drukte niet lukt. Hij zegt dan; ‘zij zijn het die naar het woord van God luisteren en er ook naar handelen” ( met andere woorden: ze hoeven het nu niet uit mijn mond te horen) .

                                                                  

Het gezag van Jezus (Lc 8: 22- 56 )

Dan volgen er verslagen van een viertal bijzondere gebeurtenissen, waarin de evangelist laat zien hoe Jezus omgaat met de krachten van de natuur, met de valse krachten in wereld die de mens bezeten maakt, met ziekte en dood (sangst) omgaat, zodat dat de mens zich bevrijd mag weten. 

Een eerste verhaal gaat over een noodsituatie op het meer van Galilea, de storm steekt vervaarlijk op, de leerlingen zijn doodsbenauwd dat ze zullen zinken. Ze maken een slapende Jezus wakker, die op staat en “de wind en golven bestraffend toespreekt “. En alles wordt weer rustig. Zijn vraag aan de leerlingen is dan : “waar is jullie geloof?”. En Lucas meldt (alleen) dat de geschrokken leerlingen stomverbaasd. zijn over dit optreden.

Een tweede verhaal speelt zich af als ze met de boot aan de andere kant van het meer aankomen. Daar komt een man uit de grotten vandaan, die zich zo bezeten voelt door een veelheid van demonen dat, als Jezus vraagt: “Hoe is je naam”, hij antwoordt :” Legioen”. De man wordt door de gemeenschap van de stad voor de veiligheid steeds weer aan handen en voeten geboeid, maar hij trekt die los, en dan voelt hij zich als door de demon naar de eenzame plaatsen ( de grotten) gedreven. Jezus beveelt de onreine geest uit die man weg te gaan. Dat gebeurt , maar het gaat in dit verhaal gepaard met , je zou zeggen, veel duw en trekwerk wat Jezus ten toon moet spreiden voordat dat lukt. De demonen – het Legioen- roepen door de mond van de bezeten man, die schreeuwend op de grond ligt voor Jezus: “Wat heb ik met jou te maken, Jezus, zoon van de allerhoogste God? Ik smeek je , doe me geen pijn!”. Ze smeken hem zelfs hen niet naar de onderwereld te laten gaan, maar om ze in een kudde varkens ,die daar op de berghelling gehoed werden, “intrek” te laten nemen. Dat laat Jezus gebeuren, ze gaan van de man uit in de varkens, maar daar voltrekt zich voor de ogen van de varkenshoeders een ramp: de varkens stormen de steile helling af en verdrinken in het meer. De varkenshoeders zijn flabbergasted, slaan op de vlucht en vertellen overal – in de stad en in de dorpen- wat er gebeurd is. En dan ontstaat er paniek, de mensen die het verhaal horen gaan naar de plaats des (on) heils, horen van de daar aanwezigen wat er gebeurd is. De hele menigte uit dat gebied ( van de Gerasenen) zien de genezene gekleed en wel bij zinnen bij Jezus zitten en vragen dan aan Jezus om te vertrekken want ze zijn heel bang geworden. Dat doet Jezus ook, maar niet nadat de man die van de demonen bevrijd was met aandrang vroeg of hij met Jezus mee mocht gaan. Jezus gaat daar niet op in, stuurt hem weg en geeft hem de opdracht om overal te vertellen wat God voor hem gedaan heeft. Lucas eindigt het verhaal met de woorden: “Hij ging weg en maakte …bekend wat Jezus voor hem gedaan had”. 

Dit verhaal geeft mijn inziens aan dat het optreden om God’s boodschap over te brengen bepaald niet zonder slag of stoot gaat.

Het derde verhaal in deze serie vertelt over de vrouw die in een opdringerige massa jezus probeert te spreken en hem alleen aanraakt. De vrouw lijdt al 12 jaar aan bloedverlies en geen enkel medicijn, geen enkele arts kan haar helpen. Het verhaal vertelt dat zij meteen genezen is na de aanraking. Jezus laat het daar niet bij en wil absoluut weten wie hem heeft aangeraakt, ondanks het argument van Petrus die hem zegt dat het de massa is die om hem heen staat te dringen en het gen bijzondere aanraking hoeft geweest te zijn( en dat ze moeten opschieten om naar een doodzieke meisje te gaan, de dochter van Jairus)). Jezus persisteert en zegt zeker te weten dat er “kracht van hem uit ging”. En de vouw werd duidelijk “dat haar aanraking niet onopgemerkt was gebleven” en legde een openlijke verklaring af over het waarom en het hoe van wat er gebeurd was. Dan zegt Jezus : “Uw geloof heeft u gered, mijn dochter, ga in vrede”.

Het laatste- vierde- verhaal geeft ook weer een voorbeeld hoe mensen jezus denken te moeten tegen te houden van zijn werk. De leider van de synagoge , Jairus, krijgt te horen: “Je dochtertje is al gestorven, val de meester niet langer lastig”. Jezus laat zich niet uit het veld slaan, vraagt Jairus niet bang te zijn , maar te geloven, je dochtertje wordt gered. Hij gaat met een paar getrouwen( Petrus, Johannes en Jacobus) en de ouders naar binnen, terwijl de omstanders luid staan te weeklagen. Houd daar mee op, zegt Jezus, het meisje slaapt, is niet gestorven. Ze lachten hem uit, maar Jezus ging naar binnen, pakte de hand van het meisje en zei met luid stem ”Meisje sta op”. En zo geschiedde, en jezus vroeg eten voor haar te halen. De verbijsterde ouders wordt gevraagd hierover met niemand te spreken. 

Het is mij nog niet zo duidelijk waarom Jezus soms wel, soms niet vraagt niet over de tekens van genezing te spreken .

                                                                 

Werkopdracht en werkhouding ( Lc 9: 1-6)


Jezus gaat een stap verder in het delegeren van zijn werk. De apostelen worden op pad gestuurd om “het Koninkrijk van God verkondigen en zieken te genezen”. Er zijn nu ook genoeg voorbeelden in de praktijk gegeven om te weten wat hij daarmee bedoelt. Verkondigen en genezen, in één adem genoemd, dat is hun missie . Het is niet verwonderlijk dat later de kerken die twee elementen als basis van hun zendings- en missiearbeid hebben beschouwd. De twaalf krijgen om te beginnen basisgereedschappen mee: macht en gezag over alle demonen, en de kracht om ( mensen van) ziekten te genezen. Aanvankelijk beperkte ik  het fenomeen demon tot (valse) krachten die de mens geestelijk parten speelt .

De vraag over de betekenis van het begrip “demon” hield me bezig en vroeg aan (broer) Maarten naar zijn visie. Hij schreef ( 8 juli 2023): Die raadselachtige opdracht aan de discipelen houd mij ook bezig. Kort door de bocht: ik beschouw de ‘demonen’ als krachtige invloeden, tendensen, idealen, overtuigingen die het sociale, culturele, religieuze en politieke en economische leven bepalen en die het leven verzieken. Krachten waarvan men denkt dat je er niet onderuit kan komen, alsof het goddelijke krachten zouden zijn. Zoals de waan van het neoliberalisme of de manie van de politieke uitsluiting van ongewenste mensen en groepen, of absolute eisen, onweerstaanbare driften en hypes en zo voort. Die maken de samenleving ziek en ze maken mensen bezeten. Om dat te kunnen genezen is wel veel kracht nodig! Ik zoek het dus niet meteen in de sfeer van de psychische ziekte – al kan je van die demonen behoorlijk psychisch ziek worden – fysiek ziek kan je er trouwens ook van worden (moeten werken met ziekteverwekkende stoffen) . Lucas die geschoold in de Hellenistische cultuur zijn taal zorgvuldig koos, zal bij zijn keuze voor het begrip daimonion (9:1) misschien wel gedacht hebben aan Socrates. Die beriep zich op beslissende momenten op zijn daimonion, de goddelijke kracht in hem, de stem die hem weerhield van verkeerde beslissingen. Als dat zo is, dan zet hij de discipelen aan om eens met de leerlingen van Socrates in gesprek te gaan en om ze aan te sporen dat demoontje in hen kritisch te bekijken. Een flinke uitdaging dus.

Het gaat dus om een diepere laag wanneer jezus de discipelen alle macht en gezag over de demonen meegeeft bij hun arbeid. Ze krijgen ook nog instructies mee : neem geen stok, geen reistas, geen eten m geen geld, geen extra kleren mee. Waar je onderdak vindt, blij daar tot je weer verder trekt. En- als hart onder de riem- als je ergens geen onderdak krijgt, ga dan weg uit die stad en “schudt het stof van je voeten als getuigenis tegen hen”. De twaalf gingen zo op weg van de ene plaats naar de andere, verkondigden het goede nieuws en genazen zieken. 

Je bent wat je deelt ( Lc 9: 7-17)

Lucas tekent twee reacties op: de eerste is die van het gezag. Herodes, de heersende viervorst in Juda, voelt zich er niet lekker bij als hij hoort wat er zijn gebied allemaal gebeurt en wat mensen allemaal beweren( Johannes is uit de doden opgestaan, Elia is verschenen, een van de oude profeten is opgestaan). Hij wil beslist een ontmoeting met die Jezus gaan arrangeren. “Ik heb Johannes heb ik toch onthoofd, wie is deze mens ? “. Wat voor vlees heb ik in de kuip? 
Een tweede is een magistraal optreden van Jezus als de twaalf bij hem terug komen en hun succesverhalen vertellen; ze kiezen daarvoor een besloten omgeving uit in de stad Betsaida. Maar de (menigte) mensen die hem volgen zoeken hem weer op en hij geeft hen alle aandacht ( spreekt hen – vriendelijk- aan over het koninkrijk van God en geneest zieken) . Dat ergert de discipelen en ze dringen er aan het eind van de dag bij Jezus op aan dat hij de mensen ( zo’n 5000) wegstuurt met het argument dat ze dan in de dorpen en gehuchten in de omgeving ( op tijd) onderdak en eten voor zich kunnen regelen. Al zou Jezus ze te eten willen geven ( en dat laat hij merken) komen ze meteen met het argument dat er maar 5 broden en twee vissen zijn te vinden. En dan pakt Jezus de regie en gaat delen wat er te delen valt: hij laat eerst de menigte in zo’n 100 groepen van ieder ca 50 mensen bij elkaar zitten, kijkt naar boven naar de hemel en spreekt een zegengebed uit over dat brood en de vissen. Hij geeft het brood, na het in brokken te hebben gebroken en de vissen aan de leerlingen en vraagt ze te gaan ronddelen. Het blijkt ( meer dan) genoeg te zijn, er blijven nog 12 volle manden brood over, de mensen zijn verzadigd, zo staat het er geschreven. 

Ik lees deze twee verhalen van Lucas in elkaars verlengde : de valse machten van de wereld lusten hem rauw ( laat maar eens zien, met al je voorvaderen en voorgangers in je kielzog, wie je bent) , En Jezus laat zien waar het hem om gaat: deel uit van wat je van de voorvaderen hebt meegekregen van de God van Israel; met zijn zegen zal er altijd genoeg zijn. hoe weinig het ook lijkt..

Er is goede reden om ook aan het verhaal van de uitdeling van voedsel, zoals het is opgetekend in de evangeliën, een diepere laag aan te brengen. Dan wordt de spanning die hij in de wereld teweeg brengt, nog duidelijker. Een ( theologische) verklaring van de getallen 5 (broden) en 2 (vissen) zou nl zijn dat de 5 slaat op de 5 boeken van de Tora en de 2 op de andere twee delen van de Tenach, te weren de Nehiim ( Profeten) en de Chetuvim ( de Geschriften). En de twaalf (manden) doelen op de 12 stammen van Israel. Daarmee zo tot uitdrukking worden gebracht dat wat er uit delen is aan voedsel voor de mens het woord van de bijbel, de Joodse Tenach. Daar heeft de mensheid (meer dan) genoeg) aan. Er blijft nog over ook om verder te delen. 

                                                                 

En Jullie, wie denken jullie dat ik ben? (Lc 9: 18 -50)

Lucas gaat hierna over op een andere toonzetting. De focus wordt op de betekenis van Jezus zelf gericht. Eerst noteert hij een vraag van Jezus ( “toen hij eens aan het bidden was”) aan zijn discipelen: “ Wie ben ik volgens de mensen” en, nadat zij zeggen te denken dat de mensen hem herkennen als iemand uit de (oude), rondgaande, verhalen binnen het volk van Israel ( Johannes de doper, Elia of een van de oude profeten) , de vraag “En wie denken jullie dat ik ben? “ . Petrus antwoordt : “De door God gezonden messias”. Jezus reageert daarop door hen met nadruk te gebieden om dat tegen niemand te zeggen. En om dit gebod een lading mee te geven vult hij aan met woorden (die nog in nevelen gehuld blijven zoals later bleek) die Lucas in de derde persoon citeert: “De Mensenzoon zal veel moeten lijden en door de (religieuze leiders van het Joodse volk) worden gedood , maar hij zal op de derde dag worden opgewekt”. Hij zegt dus niet “Ik…..” en ook valt op dat hij niet in termen van door God gezonden spreekt , maar de term Mensenzoon gebruikt. 

En zich vervolgens tot alle aanwezige volgers wendend, gooit hij het over een nog andere boeg om zijn presentie duidelijk te maken. Wees je er van bewust, zo zegt hij, dat als je mij echt wil ”volgen”, je dan helemaal af moet zien van een levensinstelling die uitgaat van ‘ ‘ ‘hebben wat je hebt en vasthouden aan wat je om je heen verzameld hebt’. Als je , met het oog op Mij, van alles afstand kan doen, zal je ‘het leven’ behouden. Dat zal je niet schaden, je lijdt geen verlies. Maar daarentegen, als je je schaamt ( voor je omgeving) voor mijn gedrag, voor wat ik doe en voor mijn woorden, dan kan er een moment komen dat de hemel zich voor je opent als een luister die mij, , de Mensenzoon en God en de engelen omgeeft, God , en ik voor je sta en mij schaam voor jou. Er zullen er onder jullie zijn die de dood niet ervaren voordat ze Gods Koninkrijk hebben gezien. 

De hemelse luister, die Jezus in de voorgaande tekening over zichzelf oproept, wordt in een droombeeld tijdens een gebed waarin hij verzonken was, weer opgeroepen. Het was ongeveer 8 dagen na de vorige uitleg en verkondiging, dat hij met ( weer) de drie getrouwen Petrus, Johannes en Jacobus, de berg op was gegaan om te bidden. De drie vallen in slaap en als ze wakker worden zien ze “de luister die Jezus omgaf” en het beeld van twee mannen, Mozes en Elia. Die waren – volgens het verhaal zoals Lucas dit opschrijft, tijdens hun slaap aan Jezus, wiens aanblik veranderd en de kleding stralend wit was geworden, in hemelse luister verschenen. Ze spraken met Jezus over “zijn heengaan, de weg die Hij in Jeruzalem zo voltooien”. Het beeld van de twee mannen maakt zich meester van de drie discipelen en ze willen het als het ware vasthouden. Petrus biedt zelfs aan om een tent voor hen en voor Jezus te maken. Maar nog voordat hij uitgesproken is, worden ze geconfronteerd met een stem uit een wolk die Mozes en Elia omhult, die zegt: “Dit is mijn Zoon, mijn uitverkorene, luister naar hem !”. Daarna werden ze weer tot de realiteit teruggebracht, Jezus was weer alleen met de drie. 

In beide verhalen, het gesprek over het volgen van Jezus, en het beeldende verhaal over Mozes en Elia, wordt Jezus gepresenteerd als de Mensenzoon, naar wie in alle luister als zoon van God , vanuit Zijn Koninkrijk komend, geluisterd moet worden. Het is voor de discipelen niet direct duidelijk wat bedoeld wordt. En het laatste verhaal wordt door Lucas zelfs afgesloten met de mededeling dat ze over het voorval zwegen en in die tijd aan niemand vertelden wat ze hadden gezien. ( dat roept bij mij wel de vraag op hoe en waar Lucas en Mattheus en Marcus, maar ook de auteurs van het Q- evangelie dit verhaal dan hebben gevonden, dD) 

Als ze dan de volgende dag weer naar de bewoonde wereld terugkeren, wordt Jezus meteen door een massa mensen omgeven en aangesproken op zijn bijzondere genezingskrachten. Het gaat om een jongen die bezeten wordt door een kwade geest en daar ook fysiek door geterroriseerd wordt. Zijn vader vraagt om hulp, en heel bijzonder, zegt tegen Jezus dat zijn leerlingen niet in staat zijn geweest om de kwade geest uit te drijven. Dit verwijt neemt Jezus ter harte en spreekt hen met nadruk aan op ( gebrek) aan hun geloof ( en het gezag en macht die ze gekregen hebben, dD). “En hoelang moet ik dat ongeloof en die dwarsigheid nog verdragen?”. Hij geneest de jongen door de kwade geest streng toe te spreken. En na deze gebeurtenis houdt hij discipelen voor dat er inderdaad een einde komt aan zijn leven, de Mensenzoon zal aan de door mensen overgeleverd worden. (Met andere woorden jullie zullen dit werk van de heilsboodschap die ik jullie geven heb, zelf moeten gaan doen, ik blijf niet eeuwig onder jullie. dD). 

De discipelen blijven in raadselen achter, maar durven er niet naar te vragen. de menigte is met stomheid geslagen, van de grootheid van God ( deze nuance , niet Jezus maar God, imponeert hen, valt mij op, maar vlak daarna schrijft Lucas: Iedereen was onder de indruk van zijn daden , dus nu weer wel Jezus), 

Het discours met de discipelen krijgt een andere wending. Zij willen nu wel eens weten wie van hen de belangrijkste is. En daarover loopt het gesprek onder elkaar hoog op, Het lijkt alsof ze denken “we begrijpen in ieder geval dat er voor ons een grote taak ligt te wachten als Hij er niet neer is, en wie is dan degene die de kar moet trekken, wie is de baas?” .

Jezus heeft meteen door wat hen dwars zit en draait als antwoord de vraag naar “hiërarchie” van posities om in het perspectief van waar het in de kern van het handelen binnen menselijke verhoudingen om gaat: je bent groot als je de kleinste in je omgeving , de mindere in Mijn Naam onder je hoede neemt. Want als je zo handelt in mijn Naam, laat je Mij tot je toe, en daarmee laat je Hem toe die Mij ontvangen heeft. Hij adstrueert dit door een kind uit de omstanders bij zich te nemen terwijl hij dit verkondigt. 

Lucas noteert dan een reactie vanuit de discipelen, waaruit blijkt dat ze er eigenlijk nog niet veel van begrijpen wat Jezus met zijn optreden wil zeggen, wie Jezus eigenlijk is. Johannes spreekt hem aan met “Meester” en komt aan met het verhaal dat zij “iemand” ( buiten hun kring) gezien hebben die de Naam van Jezus gebruikte om demonen uit te drijven; ze hebben geprobeerd hem daarvan af te houden , omdat, zo zegt “hij U niet samen met ons volgt”. Met andere woorden: mensen kunnen toch alleen goede daden doen “In Uw naam”, als ze tot onze levens- en werkkring horen. Jezus reageert kort maar veelbetekenend: Laat de mens zijn of haar gang gaan! Die is op die manier niet tegen jullie, dus werkt in feite met jullie mee! 

Deze serie gesprekken over de betekenis van Jezus en zijn Naam en over de vraag wat “volgen” is in zijn Naam wordt afgesloten met een drietal interventies uit de groep mensen die hem volgen. Al lopend op weg reageert hij eerst op iemand die ( gepassioneerd) verkondigt dat hij of zij Jezus overal waar hij gaat zal volgen. Jezus wijst er fijntjes op dat hij, de Mensenzoon, niet zoals vossen in hun holen en de vogels in hun nesten, ergens een vaste ( en veilige) plaats heeft om zijn hoofd neer te leggen als hij wil rusten. Met andere woorden: weet waaraan je begint!

En bij twee anderen, die hem volgen, wordt hij met juist iets anders geconfronteerd. Er is er een die, als Jezus hem vraagt te volgen, toch met het dilemma van de praktijk van zijn leven aankomt. Zijn vader is overleden dus hij wil “eerst even teruggaan om hem te begraven. Jezus laat hem toch weten dat het niet (altijd) om” het stellen van prioriteiten gaat, mar om de noodzaak voor hem om op weg te gaan het koninkrijk van God te verkondigen ( en laat de doden – degenen die die noodzaak niet zien ?- de doden begraven) . Een ander wil hem zeker volgen, maar vraagt hem toe te staan “eerst” afscheid te nemen van zijn huisgenoten. Jezus maant hem nostalgie te vermijden, geen heimwee te blijven houden, maar de hand zonder om te kijken aan de ploeg te slaan . anders is hij niet geschikt voor het koninkrijk van God. 

Er is in de discussie over wie Jezus nu eigenlijk is, waar hij voor staat, door diezelfde Jezus een wending aangebracht . In de voorgaande ontmoetingen en gesprekken daarover is de raag omgedraaid: als jullie mij volgen, ontdek je niet alleen wie ik ben, maar wie jullie zijn, of liever, waar jullie voor staan. De identiteitsvraag over Jezus is een spiegel geworden die hij ons mensen voorhoudt. 

                                                      

De praktijk van de uitzending (Lc 10 : 1- 24) 

Jezus breidt eerst de organisatie van zijn missionaire arbeid verder uit en pakt het rigoureus aan. Er worden door hem 72 mensen ( ‘anderen’, zoals Lucas ze noemt) aangesteld en verdeelt ze in groepen van twee personen. Hij stuurt ze in die formatie op pad naar de steden en plaatsen waar hij zelf van plan is naar toe te gaan. En geeft ze nauwkeurige, maar tegelijk niet allemaal even makkelijk te interpreteren instructies mee:

Als ik mij die passage uit Lucas tot me door laat dringen, staat er , in mijn eigen woorden, dit:

“ Ik stuur jullie op weg, maar het is geen gemakkelijke klus. Je zal merken dat er nog te weinig medewerkers op de plaatsen zullen zijn waar jullie kunnen oogsten. Vraag ter plekke om hulp! En als je onderweg gaat neem geen waardevolle privéspullen mee, houd je gedeisd, praat niet met iedereen, er zijn beren op de weg. Ga steeds twee aan twee op pad. Gebruik de vredesgroet als teken van herkenning bij wie je in huis komt; als dat goed valt is er vrede tussen jullie en de bewoners van het huis; als er niet op gereageerd wordt, houd dan de vredesgroet bij je. Blijf in alle gevallen bij de mensen, eet en drink wat je wordt aangeboden, dat is jullie inspanning waard. En je doet er verstandig aan om niet als een automatisme huis aan huis langs te gaan. Als jullie een jullie welgezinde en gastvrije stad binnengaan, eet en drink met de bewoners en bevestig hun houding met de woorden: ‘Het koninkrijk van God heeft u bereikt’. Als het tegendeel het geval is., loop rustig de straten door en laat een zelfbewuste houding zien; zeg ‘het stof aan onze voeten vegen we zelf af, beschouw het als een aanklacht tegen jullie on-gastvrijheid. Maar wat jullie van ons mogen weten: het koninkrijk van God is nabij’. En hij vervolgt, geagiteerd: ‘Ongastvrije, vijandig gezinde steden zullen het wel merken. Hoe het indertijd met het ( afvallige) Sodom is afgelopen is een schijntje met wat er met steden gebeurt die hun poorten voor jullie gesloten houden . Chorazin en Bethsaïda, herinner je wat zich in Tyrus en Sidon afspeelde, Kapernaum, wees nederig anders zal je diep dalen! “

Er valt bij deze passage nog iets op. Een uitzending van leerlingen met instructies zoals boven kwam ook al in het hoofdstuk (9) hiervoor aan de orde. Maar dan alleen gericht tot de twaalf eerder geroepenen en met minder woorden. Wel steeds wordt het specifieke organisatorische voorschrift van “ met twee aan twee “ op pad gaan. Ook Mattheus en Marcus tekenen de uitzending op, maar ook alleen van de twaalf , zij het dat Marcus de korte versie gebruikt en Mattheus de inhoudelijke tekst zoals bij Lucas . Maar – en dat is opmerkelijk- het is alleen Lucas als enige bij de langere tekst Jezus de aanwijzing voor de missietocht van 72 “ anderen” meldt. Een verklaring van dit aantal blijft geheel achterwege. Waar het aantal van 12 discipelen een verwijzing naar de 12 stammen van Israel kan beteken, heeft 72 iets willekeurigs; met heel veel fantasie zou je er 6 ( scheppingdagen? ) maal 12 ( stammen) in kunnen aflezen. Niet erg waarschijnlijk, maar de vraag blijft, wat dan wel.

Als de 72 terug komen van hun missie, hebben ze het idee dat die zeer geslaagd is, ze zijn euforisch, want : “Heer, zelfs de demonen onderwerpen zich aan ons bij het horen van uw Naam” ! Jezus relativeert: “Ja, de Satan zag ik als een lichtflits vallen, jullie hadden van mij dan ook de macht gekregen om wat zich tegen jullie keerden, te vertrappen, maar verheug je niet daar over, maar wel over het feit dat jullie naam in de hemel is opgetekend’. 

En direct daaropvolgend noteert Lucas een gebed , geïnspireerd door de Heilige Geest waarin hij – Jezus- God (juichend) looft en prijst. Waarvoor? Voor het inzicht dat met deze missie de eenvoudigen van geest ten deel is gevallen, niet de wijzen en verstandigen. Welk inzicht? Dat wat hij toevertrouwd krijgt alleen van God komt. Op basis waarvan? Op basis van de unieke relatie tussen hem en God , God zijn Vader alleen weet dat hij zijn Zoon is en hij alleen weet dat God zijn vader is. En iedereen aan wie hij dit openbaart, weet dit ook. 

Hij richt zich vervolgens apart- zoals Lucas formuleert- tot de leerlingen ( de 12?) en onderstreept nog eens wat hij in zijn gebed uitsprak: ‘Jullie mogen je gelukkig prijzen, want jullie hebben met je ogen gezien en met je oren gehoord, wat veel profeten en koningen niet te zien of te horen kregen.‘

                                                              

Nadenken over prioriteiten (Lc 10: 25- 42) 

Om de praktijk van Jezus’ optreden in het vizier te blijven houden schrijft Lucas meteen hier achteraan een felle woordenwisseling met een wetsgeleerde op. Die laatste denkt Jezus op de proef te kunnen stellen door vilein te vragen: “ Meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven ?” Jezus slaat -op Joodse wijze- terug met de vraag wat die wetgeleerde zelf daarover in de Joodse wet leest. De wetgeleerde tuint erin en somt als beste jongetje van de klas de lessen uit Deuteronomium en Leviticus op ( “Heb de Heer , Uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf”. ) . “Doe dat dan ook” zegt Jezus. “Ja, maar”, blijft de wetsgeleerde doorzeuren, “Wie is mijn naaste dan eigenlijk ? “ 

En dan pareert Jezus met de parabel van de reiziger van Jeruzalem naar Jericho, die slachtoffer wordt van een overval en halfdood op de grond ligt.

Een langskomende ( plaatselijke) priester en later nog een Leviet uit het Joodse volk liepen er met een boog omheen, maar een langs reizende Samaritaan ( behorend tot een door de Joden vanwege afwijkende opvattingen gediscrimineerde bevolkingsgroep) ontfermt zich over hem, biedt eerste hulp en zorgt voor opvang bij een hotel, waarvoor hij de rekening ook betaald en belooft bij terugkeer resterende kosten te vergoeden. 

“Wie van de drie is de naaste van het slachtoffer ?” vraagt Jezus aan de wetgeleerde. “De man die hem barmhartigheid heeft betoond” antwoordt hij“ . “Doet u dan voortaan net zo”. En daar sluit Lucas de discussie mee af. 

Het is de pointe van het verhaal om niet het slachtoffer maar de passanten in de rol van de naaste te zetten in deze beeldende gelijkenis. Voor ons als mensen van deze tijd die onze mond vol hebben van humaniteit maar niet altijd weten welke rol je hebt , een intrigerende les!

Een dorp verder, zo schrijft Lucas, worden ze hartelijk ontvangen door een vrouw ( Marta), die druk met haar huishouden bezig is en daarom niet veel tijd voor hem heeft. Haar zus Maria daarentegen luistert geboeid naar Jezus’ verhalen, zit naast hem aan zijn voeten. Als Marta raakt geïrriteerd ( en jaloers?) en vraagt nota bene aan Jezus of hij Maria niet wil vertellen dat ze haar zus even moet komen helpen. Jezus heeft mededogen met haar “Ja, Martha , ik zie dat je zo zorgzaam bent en met veel dingen tegelijk druk bent”. Maar voegt daar aan toe: “Doe als Martha, kies voor het ene wat nu noodzakelijk is, Maria doet nu, dast is juist en dat moet je haar niet ontnemen”. 

Ook hier een omdraaien van rollen, waaruit Jezus de vrouwen laat kiezen. Geen moralisme preken ( alhoewel je de neiging hebt om dat er in te zien) maar nadenken over prioriteiten.

                                                           

Het ‘Onze Vader’ als werktheater (LC 11: 1-13 )

Zijn leerlingen zien hem bidden en worden, na een vraag van een van hen, gebedswoorden geleerd . Lucas beperkt dit, na de aanhef “Vader”. tot de vier ingekorte “thema’s”: 

U naam worde geheiligd en Uw koninkrijk kome.
Geef ons dagelijks het brood dat we nodig hebben.
Vergeef onze zonden, want zo gaan wij ook om met mensen die ons iets schuldig zijn.
Breng ons niet in beproeving.

Aansluitend geeft Jezus een lesje “brood delen “in de praktijk met een parabel. Ora et Labora ! “Stel, jouw vriend, die jij midden in de nacht uit zijn bed belt, en die jij om etenswaren vraagt( die je belooft terug te geven), omdat er onverwachte vrienden voor de deur staan en er niets in huis is, weigert jou te helpen. Wees ervan overtuigd dat hij jou uiteindelijk toch zal helpen, als jij maar aan blijft dringen. Doe dat dus altijd: vragen, dan krijg je het ook, zoeken, dan vind je wat je zoekt . klop op de deur bij je buren en vrienden, er zal heus worden opengedaan. 

En dan nog iets.

Wie van jullie is vader van kinderen? Als je kinderen om een vis vragen om te eten, dan geef je toch geen slang, en als ze om een ei vragen , toch geen schorpioen? Wat ik daar mee zeggen wil: God heeft het beste met jullie voor, want jullie zelf geven je kinderen, al zit je misschien niet zo fatsoenlijk in elkaar, de goede dingen waarom ze vragen; wel , God de Vader, daar kan je van op aan , geeft jullie de Heilige Geest, als je daar tenminste om vraagt”. 

Deze les moet je goed proberen te lezen. Rollen ( vrienden die aankloppen, vrienden die uit hun bed gebeld worden, kinderen die iets aan hun – niet altijd aardige- vader vragen, God die de Heilige Geest als gave aanbiedt) van mensen en God, kies er uit en ga na wat je zou doen, waar ben je op gericht, van wie wil je iets ontvangen, aan wie vraag je iets, wie doet het voor?. En is er dan ook nog dat gebed , voor dat er met een gedeelde maaltijd begonnen wordt? Een werktheater, daar lijkt het op.

               

Het koninkrijk van God ( Lc 11 : 14-36) 

De camera van Lucas zwenkt een paar dagen later naar een locatie waar een menigte mensen bij elkaar stroomt en het aantal neemt al maar toe. Jezus is daar en er gebeuren een paar opmerkelijke dingen. Eerst worden de aanwezigen geconfronteerd met de ontmoeting van Jezus met iemand uit het publiek die zijn spraakvermogen kwijt is. In de Joodse verteltraditie is er dat bij die man een demon huist die stom is. Zonder nadere uitleg wordt door Lucas gemeld dat Jezus “de demon uitdrijft die niet kon spreken” en de menigte ziet de man weer gewoon praten. Jezus luistert dan naar de reacties uit het publiek en hoort sommigen roepen dat hij -Jezus- iemand is die door de leider van de demonen ( “Beelzebul”) wordt geholpen en hij hoort het dringende verzoek van anderen om juist een teken uit de hemel te geven ( met het doel hem op de proef te stellen). Jezus doorziet waar het beide activistische groepen om te doen is: twijfel zaaien. De ene groep daagt hem uit door het rijk van de demonen als basis van handelen te veronderstellen, de ander doet dat door hem juist met een teken te laten bewijzen dat hij uit het rijk van God zijn directieven krijgt. Hij laat zich geenszins uit het veld slaan. Hij grijpt hun spelletjes aan om de discussie om te buigen naar wat hij eigenlijk te zeggen heeft over het (heils) plan van God. 

Hij wijst er allereerst op dat verdeeldheid binnen een koninkrijk er altijd toe zal leiden dat“ huis na huis” zal instorten en het rijk te gronde zal gaan. Aan de “demon”- praatjesmakers legt hij de vraag voor hoe de opperduivel Satan het klaar zou kunnen spelen om zijn rijk in stand te houden als hijzelf innerlijk verdeeld is. Als hij mij gebruikt om hier in deze omgeving demonen uit te drijven, wie zijn het dan die “jullie mensen” daarvoor gebruikt? Dan zijn die uitdrijvers toch op hun beurt jullie rechters? Laat mijn boodschap helder zijn: Het uitdrijven van de demon van zonet laat zien dat God zijn rijk, zijn plan met de wereld, hier en nu bij jullie, bij ons allemaal, geactiveerd wil zien.   Niet meer, niet minder. En hij onderstreept zijn woorden met het beeld dat mensen wel kunnen denken dat ze bij de verdediging van hun hebben en houden kunnen vertrouwen op goed wapentuig, of hun paadje goed schoon houden om slechte gedachten buiten de deur te houden, maar dat dat alleen lukt als je mijn woorden zo verstaat: “Wie niet met Mij is, is tegen mij, en wie niet met mij samenbrengt, drijft uiteen”. 

Een dubbele bodem in het begrip “uitdrijven”. Om goed over na te denken. Ik weet overigens niet of ik hier de goede duiding te pakken heb. 

Als een vrouw uit de menigte hem vervolgens toeroept ‘ Gelukkig is de schoot die jou gedragen heeft en de borsten waaraan jij gedronken heeft’ (een oervorm van de rosenkrans voor Maria, zou je zeggen), reageert hij ook hier weer door het andere perspectief te laten zien : ‘Gelukkiger zijn zij die naar het woord van God luisteren en er naar leven’. 

Daarna richt hij zich tot degenen die een teken van hem eisten. Dat zijn mensen van een generatie bij wie het bederf is toegeslagen. Het gaat er om , zo legt hij op verschillende manieren uit, dat je door hebt dat degeen die de boodschap komt brengen het teken is, hij laat jou geen teken zien, hij is het zelf. Hij herinnert aan het verhaal uit de geschiedenis van jet Joodse volk over Jona; Jona zelf was een teken voor het ( verdorven) volk van Nineve, en dat geldt ook voor Salomo, waar de Koningin van het Zuiden ( Seba) op af kwam om het bewijs van wijsheid te zien. Jullie, zegt Jezus, zien hier de Mensenzoon, die toch meer is dan Jona en Salomo, en hij zal een teken zijn voor deze generatie. Mensen, zegt hij, sta op met die verdorven generatie en bekeer je, dat deden de Ninevieten ook. 

En let er op, om nog een vergelijking te trekken, [ als jij teken wilt zijn] jouw oog is het licht dat in je is, het is de lamp van je lichaam , als je oog helder is, ben je voor iedereen duidelijk zichtbaar, sta je in het licht. Is je oog troebel [“in bederf” ] is je lichaam in duisternis gehuld. Zorg er dus voor dat je dat het licht dat in je is niet verduisterd is. Of, met andere woorden: zet jouw lamp niet onder de korenmaat , maar plaats hem op een standaard. 

Een moeilijk te vatten passage was dit. Perspectieven buitelen over elkaar heen. Het zou best wel heel anders geïnterpreteerd moeten worden..

De pot verwijt de ketel ( Lc 11: 37-54) 

Lucas vertelt dat Jezus   na deze verkondigingen in de menigte , op uitnodiging van een farizeeër, met deze meegaat naar zijn huis voor een maaltijd. En daar blijft het niet bij vriendelijke plichtplegingen. Want Jezus irriteert meteen de farizeeër door zich niet eerst wassen voor aan tafel aan te gaan liggen. Jezus reageert fel op dit kritikasterig gedrag van zijn gastheer. “Ach jullie farizeeën!…..Dwazen….Wee jullie “(tot drie keer toe ). Alleen de buitenkant van de beker en de schotel interesseert jullie, geef de binnenkant , die ook door Hem is gemaakt, ook een schoonmaakbeurt want die zit vol roofzucht en slechtheid. En geef alles wat op jullie schotel ligt aan eten aan de armen, dan heb je ook geen last van onreinheidsregels. Je legt als gift wel tienden van bijzondere kruiden op tafel, maar je vergeet gerechtigheid te doen en de liefde tot God. Doe het een en laat niet het andere. Jullie zitten het liefst op de eerste rij in de synagoge en laat je eerbiedig op het marktplein groeten. In feite zijn jullie niet meer dan ongemarkeerde graven waar mensen ongemerkt over heen lopen.

Een mede-gast, een wetsgeleerde, pikt die uitspraken van Jezus niet en gooit hem voor de voeten : “U beledigt ons !”. Hij reageert meteen en ook met een driemaal “ Wee jullie, wetsgeleerden”. En hij gooit het over de boeg van rechtsongelijkheid ( de mensen wel, jullie zelf niet belasten met zware eisen) , het nalaten van historische rechtzetting ( graftomben bouwen voor profeten, die door jullie voorouders zijn gedood en het oordeel dat God daarover uitspreekt) en ten slotte het onthouden van kennis ( Joodse leer) aan het volk en er zelf ook geen echte toegang toe nemen. 

De schrift – , en wetsgeleerden en farizeeën waren “uitzinnig van woede” , toen jezus het huis van zijn gastheer verliet. En, zo voegt Lucas daar aan toe, ze begonnen Hem over van alles uit te vragen ineen slinkse poging om Hem te betrappen op een ongeoorloofde uitspraak. 

Deze passage doet me enigszins denken aan de actuele dilemma’s in de discussies over grensoverschrijdend gedrag. De pot die de ketel verwijt…. En de maatschappelijke hetze daaropvolgend. 

              

Hoed je voor macht en hebzucht (Lc 12:1 -21)

De menigte zwelt aan als Jezus naar buiten komt. Maar eerst waarschuwt hij zijn leerlingen voor de huichelarij van de Farizeeën, waarmee zojuist werd geconfronteerd. Het is als zuurdesem ( ongegist deeg, dat als slecht ingrediënt uit de Joodse keuken verwijderd moet worden). Vuile praat in een verborgen donker hoekje ontgaat echt niemand, het komt altijd aan het licht. Wees daarbij ook niet bang voor mensen die niet verder komen dan jullie fysiek uitschakelen. Je moet wel op je hoede zijn, zeg maar gerust bang zijn voor duivelse machten die in staat zijn je daarna in de hel te werpen. God daarentegen heeft een heel ander plan : jullie zijn één voor één bij hem in tel, nog meer dan vijf mussen ( die toch al niets kosten), zelfs meer dan een hele zwerm mussen. Je hoeft dus, als het er op aan komt, niet bang te zijn. Laat iedereen Mij gekend weten hier bij de mensen, dan zal de Mensenzoon zorgen dat diegenen ook gekend zijn bij God en de engelen. Wie Mij verloochent bij de mensen, zal verloochend worden bij God en de engelen. Kwaadspreken van mij wordt vergeven, maar weet wel : spreek geen lastertaal tegen de Heilige Geest, dat wordt niet vergeven. De Heilige Geest is het nou juist die jou op het juiste moment zal helpen met ingevingen voor de goede middelen en woorden te vinden als je in de problemen komt en voor de (Joodse) synagogen en (Romeinse) autoriteiten wordt gesleept. 

Dit met de leerlingen gedeeld te hebben, komt Iemand uit de menigte hem verleiden om als rechter of bemiddelaar tussen hem en zijn broer op te treden. Het gaat om het delen van een erfenis. Jezus leidt hem af van juridisch geharrewar en dient hem van repliek door hem (en tegelijk alle aanwezigen) op hun eigen verantwoordelijkheid te wijzen: “Pas op, hoed je voor iedere vorm van hebzucht. Want ook al heeft een mens nog zoveel , zijn leven bezit hij niet”. En hij verduidelijkt dit met de gelijkenis van de rijke landheer die nog meer schuren gaat bouwen dan hij al heeft om zijn grote oogsten in op te slaan. En dan tevreden denkt zijn toekomst te hebben veilig gesteld en zelf in goeden doen in ruste verder te kunnen leven. God zelf prent hem dan ( in een droom?) zijn dwaasheid in door hem het beeld te schetsen dat in die nacht zijn leven wordt “teruggevorderd” en zijn schatten onbeheerd achterblijven. Hier wordt, opmerkelijk genoeg, juridische taal gebruikt, en wel allereerst over het leven, wie het materiele bezit toekomt is een niet te beantwoorden vraag. Over dat laatste zegt Jezus: “Zo vergaat het iemand die schatten verzamelt voor zichzelf, maar niet rijk is bij God”. 

             

Bezit delen en zorg hebben voor (Lc 12: 25-53)

Hij richt zich weer alleen tot zijn leerlingen. Hij geeft verdergaand onderricht over de praktijk van bezit(sdeling). Hij geeft 3 leer-thema’s mee: wat zijn je materiele zorgen eigenlijk waard, afstand doen van bezit, klaar staan als er een beroep op je wordt gedaan.

Met het eerste thema zet Hij alles wat met “ hebben en verzamelen ” te maken heeft onder het vergrootglas “je uit eigen belang zorgen maken over alles”. Hij stelt de kernvraag “Wie van jullie kan door zich zorgen te maken, één dag aan zijn levensduur toevoegen?”. Kijk om je heen in de natuur: raven zaaien en oogsten niet, lelies werken en weven niet, maar ze leven en groeien wel. Salomo was(bij de komst van de koningin uit Seba)- niet zo mooi gekleed in al zijn luister als die lelies. Het is de lieve God die in de natuur, en dan toch zeker ook voor jullie , zorgt dat er voedsel en kleding voorhanden is. Laat je niet, zoals de volken van deze wereld, kwellen door die zorgen. Laat je leiden door je zoektocht naar Zijn Koninkrijk, dat krijgen jullie aangeboden, en zolang je je daar op richt, krijg je ook wat je materieel nodig hebt. Wees niet bang, kleine kudde , het zal echt zo zijn. 

Het tweede thema sluit daar op aan: zet je materiele overschotten opzij voor de armen ( verkoop je bezit), maar waar je wel heel zorgvuldig voor moet zorgen, is een plek waar je je “ schat in de hemel” in kan opbergen, die duurzaam is, waar geen dief bij kan, en niet door de mot kan worden aangevreten. Waar die schat is, is ook jullie hart. Noem die plek, waar je hart het beste bewaard is, een geldbuidel.  ( Een meesterlijke omdraaiing van het beeld van geldzucht en materiele zorgen . Een geldbuidel voor een schat in de hemel).

Tenslotte, het derde thema. Dat is het sluitstuk van “zorg hebben “en :”het hart op de goede plek”: zorgen dat je wel altijd spullen klaar hebt staan voor als de tijd daar is dat de Mensenzoon terugkomt bij jullie. Doe je gordel om, houd je lampen brandend, val niet in slaap. Jullie zijn gelukkige mensen als je zo handelt, Hij zal zelf zich gorden en jullie een maaltijd bedienen. Als Iemand weet wanneer een dief zijn huis binnendringt om zijn bezit te stelen, laat dat niet gebeuren. Jullie weten niet wanneer de Mensenzoon komt, dan doe je dat zeker! 

( een knipoog naar de vergelijking met de dief en het materiële bezit, ook hier weer een pracht omgekeerd beeld) .

Een van de meest betrokken leerlingen- Petrus- vraagt na deze les of Jezus dit alleen voor de leerlingen bedoeld heeft of voor iedereen. Jezus geeft aan het het woord ‘iedereen’ een andere draai en blijft in zijn antwoord bij de beeldende taal van de heer van een landgoed. Die stelt, zo onderricht hij , een rentmeester aan over zijn knechten en zijn bezit. Die rentmeester is er als dienaar over alles en ‘iedereen’. En die dienaar- een betrouwbare en verstandige rentmeester- is er om voor het voedsel te zorgen van alle knechten. Maar ook voor hem geldt: hij is een gelukkig mens als zijn heer langskomt en hij daar goed mee bezig is. Als daarentegen die dienaar bij zichzelf denkt ‘ik zie mij heer maar niet komen’ en hij zich tegenover de knechten en dienstmeisjes fysiek overschrijdend gedrag vertoont en zelf zich te buiten gaat aan het eten en de drank, die zal er ongenadig van langs krijgen als de heer langskomt. Voor een dienaar die niet precies wist wat de heer van hem vroeg en niet correct handelt, zal er ook straf zijn, maar minder. Voor ‘iedereen’ geldt : hoe meer je gegeven wordt, zoveel te meer er wordt geëist . hoe meer er aan iemand wordt toevertrouwd, des te meer wordt er van hem gevraagd.  Jezus vult dit leergesprek aan met een onverwachte hartenkreet: “Ik weet me ten diepste geroepen om de boel hier op aarde wakker te schudden, in vuur en vlam te zetten; ik weet dat ik eerst zelf een (vuur) doop moet ondergaan, voordat dat werkelijkheid gaat worden. Ik voel me gekweld zolang dat nog niet het geval is. En denk dus niet dat ik er ben om hier de lieve vrede op aarde te brengen, neen, er zal gegarandeerd verdeeldheid ontstaan : vader tegen zoon, zoon tegen vader, moeder tegen dochter, dochter tegen moeder, schoonmoeder tegen schoondochter en schoondochter ten haar schoonmoeder”.

Deze laatste passage is kenmerkend te noemen voor het optreden van Jezus. Geen zoete, lieve vrede taal, maar concreet de consequenties benoemen als je zijn weg wilt blijven volgen, zoals die in de voorgaande lessen is uiteengezet. 

Zelfstandig oordelen ( Lc 12: 54 – 13: 1-9)

Na dit leergesprek met de leerlingen richt hij zich weer tot de menigte en zegt met enige felheid in zijn stem : Jullie zijn huichelaars als je de wereldtijd van nu door anderen laat beoordelen. O ja, als er vanuit het westen een wolk aan de hemel te zien is , of wind uit het zuiden komt weten jullie meteen dat er regen , resp. hitte op komst is, dat is natuurlijk waar; maar als je wat de hemel en de aarde laten zien zo goed kan beoordelen, beoordeel dan ook het huidige tijdsgewricht op eigen kracht ( en laat dat niet aan ander over) . Doe dat ook als je een conflict hebt met iemand , probeer dan tot een vergelijk met hem te komen, voordat je voor de rechter wordt gesleept en hem laat uitmaken dat je een hoge gevangenis- en geldstraf zal krijgen. 

Jezus krijgt uit die menigte de vraag voorgelegd wat het betekent dat Pilatus in die dagen Galileeërs om het leven bracht die aan het offeren waren. De tekst van Lucas suggereert dat ze het als een teken van God zagen dat bloed van ( zondige) mensen vermengd werd met bloed van offerdieren. Jezus reageert weer op zijn scherpe wijze: “Uit het lot dat die mensen daar ondergingen kan je toch niet afleiden dat ze meer zondig waren dan alle andere Galileeërs. Net zo goed als je uit het overgeleverde verhaal over de instorting van de toren van Siloam, waarbij 18 mensen in een vijver verdronken kan afleiden dat die mensen zondiger waren dan alle andere inwoners van Jeruzalen? (wij zouden in onze tijd zo’n discussie hebben over het interpreteren van rampen als ingreep van God) .Als het over sterven gaat zeg ik jullie dat jullie zelf moeten zorgen dat je je leven op orde brengt en tot inkeer komt; als je dát niet doet dan sterf je net als al die anderen. De waarde van een leven is te vergelijken met de vijgenboom die maar geen vrucht droeg. De eigenaar geeft de wijngaardenier de opdracht om die boom maar om te hakken want hij put alleen maar de grond uit. En dan zegt de wijngaardenier ; geef de vijgenboom tocht nog een jaartje de tijd, als het dan echt nog niet lukt kan je hem altijd nog afhakken.”

                                                      

Goed voorbereiden (lc 13:10- 35)

Een volgende ontmoeting vindt plaats in een synagoge. Jezus heeft daar onderricht gegeven en ziet onder de aanwezigen een vrouw, al 18 jaar kromlopend van ellende ( zoals toen gebruikelijk was, getypeerd als ‘bezeten door een geest’.) . Jezus roept haar bij zich en geneest haar, ze loopt weer recht en looft God. Dat dit door Jezus op de sabbat wordt gedaan wordt door de leider van de synagoge niet geapprecieerd. Hij roept tegen de menigte dat ze 6 dagen gelegenheid hebben om naar Jezus te gaan om genezen te worden, dat ze dat op de sabbat nou juist niet moeten laten gebeuren. Jezus ontsteekt in woede en houdt hen voor ( ook nu weer met de term Huichelaars ) dat ze hun vee , os of ezel, toch ook op sabbat, als ze dorst hebben, los van hun voederbak om ze laten drinken. En dan zou een vrouw , dochter van Abraham, die al 18 vast zit in de boeien van die ziekte (‘Satan’ staat er ) niet mogen worden losgemaakt uit die boeien? Lucas noteert dan dat de tegenstanders beschaamd staan, maar de menigte heel verheugd was door deze machtige daden. 

Jezus geeft meteen ook een diepere lading aan dit gebeuren. Voor het eerst legt hij een directe vergelijking met dat waar hij voor gekomen is: de verkondiging van het Koninkrijk van God . Dat is, zo onderwijst hij, te vergelijken met een heel klein zaadje, een mosterdzaadje, dat iemand in zijn tuin uitzaait en waaruit een boom groeit waar de vogels zich dan weer in nestelen. Of ook, zo vervolgt hij, te vergelijken met het zuurdesem dat een vrouw net zo lang met meel (‘drie zakken”) mengt tot het helemaal doordesemd is. ( Het gaat in het Koninkrijk om het handelen van mensen die met kleine basiselementen in handen de bodem leggen voor een rijk bestaan ( huis, voedsel) voor de ander. En niet ( voeg ik er aan toe, dD) om het vasthouden aan bureaucratische regelgeving .

Lucas herinnert er aan dat Jezus op weg is naar Jeruzalem en langs die route in steden en dorpen onderricht geeft. Op een van die plaatsen komt iemand bij hem aan, die gehoord heeft over wat Jezus heeft gezegd over het gered worden . Hij vraagt: “zijn er maar weinigen die worden gered ?” Jezus antwoordt: het gaat er in het Koninkrijk van God niet zozeer om om gered worden, maar om je er niet met een Jantje van Leijden vanaf te maken, als je bij een feest binnen wil komen, probeer de weg te volgen waar je op je qui vieve moet blijven, en bij de heer door de smalle deur naar binnen zien te komen. De heer die jou heeft uitgenodigd, voor zijn feest daar, kent jou niet meer als je je niet goed hebt voorbereid en doet niet open als je op de deur klopt. Hij noemt jullie onrechtplegers, jullie zullen jammerend en knarsetandend moeten aanzien dat er bij dat feestmaal in het Koninkrijk wel jullie voorvaderen ( Abraham, Isaak en Jacob) en alle profteen uit alle windstreken aanliggen, en jullie niet. En laat ik er dit nog aan toevoegen: om bij het feest binnen te komen, geldt niet zonder meer ‘wie het eerst komt, wie het eert maal’. Laatkomers ( die hun lampen brandende houden, dD) zijn vaak de eerste die binnengelaten worden, voor wie voor staan te dringen maar geen goede voorbereidingen troffen, zijn dan de laatste.

En precies op dat moment komen farizeeën naar Jezus toe en raden hem aan ( en ik denk daarin een valse toon te horen) om zelf te vertrekken om te voorkomen dat Herodes hem zal doden. Jezus: “ Zeg tegen die vos: ik ben bezig met demonen uit te drijven en mensen te genezen, vandaag en morgen en op de derde dag is mijn werk voltooid. Ik moet dus nog op pad blijven, want buiten Jeruzalem komt een profeet niet om”. ( kan ik dit vergelijken met gesprek van Socrates met ?? vlak voor zijn executie : “Neen, ik ben veel verschuldigd aan dit land, kan nu niet vluchten” ? dD). En tegelijk slaakt hij een hartenkreet richting dat Jeruzalem: “ Jeruzalem, Jeruzalem, in plaats van mijn pogingen om jouw ‘ kinderen’ onder mijn hoede bij elkaar te brengen te honoreren, heb je de profeten die naar je toe kwamen gestenigd en gedood. Jullie tempel is geen veilig huis meer, wordt aan haar lot overgelaten. Je zal me pas weer zien als je zal zeggen “Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer”. 

                                                                

Gastvrijheid (2)( Lc 14: 1-24)

Tijdens een sabbat later wordt hij door een vooraanstaande farizeeër voor een maaltijd uitgenodigd, samen met andere gasten, waaronder nog andere farizeeën en wetsgeleerden. Die laatsten letten scherp op hem of hij geen fouten maakte. Jezus had dat kennelijk door; hij zag onder de gasten iemand met oedeem. Hij vroeg aan de farizeeën en wetsgeleerden of hij op sabbat deze man mocht genezen; ze gaven geen antwoord. Jezus genas de man, stuurde hem weg, en hij zei “als een zoon van jullie of een os op sabbat in het water valt, dan haal je hem er toch meteen uit?” Ze hadden er niets op te zeggen. 

Ook ziet hij de kring van ( speciale?) genodigden rond en ziet dat ze allemaal de beste plaatsen aan tafel hadden ingenomen. Hij geeft ze een lesje bescheidenheid: “ Voorkom schaamte over het feit de gastheer je moet vragen je plaats af te staan aan iemand die nog voornamer is dan jij. Neem als je aan tafel gaat de minste plaatsen in; je zal dan door de gastheer worden uitgenodigd om dichter bij hem op een ereplaats te komen zitten. Zo is het in het gewone leven ook: als je jezelf een hogere plaats toeeigent, wordt je op je plaats gezet. Als je je bescheiden opstelt, gebeurt het tegenovergestelde: je krijgt van anderen een betere plek aangeboden”. 

En ook de gastheer zelf wordt aangesproken en wel op de betekenis van gastvrijheid. Als je een feestmaal organiseert, zo zegt hij, doe dat dan eens niet voor jouw soort mensen, je vrienden, familie, rijke buren. Je blijft in een zelfde kringetje ronddraaien, want zij nodigen jou ook weer uit voor hun feestjes. Nodig daarentegen minderbedeelden uit, armen, kreupelen, verlamden en blinden, dat maakt je een gelukkig mens want zij kunnen jou niet terugvragen. Dat zal je worden beloond bij ‘de opstanding der rechtvaardigen’. 

Tenslotte is er nog een van de aanwezigen die Jezus zo hoort spreken en vol vervoering daarmee instemt : “Gelukkig is ieder die deelneemt aan de maaltijd in het koninkrijk Gods”. Jezus grijpt deze – misschien in zijn ogen iets te gemakkelijke- steun aan zijn woorden – aan om er nog eens op te wijzen dat het God het er om te doen is om de minderbedeelden en de gewone man alle voorrang te geven in de maatschappij. Hij vertelt van de heer die een feestmaal geeft voor genodigden, die het een voor een met smoezen ( te druk met van alles) laten afweten om te komen, Hij draagt zijn personeel op om overal en nergens ,binnen en buiten de stad de ‘armen, en kreupelen en blinden en verlamden op te sporen en ne zo lang te zoeken tot alle plaatsen bezet zijn. Zijn vriendjes, de ‘genodigden’ zullen geen plaats meer kunnen krijgen.

                                                          

Opofferen (Lc14 :25 -35)

In deze passage geeft Jezus vervolgens nu ook de (‘grote’) menigte mensen die met hem blijven meetrekken een les mee. Zijn jullie, zo vraagt hij, wel echt bereid om mij te blijven volgen, als je tenminste mijn leerlingen wilt worden? Weet, dat je bereid moet zijn alles achter je te laten wat je lief is, je gezin, je familie, je eigen leven(tje?) . Het is een offer wat je brengt, een kruis wat je op je neemt daardoor, maar dat is wel de noodzakelijke starthouding om leerling van mij te zijn. Het is toch ook zo dat als iemand een toren wil bouwen hij eerst een kostenberekening maakt; mooie plannen maken, ergens aan beginnen, maar niet afmaken, oogst kritiek en hoongelach op. En een koning/veldheer gaat toch geen strijd aan als hij inziet dat hij veel minder slagkracht in huis heeft dan zijn tegenstander? Die koning zal er wijs aan doen om , als de confrontatie tussen de legers nog kan uitblijven, vredesonderhandelingen te starten. Zo moeten jullie ook handelen: als je niet alles uit handen kan geven, kan je geen goede leerling van mij zijn. Jullie zijn bedoeld om het (pure) zout zijn ( op deze aarde) maar als je je oren gebruikt waarvoor ze bedoeld zijn, namelijk luisteren, luister dan goed: als zout vermengd blijft met andere stoffen, dan verliest het de kracht om als zout werkzaam te zijn, zelfs kan je niet meer als mest gebruiken, en moeten we het weggooien,. Dat is ronduit dom. 

                                                             

Verloren schapen (Lc 15 : 1- 32)

Lucas neemt het beeld van de luisterende leerling mee in de volgende ontmoeting. Hij schrijft: “Alle (!) tollenaars en zondaars kwamen Hem opzoeken om naar Hem te luisteren”.

Dus niet een paar, of vele of een menigte van,, neen, alle. Ik heb de neiging om te lezen Steeds kwamen ook alle ….die daar woonden en werkten, naar Hem toe. En hij benoemt twee groepen uit de samenleving waarvan allen komen: tollenaars en zondaars. In termen van nu : de in het oog van een groot deel van het volk en hun leiders corrupte ambtenaren/uitbuiters en wetsverkrachters. Mensen die het morele spoor een beetje zijn kwijt geraakt. 

Bijna voorspelbaar : de farizeeën en wetsgeleerden die dat niet ontgaat morren en wijzen elkaar op dit in hun ogen onverteerbaar toneel, dat Jezus zondaars ontvangt en – godbeteret- ook nog met hen eet. Jezus heeft dat door en houdt hen de spiegel voor: als iemand van jullie honderd schapen heeft en hij mist er ’s avonds een, dan ga je die ene die het verkeerde pad heeft gekozen toch zoeken en laat je die 99 andere even alleen ( die zijn op zich verstandig geweest en hebben geen aandacht nodig) ? Als je dat ene schaap gevonden hebt is er toch alle reden toe om het met vreugde op je schouders te nemen en zal je al je vrienden en buren vragen mee feest te vieren als je met dat verloren schaap thuiskomt? Des te meer zal er in de hemel een groter feest zijn op het moment er een enkele ‘zondaar’ op zijn schreden terugkeert dan de 99 die al die tijd netjes binnen de lijntjes zijn blijven kleuren. En om nog een voorbeeld te geven: Van een vader verdwijnt een van de twee zonen ( de jongste) met zijn te gelde gemaakte erfdeel , waar hij recht op heeft ( vindt hij) naar het buitenland. Verbrast al het geld daar. Omdat in dat land de economie in een zware crisis terecht is gekomen, kan hij alleen nog maar in leven blijven door zich als een slaaf te verhuren om schapen te hoeden. Met een nog hongerige maag zou hij zelfs de peulen die als varkensvoer dienen nog wel willen eten, maar hij krijgt ze niet van de varkenshouder of diens omgeving. In die uitzichtloze situatie komt hij tot bezinning, bedenkt dat bij zijn vader het personeel ( dagloners) het vele malen beter hebben dan hij, die van honger omkomt, en hij gaat naar zijn ouderlijk huis terug. Hij gaar diep door de knieën bij zijn vader ( “ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u en ben niet waard uw zoon genoemd te worden”) . die hem daarentegen om de hals valt, kust, vorstelijk binnenhaalt en door zijn personeel nieuwe kleren , ringen en sandalen laat aantrekken en een groot feestmaal me een gemest kalf laat bereiden. De vader spreekt : “Laten we eten en feestvieren. Want deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden”. En ze beginnen aan een groot feest. Maar daarmee is het verhaal nog niet af. Want de oudste zoon hoort ervan, weigert mee te feesten, herinnert zijn vader er aan dat hij toch altijd gehoorzaam en deugdzaam voor hem heeft gewerkt en zelfs geen geitenbokje ( laat staan een gemest kalf) heeft gekregen om eens een vriendenfeest te houden. Zijn vader antwoordt “Jij hebt hier altijd gekregen wat je nodig had” en herhaalt   : “Laten we eten en feestvieren. Want je broer was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden”. ( Mij valt hier op dat er door de vader nadrukkelijk over dood, leven, verloren en teruggevonden wordt gesproken, niet over bekeerd en teruggekomen) .

                                                 

Rijkdom en rechtvaardigheid (Lc 16 : 1-31)

Jezus keert zich dan weer naar de leerlingen en gaat door met uitleg over wat rechtvaardigheid in de praktijk betekent. Hij doet dat eerst met een gelijkenis over een rijke man ( een “heer”) die hoort dat zijn rentmeester ( de bedrijfseconoom van zijn zaak) zijn eigendommen aan het verkwisten is. “Laat je “creatieve” boekhouding maar zien, draag het maar aan me over, want je wordt ontslagen”. De rentmeester denkt diep na over wat te doen. Hij heeft weinig mogelijkheden om nieuw werk te vinden, denkt hij. Hij begint dan maar heel gauw – voordat hij zijn heer onder ogen durft te komen met de puinhoop die hij er van heeft gemaakt- met degenen die een schuld bij zijn heer hadden uitstaan de schuldrekening te verlagen met de bedragen die hij eerder op slimme wijze als woekerrente bij hen achterover had gedrukt. En op dat moment van het verhaal , zoals door Lucas verteld, zegt Jezus dat de rijke man, de heer, zijn – in eerste instantie in ongenade gevallen -bedrijfseconoom een pluim geeft (prees, zoals er bij Lucas staat) omdat hij vindt dat deze slim had gehandeld. En Jezus doet er nog een schepje “ verkondiging “ bovenop: je staat midden in deze wereld van kapitalisme, denk niet er van af te komen door puur principieel je rug er tegen te keren om de eeuwigheid te bereiken, zoals de puriteinse moralisten- kinderen van hel licht ( de Essenen?) denken, je zal in de weerbarstige praktijk van alledag, ook zaken moeten doen met de valse mammon. Maar je moet wel altijd betrouwbaar blijven, tot in de kleinste dingen en ook in je omgang met mensen uit het milieu van het groot kapitaal. Anders word je niet serieus genomen en krijg je niet wat je toekomt. Zoals een knecht: die kan geen twee heren dienen. Niet God en de Mammon tegelijk. Kiezen voor een van de twee; heb de een lief en haat de ander. 

Jezus merkt dat er een paar rijke Farizeeën in de buurt staan te luisteren en honend hun neus ophalen voor wat hij zegt. Voor hen heeft hij een speciale boodschap: jullie denken rechtvaardig over te komen bij de mensen en in hoog aanzien te staan, maar God weet wel beter, jullie zogenaamde rechtvaardigheid is in de ogen van God een gruwel. Het je alleen maar fatsoenlijk gedragen volgens de Wet ( van Mozes) en de Profeten was de stelregel tot de tijd dat Johannes begon met zijn boodschap. Maar sindsdien wordt door hem en mij het Koninkrijk van God verkondigd en daar is iedereen zonder uitzondering welkom en wordt iedereen met klem gevraagd binnen te komen.( Dus niet keurig binnen de lijntjes kleuren in je eigen comfortzone, maar samen met iedereen die wil op weg gaan naar een nieuwe toekomst van recht en vrede). Dat betekent overigens wel dat de wet als wegwijzer zijn betekenis blijft behouden, daar wordt geen tittel of jota aan veranderd. Zo pleegt iemand die zijn vrouw inwisselt voor een ander, nog steeds overspel en ook de man die trouwt met die achtergelaten vrouw pleegt overspel. 

En dan verduidelijkt Jezus deze uitspraken nog met een gelijkenis. Ook nu brengt hij weer een rijke man ten tonele. Die in de duurste kleren rondliep en dagelijks zich uitbundig tegoed deed aan eten en drinken. Buiten aan de toegangspoort van zijn huis lag altijd een bedelaar, Lazarus, zijn huid vol met zweren. De bedelaar krijgt zelfs geen kruimel van wat er van de rijke tafel overblijft, nog erger: de rondzwervende honden likken aan zijn wonden. De bedelaar sterft op een dag en de rijke man ook. Lazarus de bedelaar werd- in deze beeldende vertelling- “door de engelen weggedragen om aan Abrahams hart te rusten”. De rijke man wordt na een begrafenis veroordeeld tot het dodenrijk, “waar hij hevig gekweld werd” “en “pijn leed in de vlammen” De rijke man ziet daar in de verte Abraham met Lazarus, en vraagt ‘Vader’ Abraham mededogen te hebben en probeert hem uit alle macht te bewegen om Lazarus naar hem te sturen om verlichting te brengen ( “met een topje van zijn vinger in het water gedoopt om mijn tong te verkoelen’). Abraham vindt dit te gek voor woorden (‘Kind’, zo werkt het niet, jij hebt in je leven van alles kunnen genieten terwijl Lazarus het aan alle kanten ontbrak; nu heeft hij de troost die hij verdient en jij zal pijn lijden’) en trouwens, zo vervolgt Abraham, ‘er is letterlijk en figuurlijk een onoverbrugbare afstand tussen jullie en onze wereld’. De rijke man geeft niet op en vraagt om dan tenminste Lazarus naar zijn (5) broers op aarde te sturen om hen te waarschuwen niet in deze ellende terecht te komen. En dan komt Abraham met een ijzersterk argument: die broers hebben toch genoeg wijsheid in huis, ze moeten naar Mozes en de Profeten luisteren ! De rijke man komt met een laatste poging: neen, vader Abraham, die broers laten zich alleen overtuigen als er iemand uit van de doden naar hen toekomt, dam komen ze pas tot inkeer. Abraham geeft ook daarop een afdoend antwoord: Als ze niet eens naar Mozes en de Profeten luisteren , dan zullen ze zich ook niet laten overtuigen door iemand die uit de doden opstaat. 

Bij die laatste woorden – uit de doden opstaat- lijkt het alsof jezus al een blik in de komende tijd slaat. En dat hij nadruk blijft leggen op het vasthouden aan het Joodse geloofsleven: luisteren naar Mozes en de profeten.

                                                      

Uitdagingen in het leven (Lc 17: 1-10)

Jezus wijst de leerlingen vervolgens op een viertal uitdagingen waar de mens mee te maken kan krijgen: Als je ziet dat er valstrikken worden aangelegd ( en dat gebeurt zeker), let goed op je zelf! Degene die zulke geintjes uithaalt en probeert ook maar een van de minder goed daartegen gewapende mensen in hun val te laten lopen, verdient een strop om zijn eigen nek en verdient het om met een molensteen eraan in zee geworpen te worden. 

Maar als iemand, die je als je broer of zuster mag beschouwen, jou zwaar heeft beschadigd, moet je hem of haar ernstig toespreken. En als diegene dan berouw heeft en excuus aanbiedt, moet je vergeven. Ook al zouden ze dat meermalen (‘ zeven keer op een dag’) doen en ze toch aldoor berouw hebben, moet je ze al die keren vergeven.

En wat de kracht van geloof betreft ( want vanuit de leerlingen komt nav het vorige de vraag : ’geef ons toch wat meer geloof’!) : een mosterdzaadje is het kleinste zaadje wat er is, maar de wortels zijn diep en er groeien de grootste bomen uit. Als jouw geloof lijkt op dat van dat zaadje, zou je een moerbeiboom – met zijn geweldige bladgroei – kunnen uitdagen en tegen hem zeggen: trek je aan je wortels ( die van een moerbeiboom zijn zeer kwetsbaar) uit de aarde en plant jezelf in de zee, en dan zou die moerbeiboom dat nog doen ook. 

En ik daag jullie ook uit: een knecht die voor jullie op het land zou werken of jullie vee zou weiden, die nodig je toch niet zomaar uit om samen met hem aan de eettafel te gaan, je zal hem toch juist vragen om jouw eettafel klaar te maken en je te bedienen ( natuurlijk mag hij dan zelf ook wat gaan eten). En jij bedankt die knecht dan toch niet. Hij heeft toch gewoon gedaan wat jij hem vroeg? Hoe vreemd het misschien klinkt, ik vraag je toch de levenshouding aan te nemen van die knecht; zeg tegenover degene voor wie je alles gedaan hebt wat hij jou op heeft gedagen: ik doe enkel mijn plicht, ik ben een eenvoudige knecht.

De vier uitdagingen zijn evenzoveel opdrachten om zo in het leven te staan als het koninkrijk van God voor jou betekent. Wees beducht voor de kwade genius, die het op de mindere gemunt heeft, sta altijd open voor verzoening, vertrouw op de kracht van geloof, blijf je bewust van de dienende taak die je in de wereld hebt. 

Maar ik moet eerlijk zijn, het is niet de gemakkelijkste tekst uit het evangelie. 

         

Waar ben ik, waar ben jij? (Lc 17: 11-37) 

Jezus en de leerlingen trekken door en zijn op de grens van Galilea en Samaria. Een incident, waarbij 10 onreine inwoners net buiten een dorpje hem smeken medelijden te hebben en hen te genezen, is een goede aanleiding voor de evangelieschrijver om een sterk beeld van oude traditie versus de nieuwe weg neer te zetten. Hij zegt tegen de 10, ga maar naar de priesters en laat zien dat je genezen bent. Zij doen dat en negen van hen laten het er daarbij, alsof het een ritueel van de oude traditie was. Een van hen, nota bene een Samaritaan van het naburige , andersdenkende volk, ziet dat anders en gaat naar Jezus terug, valt voor zijn voeten om hem de danken. Jezus stelt de oude , veel gehoorde vraag uit de Joodse traditie: “waar ben je ( in casu: “waar zijn die andere negen?”). die zijn toch ook genezen? En die komen niet om – met de voor Jezus nog steeds levende traditie – God eer te bewijzen “?. Jij, Samaritaan, je hebt het begrepen, sta op en ga, je geloof heeft je gered”. 

Er komen weer wat farizeeën op zijn pad om hem uit te dagen. Ze willen wel eens van hem weten wanneer dat Koninkrijk van God ( op aarde) komt. Er komt een meesterlijk antwoord: de komst van het koninkrijk van God is geen route op een kaart die je kunt aanwijzen, en het Koninkrijk zelf is geen halteplaats A of B. Maar weet wel: het ligt binnen jullie bereik (met andere woorden: je zal zelf op pad moeten en dan komt het op je weg) .

De leerlingen krijgen een iets genuanceerdere kijk voorgeschoteld op de zaak, die de farizeeën hebben aangekaart. Natuurlijk, zegt hij, zullen jullie er op een moment naar verlangen om “een van de dagen van de Mensenzoon “ te zien.( dit lijkt een frappante omdraaiing van het beeld: bij de farizeeën ging het om het Koninkrijk Gods, hier om “ de dagen van de Mensenzoon”. Neen, geen omdraaiing, het zijn de beide “gezichten” van Jezus,, naar aanleiding van de eerdere vraag ‘Wie ben ik in jullie ogen” ). Hij zegt wel, net als bij de farizeeën , denk niet dat het in tijd en plaats aanwijsbaar is, zoals de mensen jullie ( als een soort waarzeggers) doen willen geloven, Het zal als een bliksemschicht zijn , licht dat van de ene kant van de hemel naar de andere flitst. (Dus het is een en al dynamiek, wat je zal meemaken, geen vastgepinde tijd of locatie). En hier op aarde zal het in die “dagen van de Mensenzoon” toegaan als in de dagen van Noach : de mensheid is alleen maar met z’n eigen ding bezig ( eten, drinken, uitgehuwelijkt worden, trouwen) of net zo als in de dagen van Lot ( drinken, spullen kopen en verkopen, vruchtbomen planten en huizen bouwen). De mensheid wordt in die dagen overspoeld door de opkomende watervloed , Noach luistert naar God en weet zich te redden met de ark, en in het geval van Lot kwam de bevolking van Sodom om in grote hittebranden, het regende vuur en zwavel, en Lot luisterde naar God en wist op tijd te ontkomen. Zo zal het ook gaan op de dag waarop de Mensenzoon wordt geopenbaard; als het water het dak van je huis en je bent daar, ga niet nog bezittingen uit je huis proberen te gaan halen en als je op je land bezig bent, ga niet terug naar je huis ( de vrouw van Lot heeft het moeten bekopen door om te draaien) . Ik bedoel, zegt Jezus, laat alles achter, probeer niet het leven waaraan je vast wil houden, te redden, zo zal je een weg ten leven (het Koninkrijk Gods , dD) vinden. En het zal met schrijnende scheidingen onder de mensen gepaard gaan. Al liggen ogenschijnlijk twee mensen vredig samen in bed, of werken twee vrouwen samen op de boerderij bij het malen van meel, maar de ene van de twee ( die geen oog heeft voor wat ik met die weg ten leven bedoel) wordt meegenomen en de ander blijft achter.( NB Meegenomen en achtergelaten kan ook precies andersom bedoeld zijn , daar heb ik geen echt zicht op, dD)..

De leerlingen reageren toch met een zelfde soort vraag als de farizeeën, ze willen een locatie weten waar dat allemaal gebeurt ( “Waar, Heer”? ). Jezus antwoordt veelzeggend: daar waar het leven dood is is ( “een lijk”) , daar is het gedoemd te verdwijnen ( “daar verzamelen zich de gieren”) . Geen precieze lokatie, maar daar waar leven en dood elkaar kruisen.

   

Leren bidden (Lc 18 :1- 14)  

Jezus brengt de leerlingen weer terug in de praktijk van alle dag en daar hoort bidden bij. Wat is dat precies? Er is in ieder geval geduld bij nodig, zegt hij. In de gelijkenis van de rechter en de weduwe laat hij dat zien. De rechter- die in zijn praktijkuitoefening niets met ontzag voor God te maken wil hebben, laat staan rechtvaardig gedrag naar mensen toont- heeft dan ook weinig oren naar het onophoudelijk bidden en smeken van de weduwe om recht te spreken in een geschil met haar tegenstander. Maar als ze maar blijft aanhouden, kiest hij eieren voor zijn geld. Hij laat merken- alhoewel hij met God en de mensen in principe niets te maken heeft- er geen zin in te hebben om haar eindeloos op zijn stoep te zien staan en is bang dat ze ok nog een keer fysiek geweld gaat toepassen om haar recht te halen. En belooft recht te spreken. 

Dit geeft Jezus aanleiding om de leerlingen tot vasthoudendheid aan te sporen bij hun biddend roepen om recht bij God in deze tijden waar rechteloosheid en willekeur de overhand hebben. Als zelfs iemand als die rechter die eigenlijk het recht minacht, overstag gaat om toch recht te spreken, zo zullen jullie bij God, als je maar dag en nacht hem blijft aanroepen, het geduld vinden en binnen korte tijd ondervinden dat hij recht spreekt. (geduld wordt hier bijna ongemerkt zowel bij de biddende mens als bij God verondersteld) . 

Hij is er alleen niet gerust op of zijn optreden tijdens zijn tocht door Galilea, Samaria en Juda bij de mensen niet alleen geduld maar ook het geloof en vertrouwen heeft gebracht om dit zo vol te houden. Hij legt zijn onzekerheid daarover bij hen neer en vraagt ”Maar als de Mensenzoon komt, zal hij dan geloof vinden op aarde”? Met andere woorden , heb ik Gods naam wel zo ter sprake gebracht dat de mensen geloof en vertrouwen in mij als Mensenzoon hebben als ik bij hen terug kom later? 

Dan is het bidden ook de gelegenheid om in gesprek met God uitdrukking te geven aan jouw houding om nederigheid en berouw te tonen.   Er zijn er die zich op de borst kloppen van rechtvaardigheid , maar hun medemensen minachten. Denk maar eens, zegt Jezus , aan de gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar die allebei naar de tempel gingen om te bidden. De eerste ging recht op staan en gebruikte het gebed om God te “bedanken” dat hij niet zo slecht was als al die roofzuchtige, onrechtvaardige en overspelige medemensen en zeker niet zo was als de tollenaar die daar stond. En om God te vertellen hoe goed hij zich aan de regels hield: tweemaal per week vasten en een tiende van zijn inkomsten afstaan. De tollenaar, zo verhaalt de gelijkenis, klopte zich ook op de borst, maar in zijn geval van berouw, boog zijn hoofd ( durfde niet eens naar de hemel te kijken) en vroeg in een gebed om genade voor fouten in zijn leven en gedrag tegenover zijn medemensen. Jezus houdt zijn leerlingen voor dat de houding van de tollenaar nu juist rechtvaardig is in de ogen van God, wat bij de farizeeër niet het geval is. “Wie zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, wie zichzelf vernedert, wordt verhoogd”. 

     

Als een onbevangen kind (Lc 18: 15-30)

De aandacht van Jezus wordt door mensen getrokken voor kleine kinderen; ze vragen hem hen te willen aanraken. De leerlingen laten duidelijk merken dat dat niet gepast is (kennelijk zien ze Jezus nog als een gewichtige figuur, die je niet met moet lastig vallen met klein grut dat nog geen kaas heeft gegeten van wat Jezus te zeggen heeft). Jezus corrigeert onmiddellijk dat beeld. Het koninkrijk van God, waar mijn boodschap over gaat, moet je als een kind onbevangen, zonder pretenties, zonder nog vast te zitten aan bezit, aanvaarden, dan kan je er binnen komen en neem je er aan deel. Laat die kinderen hier dus bij me komen, houd ze niet tegen.

Daarop zwenkt Lucas zijn camera van kleine kinderen naar een “hooggeplaatst persoon ”uit het publiek. Die wil van hem weten wat hij moet doen om deel te krijgen in het eeuwige leven, kennelijk zijn beeld van het Koninkrijk van God. Omdat hij Jezus aanspreekt met “Goede meester” , laat Jezus eerst zien dat in dit verband niet Hij of andere mensen “Goed” genoemd moet worden maar dat die kwalificatie alleen God toekomt. Op zijn vraag ingaand wijst hij op wat toch bekend is uit de Tora: geen overspel plegen, geen moord, niet stelen, niet liegen, en je ouders in ere houden. Ja, zegt die man, maar dat doe ik allemaal, vanaf de tijd dat ik een klein kind ben. Dan, zegt Jezus, is er toch nog één ding wat er te doen valt: verkoop je bezit, verdeel de opbrengst onder de armen, dan mag je weten dat er in de hemel ( in het koninkrijk van God, dD ?) iets van grote waarde voor jou ligt. Maar kom, als je dat gedaan hebt, eerst naar Mij terug en volg mij ( niet een eeuwig leven ‘ verdienen’   staat op mijn agenda, maar mij op mijn weg volgen). De reactie van de man is dan opmerkelijk, niet verontwaardigd of onverschillig, maar “diepbedroefd”. Want, zo noteert Lucas, hij was namelijk zeer rijk. ( dat klinkt als een schaamtevolle houding, “dat lukt me nooit”.), En Jezus trekt zich die houding aan en zegt dan tegen wie daar bij hem in de buurt staan: “Wat is het toch moeilijk als je veel bezit, rijk bent, om het Koninkrijk Gods binnen te gaan. Het lukt een kameel eerder om door het oog van een naald te gaan dan dat een rijke man het konimkrijk van God binnengaat.” De omstanders die dit horen zeggen : “( ja, maar als het zo moeilijk is) wie is er dan nog te redden ?”. Jezus antwoordt: “wat menselijkerwijs gesproken onmogelijk lijkt, is als je je ogen op God richt, wel mogelijk”. De apostel Petrus blijft aanhouden: “Wij hebben alles wat we in bezit hadden, achtergelaten om u te volgen ?”.Jezus herhaalt war hij al eerder heeft gezegd: ieder die zijn huis en al zijn familie heeft achtergelaten omwille van het Koninkrijk Gods krijgt nu een veelvoud aan (levenskwaliteit) daarvoor in de plaats, en zal in de tijd die komt het eeuwige leven ontvangen.

         

Wie ben ik”: Een laatste onderricht en verkondiging (Lc 18:31- 19:28)

Er komt een eerste scheurtje in de overgave waarmee de leerlingen Jezus op zijn weg volgen. Jezus blikt op een moment vooruit naar Jeruzalem, het doel van zijn tocht. Hij brengt de leerlingen een boodschap waar ze geen kant mee op kunnen. Vol onbegrip horen ze hem aan als hij hen herinnert aan wat de profeten over de Mensenzoon geschreven is en zegt dat dat daar, in Jeruzalem, zal plaats vinden. Hij spreekt in termen van Hij, niet Ik, als hij het beeld oproept dat de Mensenzoon zal worden uitgeleverd aan de heidenen, zal worden bespot, mishandeld en bespuwd, gegeseld en gedood. Maar Hij zal op de derde dag opstaan.

Wat dit betekent begrijpen de leerlingen in het geheel niet.

Ze naderen Jericho, Jezus en de leerlingen en een menigte volgelingen. Er doet zich weer een incident voor waarbij Jezus tegen de stroom in laat zien wie hij is en waarvoor hij staat. Degenen die de stoet aanvoeren willen verhinderen dat “Jezus van Nazareth die voorbij komt”, zoals ze dat ( trots)   uitleggen aan een blinde die daar aan de kant ligt te bedelen, wordt lastiggevallen door die blinde, die hem aanroept met “Jezus , Zoon van David, heb medelijden met mij”. De blinde laat zich niet tegenhouden en herhaalt die woorden , luid schreeuwend. Jezus luistert naar wat de man van hem wil ( “Heer, zorg dat ik kan zien”) , is overtuigd van het geloof van de man en zegt dat hij weer kan zien. Lucas schrijft dan op dat in de eerste plaats de man Jezus ook volgt en God looft, en dat in de tweede plaats alle mensen die van dit incident getuigen waren, ook hulde aan God brachten. 

Wat ik hier noteer is dat het beeld van Jezus als Mensenzoon – Jezus van Nazareth- dat de volgelingen hanteren, bij de blinde eerst als Zoon van David ( dus staand in de geschiedenis van Israel ) en daarna , samen met de getuigen als stem van God worden ervaren , die geëerd wordt om zijn daden.

In Jericho zelf aangekomen en doortrekkend, spelen inkomens – en machtsverhoudingen een rol in twee ontmoetingen. De eerste gaat over de kinnesinne die mensen van de straat hebben als ze zien hoe Jezus intrekt in een huis van een zeer rijke tollenaar, Zachaeus, . DE man is, zonder meer al door zijn beroep, belastinginner, een verdacht persoon ; die stnoden toen bekend om hun uiterst corruptief gedrag. En ook als ze zien hoe de man, klein van stuk zo slim is om in een (vijgen)boom te klimmen om de aandacht van Jezus te trekken, die hij wel eens wil leren kennen. Het komt zover dat Jezus hem aanroept en zichzelf uitnodigt om bij de tollenaar onderdak te krijgen. De tollenaar doet dat vol vreugde. De omstanders morren als zr dat allemaal zien. ( ”Hij gaat het huis van een zondaar binnen”.) Maar de tollenaar richt zo recht mogelijk voor Jezus op en zegt “Ik zal de helft van mijn vermogen aan de armen geven en ook zal ik iedereen die ik heb afgeperst viervoudig schadeloos stellen”. 

Jezus verstaat dit als berouw en boetedoening in een goede Joodse traditie : “ Dit huis is vandaag redding ten deel gevallen, want ook deze man is een zoon van Abraham”. En richting de criticasters zegt hij dat de Mensenzoon niet is gekomen is om te collaboreren met zondaars maar om te zoeken en te redden wat verloren is. 

( Ook hier weer de lijn van de Tora en de rol van de Mensenzoon in eenzelfde ontmoeting verweven)

De mensen die naar deze dialoog staan te luisteren geeft Hij nog een gelijkenis mee. Daarin speelt mee dat ze dicht bij Jeruzalem zijn en hij beluistert dat mensen denken dat nu het Koninkrijk van God wel spoedig zal aanbreken. Hij doet dat door een rijke man ten tonele te voeren, die wat uit te delen heeft onder zijn dienaren, dat ook doet, maar daar voorwaarden aan verbindt,   en dan vertrekt naar een ver land waar hij weet dat hij daar het koningschap zal worden verleend en daarmee dan zal terugkeren. Dan ontrolt zich een dynamiek, of liever gezegd twee. De eerste is dat landgenoten van hem zijn terugkeer als koning geheel niet zien zitten, hem zelfs zijn gaan haten, en hem laten achtervolgen om hem duidelijk te maken dat er van dat koningschap, , wat hen betreft, niets komt. De andere is het gedrag van de dienaren , aan wie hij voor zijn vertrekt ieder 1 mine zilver heeft gegeven met de opdracht er handel mee te drijven, en zijn reactie daarop als hij terugkomt (als koning). De eerste heeft tien mine met handel verkregen, in zijn rol als koning verschaft hij die dienaar het gezag over tien steden in zijn rijk, de handel van de tweede heeft 5 mine opgeleverd en die krijgt als beloning de macht over 5 steden. De derde is een laffe loser, die heeft met de mine niets gedaan, met het argument dat hij bang was de koning hem de winst wel zou afnemen ( alhoewel hij niets gezaaid , noch geoogst zou hebben) . In een doek gewikkeld krijgt de koning de mine weer terug. De koning is razend, verwijt hem dat hij het geld zelfs niet bij een bank heeft ondergebracht voor rente. Hij neemt, zegt hij, inderdaad wat hij niet gezaaid en geoogst heeft af , en laat mensen uit zijn omgeving die ene mine geven aan degene die 10 mine had verworven. Dat vinden die mensen toch wel wat gortig ( “ hij heeft er al tien”! ). Maar de koning legt uit: als je veel oplevert in mijn rijk krijg je nog meer, als je niets hebt opgeleverd, wordt wat je hebt nog ontnemen. En tenslotte: die landgenoten die mij als koning niet accepteerden, die horen niet te leven, breng ze hier en dood ze. 

Dit is de laatste dialoog van Jezus voordat hij aan zijn laatste doortocht naar Jeruzalem begint. 

De stad en de tempel : de ontvangst (Lc 19: 29-48) 

Jezus bereikt met zijn getrouwen de plaatsen Betlage en Betanië op de helling van de Olijfberg van waar zij Jeruzalem zien liggen. Dat maakt iets bij hem los en hij voorvoelt dat er letterlijk en figuurlijk een bijzondere weg te gaan is. Om deze gedachten in daden om te zetten, kiest hij een bijzondere manier om de stad binnen te gaan. Hij laat twee (!) van zijn apostelen in een van die dorpen een ezelsjong ophalen ( “ zeg tegen de eigenaar: ‘de Heer heeft het nodig’ en maak het dier los”) ). Op de rug van dat ezelsjong gezeten, met mantels van de apostelen als zadel en ook mantels als een soort “ rode loper” op de weg, begint hij de Olijfberg af te dalen. Zijn volgelingen laten duidelijk horen met wat en met wie de omstanders te maken hebben: ze prijzen God voor alles wat ze aan wondertekenen hebben gezien, en roepen daarbij: “Gezegend Hij die komt als koning., in de naam van de Heer! Vrede in de hemel en eer aan de Allerhoogste”. Een koning die op een ezel binnenrijdt, we is dat, moeten de mensen langs de weg gedacht hebben. Het zijn natuurlijk de farizeeën aan de kant van de weg die er het hunne van denken en Jezus te kennen geven dat dat – blasfemisch- geroep geen pas geeft en hem aanspreken op zijn autoriteit ( “Meester, berisp uw leerlingen”). Jezus pareert onmiddellijk:” Wees er van overtuigd dat, als zij hun mond zouden houden, de stenen het wel zouden uitschreeuwen”. .Je zou bijna denken dat Jezus hiermee bedoelt: ik ben niet een koning van de wereld, ik ben de waarheid, ik laat de onderste steen bovenkomen.

Hij ziet, als de stoet even verder trekt, de stad voor zich liggen en dan overvalt hem een hevige emotie. Lucas schrijft: ‘hij begon te huilen om de stad’. De echo van de vrederoep van zijn apostelen klinkt bitter door in zijn woorden die hij dan uitspreekt. ’ Had jij ( stad Jeruzalem) ook vandaag maar weet gehad van wat vrede teweeg kan brengen. Het blijft ook nu voor je verborgen. Je herkent de tijd van Gods ontferming niet. Je ontkomt niet aan een andere tijd, waarin vijanden je omsingelen, innemen, met de grond gelijk maken, je kinderen verdelgen, geen steen op de ander laten. ‘ 

Als hij dan, in de stad aangekomen, als eerste bestemming , de tempel binnengaat, raakt jij des te meer zwaar geïrriteerd van de aanblik daar van handelaren die er een gewoonte van hebben gemaakt en kennelijk gedoogd worden om nota bene daar hun negotie te drijven. Hij treedt op door ze weg te jagen .en ze toe te roepen: “ Er staat geschreven ‘ Mijn huis moet een huis van gebed zijn’, maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt “. 

( Twee, niet eerder zo nadrukkelijk beschreven emotionele momenten: een huilende en een zwaar geïrriteerde Jezus. En dat aan het begin van de zwaarste week uit zijn leven) .

De tempel is dan de plaats waar hij, zoals Lucas schrijft, vanaf dat moment ‘dagelijks onderricht’ zal geven. Het is zijn plek geworden, niet als gast maar als leraar. En dat hindert op hun beurt de hogepriesters, de schriftgeleerden en de leiders van het volk in hoge mate. Zo zelfs dat ze plannen beramen om hem uit de weg te ruimen. Dat lukt ze vooralsnog niet, want ‘ het hele volk hing aan zijn lippen’. 

                                                   

Wat is je mandaat, Jezus? (Lc 20: 1-8)

De hoeders van de Joodse leer en leefwijze, de Hogepriester, schriftgeleerden en tempeloudsten zijn even vasthoudende volgelingen van Jezus als zijn leerlingen en apostelen en zijn grote aantallen vrienden uit de bevolking dat zijn. Maar de eerstgenoemden doen dat uit diep wantrouwen en een vijandige gezindheid. Als hij weer eens het samengestroomde volk in de tempel onderricht geeft en – dat voegt Lucas er nadrukkelijk aan toe – er het goede nieuws verkondigt, komen ze met een nieuwe, sluwe, “zienswijze”. Welk mandaat heeft hij om zo op te treden en van wie heeft hij eigenlijk mandaat gekregen? Jezus antwoordt, op Joodse wijze, met een vraag (hij wil ook wel eens een openlijke mening uit hun mond horen). En hij vraagt : Johannes, die doopte, deed hij dat volgens jullie met een mandaat uit de hemel of met een mandaat van mensen? Ze komen na overleg met elkaar, tot de conclusie dat ze daarop geen antwoord durven geven. Als ze “uit de hemel” zeggen, krijgen ze natuurlijk te horen waarom ze Johannes dan niet geloofden, en als ze antwoorden “van de mensen” zullen ze dat met de dood moeten bekomen ( gestenigd worden, zegt Lucas) , omdat de mensen er wel degelijk van zullen uitgaan dat Johannes een profeet is, die op grond daarvan de doop verrichtte. Jezus reageert, als hij hoort dat ze het niet weten, niet geheel zonder ironie: “Dan hoef ik jullie ook niet te antwoorden op welke grond ik mijn optreden baseer”. 

                                                            

Tevergeefse valkuilen ( Lc 20: 9- 21: 4)

Welk gezag hij in de wereld heeft, maakt hij duidelijk door een gelijkenis, die hij uitspreekt tot de menigte die rondom hem staat. ‘Een man bouwt op een stuk grond een wijngaard op, geeft de exploitatie in handen van wijnbouwers. En gaat zelf op reis. Als de tijd daar is, laat hij het afgesproken deel van de opbrengst ophalen door een knecht. De wijnbouwers geven niets af, jagen hem met ernstig fysiek geweld weg. Dat herhaalt zich nog twee keer daarna met andere knechten. De eigenaar van de wijngaard stuurt dan zijn zoon, ‘zij n geliefde zoon’ , op hen af met de gedachte ‘ze zullen voor hem toch wel ontzag hebben’. De wijnbouwers zien dat anders, en doden ook hem, met de botte overweging’ hij is de erfgenaam, als we hem doden, is de erfenis voor ons’. “Wat denken jullie jullie, zegt Jezus, wat de eigenaar nu doet? Hij gaat zelf naar zijn wijngaard, doodt de wijnbouwers , en geeft de wijngaard aan anderen in beheer”. De omstanders die dit aanhoren, reageren verschrikt: “Dat nooit ! “. Wel zegt Jezus, herinner je je dan niet dat er (in de Psalmen., 118: 22) geschreven staat ‘De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden’ ? En weet dat dat betekent dat degenen die over die steen struikelt, te pletter zal vallen en op wiens hoofd de steen valt, vermorzeld wordt.” De schriftgeleerden en hogepriesters begrijpen goed dat die woorden voor hen bedoeld zijn ( en ze hadden zelf nota bene al met elkaar gesproken over gestenigd worden als ze foute keuzes zouden maken ). Ze zouden hem op dit moment wel willen laten grijpen, maar zijn beng voor de reacties van het volk, dis laten ze het er nu nog bij zitten. 

Ze proberen het vervolgens door een soort undercover spionnen in te zetten. Handlangers die zich moeten voordoen als rechtvaardige Joden, zodat ze hem op een onwettige uitspraak kunnen betrappen. Om genoeg bewijs in handen te hebben om hem over te leveren aan de overheid, aan het gezag (!) van de gouverneur. Een sluwe vraag ( “ Meester, u spreekt de juiste taal, zonder aanzien des persoons en geeft oprecht onderricht over de weg van God, dus zeg ons: is het toegestaan belasting te betalen aan de keizer of niet?”) wordt door Jezus doorzien en hij antwoordt door hen te laten bevestigen dat op de gangbare munt, de denarie de afbeelding van de keizer staat afgebeeld en hen voor de voeten te gooien: “ Geef aan de keizer wat des keizers is en geef aan God wat God toebehoort”. De list lukt niet, ze weten geen raad met dit antwoord en doen er het zwijgen toe. Het gezag van Jezus is van een andere orde dan het gezag van de gouverneur..

Met een paar Sadduceeen die naar hem toekwamen, komt hij in discussie over het al dan niet bestaan van de ‘opstanding uit de dood’. Sadduceeën zijn een aristocratische orde van Joodse priesters, conservatief (Mozaisch) en trouw aan Romeins gezag, en ontkennen de opstanding. Ze leggen een casus bij Jezus neer: “Een vrouw blijft kinderloos achter na het overlijden van haar echtgenoot en zijn broer trouwt, geheel volgens de voorschriften van Mozes, met de vrouw, maar overlijdt eveneens kinderloos. Achtereenvolgens, nog steeds volgens de wet van Mozes, trouwen de zes volgende broers ook met haar, en overlijden ook allen kinderloos. Meester, als er dan een opstanding is, van wie van deze zeven broers is zij dan de wettige echtgenoot bij de opstanding ?” Jezus laat in zijn repliek opnieuw zien dat er hier naast de wereldse gang van zaken (“ mensen van deze wereld trouwen en worden uitgehuwelijkt”) een geheel andere weg aan de orde is. Als mensen, en zo werkt het, waard worden geacht de weg op te gaan naar een leven na de dood, naar de opstanding, is trouwen en uithuwelijken geen onderwerp van discussie, en ze sterven niet maar mogen ze zich als engelen en kinderen van God beschouwen en hebben ze daardoor deel aan de opstanding. En jullie wijzen wel op Mozes, maar herinner je je dan het verhaal niet over de brandende doornstruik waar hij de Heer presenteert als de God van Abraham, van Isaak en van Jakob? Hij is geen God van doden, maar van levenden, want allen zijn voor hem in leven. Als enkele schriftgeleerden hem hierin gelijk geven en niemand hem meer tegen durft te spreken, voegt hij er nog aan toe: Er wordt ook wel beweerd dat de messias de zoon van Davis is, maar David spreekt in de Psalmen over zijn Heer , die toegesproken wordt door de Heer ( om van zijn vijanden een voetenbank te maken). Dan kan hij toch geen zoon van hem zijn? 

Hij waarschuwt zijn leerlingen na deze confrontaties voor de schijnheiligheid van schriftgeleerden die in dure kleren rondlopen, eerbiedig begroet willen worden , op de eerste rang in de synagogen willen zitten. In werkelijkheid ontnemen ze de weduwen hun woningen en zeggen ook nog lange gebeden op. Over hen zal strenger geoordeeld worden dan over anderen. Hij kijkt omhoog in de tempel en ziet dat er rijken ( met een wjjds gebaar) hun giften n de offerkist wierpen, terwijl een arme weduwe er twee muntjes in gooide. “Kijk, zij geeft van haar armoede weg wat ze eigenlijk nodig heeft voor haar levensonderhoud, terwijl de rijken van hun overvloed iets offeren. 

                                                            

Blijf waakzaam, let op de tekenen ( Lc 21: 5- 38)

In alle vier evangeliën komt een passage voor waar Jezus spreekt over zijn terugkomst en over tekenen die daaraan voorafgaan. Lucas geeft de toespraak extra gewicht door het als een slotoptreden in zijn evangelie op te nemen vlak voor dat hij aan het laatste traject van zijn doortocht door het leven begint. Het is dan ook een optreden van bijzondere aard. Ditmaal geen onderricht, geen verkondiging, geen teken van genezing, maar zijn woorden hebben hier het karakter van een apocalyps. Hij ziet, met een blik op de tempel en op Jeruzalem, maar vooral op de mensen in de dorpen en de stad, een visioen van wat zich zal voltrekken. Hij presenteert zich hier niet als traditionele profeet in de lijn van de profeten van het Joodse volk, maar nadrukkelijk een in de lijn van God, zijn Vader, die zich wil verhouden tot de kinderen van deze wereld. 

Het beeld van de mooie kleren van de priesters en hun gezaguitstralend gedrag waar Jezus het over had, wordt nog eens versterkt doordat er in de omgang in en rond de tempel door de mensen gewezen wordt op de mooie stenen en wijgeschenken die de bouw versieren.

Jezus grijpt die aandacht voor pracht en praal aan door de omstanders met een ander beeld te confronteren: ‘wat jullie hier zien…er zullen dagen komen waarop geen steen op de andere zal blijven, alles zal worden afgebroken’. De mensen vragen (danig in verwarring) wanneer dat zal gebeuren en aan welke tekenen zij dat zullen herkennen.  Jezus antwoord in apocalyptische beelden: 

Er zullen velen komen die mijn naam gebruiken en zeggen ”Ik ben het”of “de tijd is gekomen”. Volg hen niet!

Laat je door berichten die jullie bereiken over oorlog en opstand (elders) niet meteen in paniek brengen, dat staat wel te gebeuren, er zal ongetwijfeld oorlog zijn tussen volkeren, er komen zware aardbevingen, hongersnoden en epidemieën en er verschijnen tekenen aan de hemel, maar er gaat wat aan vooraf: 

Eerst zullen jullie worden mishandeld en vervolgd en uitgeleverd aan de synagogen. Jullie zullen worden opgesloten in de gevangenis en worden voorgeleid aan koningen en gouverneurs omwille van mijn naam.

Dan zullen jullie moeten getuigen. Maar ga je dar niet zelf op voorbereiden, want ik zal jullie woorden van wijsheid schenken die door geen van je tegenstanders kunnen worden weerstaan of weersproken. Zelfs jullie directe familie en vrienden zullen jullie uitleveren en sommigen van jullie zulle zelfs ter dood gebracht worden. Door iedereen worden jullie gehaat omwille van mijn naam.

Maar weet: geen haar van je hoofd zal verloren gaan. Red je leven door standvastigheid! . 

 Wat dan vervolgens heel dichtbij komt is de omsingeling van Jeruzalem door legertroepen en dat is het teken dat de stad verwoest zal gaan worden

 Vlucht weg, van Judea de bergen in, trek weg wie in Jeruzalem verblijft, kom niet naar de stad als je in het land bent. 

De straf zal worden voltrokken: alles zal in vervulling gaan wat geschreven staat: 

Wat zal het een ramp zijn voor vrouwen die zwanger zijn of kinderen bij zich hebben aan de borst,

Het land zal in diepe ellende verkeren, de bevolking zal door een zwaar vonnis getroffen worden,

De inwoners zullen omkomen door hat zwaard of overal in gevangenschap worden weggevoerd, 

Terwijl Jeruzalem vertrapt zal worden door de heidenen, tot hun tijd voorbij is,

Dan zullen er tekenen zijn aan de zon en de maan en de sterren en op aarde zullen de volken sidderen van angst voor het gebulder en het geweld van de zee, de mensen zullen bezwijken van angst om wat er met de wereld zal gebeuren, want de hemelse machten zullen wankelen.

Maar dan zullen ze op een wolk de Mensenzoon zien komen, bekleed met macht en grote luister.

Wanneer dat alles staat te gebeuren, richt je dan op en hef je hoofd, want jullie verlossing is nabij. 

Jezus gaat verder door een gelijkenis te maken met het beeld van bomen, waaronder vijgebomen, die uitkomen en waarvan de mensen dan zullen zeggen dat de zomer in aantocht is. Als je ziet dat er gebeurt wat ik je vertelde, weet je dat het Koninkrijk van God in aantocht is, nabij is. Wanneer, vraag je? ‘Jullie generatie’ (bedoeld is, naar mijn mening, de mensheid) 

Is niet verdwenen, voordat die dingen gebeuren, hemel en aarde zullen verdwijnen, maar mijn woorden nooit’. De Mensenzoon zal onverwacht komen, zorg dan dat je altijd alert bent, je hart open staat voor zijn komst en niet in een stadium door roes en drank en dagelijkse sores afgestompt, zodat die dag je overvalt als een val die dichtklapt. Hij komt plotseling, over allen die waar ook op aarde wonen. (!) . Wees waakzaam, bid onophoudelijk dat je kracht ontvangt om te ontkomen aan de dingen die gaan gebeuren en om voor de Mensenzoon te kunnen verschijnen. 

Hierna is er een tijd (een paar dagen, een week?) waarin Jezus overdag in de tempel onderricht geeft en de mensen blijven iedere ochtend al vroeg naar de tempel komen om naar hem te luisteren. ‘s Nachts trekt hij zich terug op de Olijfberg. 

                                                                  

Bittere ironie   Lc 22: 1-Lc 23: 25)

In de loop van zijn driejarige tocht door het land was er toenemend verzet gerezen tegen Jezus’ optreden. Het irriteerde de Joodse elite in de synagoge en de scherpzinnige hoeders van de wetten van Mozes en de normen en waarden van de Profeten en Geschriften in hoge mate dat deze mens zich bleef profileren als de Zoon van God, die een boodschap had die hij het heil voor alle volkeren noemde. Binnen en buiten de synagogen, in de huizen van corrupt volk, alles gepaard gaande met wonderen van genezing en duivelsuitdrijving, zich niet houdend aan wetten van sabbatsrust. En het was onverteerbaar dat grote groepen mensen hem volgden en groot geloof aan zijn woorden en daden (van genezing) hechtten. Ze zochten steeds naar wegen om hem de mond te snoeren en zelfs om hem uit de weg te ruimen. Maar ze zagen ook wel in dat ze de bevolking niet tegen zich in het harnas moesten jagen. Het was daarom voor hen een ‘blessing in disguise’ dat in de trouwe vriendenkring rond jezus, nota bene Judas Iskariot, een van de apostelen, toegaf aan een duivelse gedachte. Hij zag wel kans om, zonder dat iemand dat door had, Jezus in handen te spelen van de Hogepriesters en de tempelwachters. Hij besprak dat sluw spelletje met hen, die waren laaiend enthousiast, ze boden Judas geld als beloning, de deal was gesloten. Judas ging aan de slag. 

Het is inmiddels volgens de Joodse kalender de dag van het Ongedesemde brood ( slachting van het pesachlam, herdenking van de uittocht uit Egypte). Jezus kiest dit als een moment om alleen samen met de twaalf apostelen de traditionele pesachmaaltijd te vieren

Het feest begint met de viering van Seder op de eerste twee avonden. ‘Seder’ betekent ‘ordening’, de avonden verlopen volgens een vast patroon. Je krijgt met de hele familie een speciale maaltijd: een bitter kruid, zout water, een ei, een geroosterd lamsbeen, een soort fruitkoek (charoseth), vier glaasjes wijn en verse lentegroente. Aan de hand van deze etenswaren wordt het verhaal van de vlucht uit Egypte verteld aan de kinderen.

Hij viert geen maaltijd in familieverband, zoals de gewoonte is, maar met zijn vrienden. Dus zoeken ze een ruimte waar dat kan. Lucas vertel, net als bij Mattheus en Marcus, dat Jezus dat kennelijk al geregeld had, Petrus en Johannes hoeven alleen in de stad naar een man uit te kijken met een kruik water, die hen naar een locatie zal brengen, waar een grote bovenzaal daarvoor is ingericht. Ze maken de maaltijd gereed en allen gaan aanliggen. Jezus heet welkom met een groet waarin hij zegt hevig te hebben verlangd om samen met hen de pesachmaaltijd te eten, ‘want’ zo zegt hij, ‘het is niet alleen om zo met jullie te zijn voordat het lijden dat mij wordt aangedaan , zal beginnen, maar ik zeg jullie ook : “Ik zal geen pesachmaal meer eten ( en drinken van de wijn, wat hij later bij de maaltijd zal herhalen) totdat het zijn vervulling heeft gekregen in het koninkrijk van God”. 

Mijn vraag is, welke betekenis in deze woorden besloten ligt. Pesachmaal, vanouds bedoeld als herdenking van bevrijding van het volk van Israel, , krijgt hier een bijzondere lading: Jezus komt terug als zijn leven in Gods Koninkrijk is vervuld ( bevrijd) en kan dan weer een pesachmaal met ons, de wereld. delen. Zou dit het zijn? 

Jezus vraagt nadat hij een dankgebed heeft uitgesproken, de hoofdingrediënten van de maaltijd, de wijn in een beker en het brood gebroken in stukken, aan elkaar door te geven. 

Het zijn tekens, zo geeft hij aan, van zijn eigen leven als mens van vlees en bloed, , die vanaf nu altijd weer moeten worden herhaald, om vast te blijven houden aan het nieuwe verbond dat hij met het geven van zijn lichaam en zijn bloed heeft gesloten. 

Hier liggen het antwoord op de vraag “wie denken jullie dat ik ben” en de geschiedenis van het verbond dat god met de mens heeft gesloten en de toekomst van Gods Koninkrijk op indringende wijze in elkaars verlengde .

Aan tafel spelen zich ondertussen menselijke taferelen af, waar bitterheid, het spelen van haantje de voorste en ironie als heel andere ingrediënten worden opgediend. Maar jezus houdt de regie, dat laat hij zich niet ontnemen. .

Zo geeft hij aan weet te hebben van een samenzwering tegen hem, maar ook dat hij weet dat een van de apostelen daar een verradersrol in speelt. De apostelen maken, als ze dat horen, met elkaar ruzie over wie dat wel niet zou zijn ( ik   ik…ik   ?). Ze hebben het misschien wel moeilijk met aankondigingen van de komende dood, maar dat uiten ze niet in bewogenheid of ontferming, maar in angstige gedachten over hoe het henzelf in die tijden zal vergaan.

Wie is de belangrijkste binnen hun groep, is een vraag die hen bijvoorbeeld bezighoudt. Die discussie grijpt Jezus aan door zijn verhouding daar aan tafel met zijn (dierbare) vienden als uitgangspunt te nemen: Laat eerst duidelijk zijn dat het bij jullie niet zo moet zijn als in de wereld waar vorsten volkeren onderwerpen en hun machtspositie misbruiken door zich weldoener te noemen. Kijk hoe wij hier aan tafel met elkaar omgaan: is er sprake van hiërarchie tussen degenen die aanliggen en degene die als bedienaar van eten rondgaat? Zijn Jullie die aanliggen de belangrijkste? Maar ik ben toch rondgegaan door het eten te delen ? En weet dat ik jullie zie als degenen die altijd bij mij blijven in de beproevingen die ik onderga. Wat daarbij telt is dat God mijn Vader mij voor het koningschap heeft bestemd, en dat ik jullie op mijn beurt voor het koningschap bestem. En in die hoedanigheid eten en drinken jullie aan mijn tafel, en zetel jullie op een troon om recht te spreken over de twaalf stammen van Israel. 

Die laatste toevoeging, ‘recht spreken’. over Israël mij niet duidelijk. Dat geldt ook voor de passage hierna. Jezus roept op om zwaarden aan te schaffen, in het verlengde van zijn verklaring dat in de geschriften als wetteloze is bestempeld, wat nu in vervulling zou gaan, Een aanbod van de apostelen van twee zwaarden wijst hij weer resoluut van de hand ( “genoeg hier over” ) 

Later komt het tot een overdreven genereus gebaar van Petrus: ‘Ik ben zelfs (sic!) bereid met u de gevangenis in te gaan en te sterven. En het antwoord van Jezus zal Petrus zich nog lang heugen; als hij later onder het volk zit dat in de binnenplaats bij de hogepriester is samengestroomd, bij wie Jezus is binnengebracht hoort hij een haan kraaien als hij tot driemaal toe liegt tegen omstanders die hem herkennen als een volgeling van Jezus. Dat kraaien had Jezus hem voorspeld. Lucas schrijft: … en hij ging naar buiten en huilde bitter. 

De apostelen lieten ook al hun (zwakke) menselijke kant zien als zij , nog voordat Jezus is overmeesterd, van verdriet in slaap vallen. Jezus was gewoontegetrouw met hen de Olijfberg opgegaan en had er bij hen op aangedrongen om te bidden ‘om niet in beproeving te komen’. Jezus zelf was een eind verder in diep gebed met zijn Vader gegaan. Toe hij terugliep naar zijn leerlingen zag hij dat ze in slaap waren gevallen. 

Jezus zelf kent momenten van bittere emotie in deze situatie. In het gebed tot zijn Vader schetst Lucas een beeld van de biddende mens in doodsnood. “Laat deze beker voorbijgaan, niet omdat mijn wil maar Uw wil zal geschieden”. En in dat beeld verschijnt een engel als krachtbron. Jezus wordt overvallen door doodsangst, hij bidt vuriger en zweet valt als druppels bloed op de grond. Lucas , arts van beroep, is overigens de enige evangelist die dit heftige beeld van zweet en bloed beschrijft.

De sluwe truc van overgave door Judas daarna gaat niet zonder emotioneel drama. Judas laat door een kus zien aan de tempeldienaars wie ze moeten hebben, hij wordt door jezus met grote ironie daarover aangesproken (“Lever je de Mensenzoon uit met een kus?”). Lucas vertelt dan dat direct daarop aanhangers van Jezus erop willen inhakken met een zwaard en in die emotie het rechteroor afhakken van een van de tempeldienaars. En dan stelt op deze plaats en dit moment Jezus zich weer op als heler (in een gebroken wereld, dD). Hij gebiedt ermee op te houden en …”hij raakte het oor aan en genas de man”. Emotie beantwoorden met een daad van gezag. 

De vijandige houding van degenen die Jezus in het huis van de Hogepriester vasthouden gaat (kennelijk ongecontroleerd) gepaard met pesterij, lichamelijke en mentale vernedering. Zo wordt hij geblinddoekt en uitgedaagd om te ‘profeteren’: “wie is het die je geslagen heeft?’ 

Het wettig gezag, Pontius Pilatus, de Romeinse provinciebestuurder over Judea, en de door hem aangeroepen vorst Herodes Antipas (Tetrarch over Galilea) spelen een zwak maar slimmig politiek spel als het er om gaat om wie van hen competent is om Jezus te veroordelen. De eerstgenoemde, bij wie Jezus door de Joodse leiders wordt voorgeleid, begint met het argument dat hij geen argumenten kan vinden van schuld, maar sust het opstandige Joodse volk door Jezus naar de vorst Herodes door te sturen (“omdat hij begreep dat Jezus uit Galilea kwam “). Herodes, niet bepaald een vriend van Pilatus, is toevallig in Jeruzalem en beschouwt het als een lot uit de hemel om Jezus een keer te ontmoeten en eens te zien hoe Jezus wonderen kon verrichten. Hij legt het vuur aan zijn schenen door hem uitvoerig te ondervragen. Hij krijgt nul op het rekest, Jezus zwijgt in alle toonaarden. De hogepriesters en schriftgeleerden doen, als ze dat zien, een duit in het zakje door zware beschuldigingen in te brengen tegen Jezus. Dat maakt dat de getergde Herodes een bittere tegenactie begint: samen met zijn soldaten honen ze Jezus en drijven ze de spot door hem een pronkgewaad om te hangen ( ‘’als hij het niet zelf zegt zullen wij hem wel een koningskleed aandoen’). Ze sturen hem, zo uitgedost, naar Pilatus terug. Lucas meldt dan “Op die dag werden Herodes en Pilatus vrienden, terwijl ze altijd elkaars vijanden waren geweest”. ( Met andere woorden: ze worden in elkaars armen gedreven, als het er om gaat het Joodse volk en die zogenaamde leider te grazen te nemen en zelf vrij uit te gan, hun handen in onschuld wassen). Pilatus pakt die handschoen op en denkt slim te zijn door de Hogepriesters en Joodse leiders de ervaring van hemzelf en van Herodes als een negatieve uitkomst van onderzoek naar de ( beschuldigingen met betrekking tot) de handel en wandel van Jezus op hun bord te leggen. “Herodes noch ik hebben iets verkeerds kunnen vinden wat een doodstraf legitimeert, ik zal hem wel laten geselen en daarna moeten vrijlaten “. Dat is buiten de waard gerekend: de Hogepriesters en Joodse leiders worden razend als ze dat horen, ttot drie maal toe zetten ze hun kelen op, schreeuwen ze Pilatus de oren dol , die aldoor probeert hen van de onschuld van Jezus te overtuigen in de ogen van het bevoegd gezag. Ze eisen een ruil : “laat Barabbas ( een gevangene, die vast zat voor moord ) maar los en executeer Jezus met een kruisiging”. De bittere pil wordt geslikt: Barabbas komt vrij en Jezus wordt, zoals Lukas schrijft ‘aan hun willekeur overgeleverd’. De gerechtigheid verliest het van haat en emotie. 

Verloren zaak? ( Lc23:26- Lc 24: 4a)

Bitterheid stort zich over Jezus neer op Golgotha (Schedelplaats), waar hij heen weggevoerd wordt om gekruisigd te worden, samen met twee andere veroordeelden. Eerst moet hij toezien, nadat jij feitelijk aan het kruis is geslagen, dat zijn enige eigendommen die hij nog had, zijn kleding, verdobbeld onder de soldaten. Daarna is hij onderwerp van spot en hoon. Zijn missionaire boodschap was tijdens zijn voettocht door het land had hij altijd uitgedragen als verkondiger van redding, van het Koninkrijk van God, als zoon van God, als Mensenzoon, als heil bedacht aan de mensen ( zoals Schillebeeckx dit verwoord). Die identiteit wordt hem voor de voeten geworpen. De joodse leiders: “Laat hij zich nu maar zelf redden, als hij de messias van God, zijn uitverkorene is”. Er was boven zijn hoofd op het kruis een bord getimmerd met de inscriptie INRI: Dit is de Koning der Joden, de soldaten gingen voor het kruis staan en riepen hem spottend toe: “Als je de koning der Joden bent, red dan jezelf”. En gaven hem water met azijn aan. Daar sloot een van de twee misdadigers die naast hem aan een kruis hingen zich ook spottend bij aan: “ Jij bent toch de messias? Red jezelf en ons erbij”. 

Bitterheid, doodsangst en lijden worden door Jezus, stervende, omgezet in een ongekend indrukwekkende overgave. Terwijl het hele land wordt verduisterd, de bescherming van de heiligdommen in de tempel, het voorhangsel, doormidden scheurt, roept hij luid, zodat iedereen het hoort ”Vader, in uw handen leg ik mijn geest”. Een gebed, diametraal opgericht tegen de machten van duivelse spot en koninklijke machtswellust. Als we een antwoord denken te vinden op de vraag “En jullie, wie zeggen jullie dat ik ben”, dan is het dat hier wel. Dat wordt, heel bijzonder, bekrachtigd door de Romeinse legerleider, een centurio, die alles zag en hoorde: “Werkelijk, deze mens was een rechtvaardige”. Jezus heeft dan de laatste adem uitgeblazen. 

Lukas geeft nog een scherp beeld van hoe de samengestroomde mensen rond de kruisiging met deze situatie omgaan. Hij noemt eerst de mensen die ‘voor het schouwspel’ waren komen kijken. Zij gaan, nadat ze dat allemaal hebben zien gebeuren, weer naar huis, maar sloegen zich van verdriet op de borst. Het heeft niemand onberoerd gelaten. Daarna zijn er allen die Jezus gekend hadden; die waren op een afstand blijven staan, zo schrijft Lukas. Speciaal noemt hij de vrouwen, die hem de hele tocht uit Galilea naar Jeruzalem waren blijven volgen. Want later blijkt dat zij de zorg voor het graf op zich willen nemen. Dat graf is een ruimte in een grot, nooit eerder gebruikt, maar ter plekke wordt ingericht door een man met de naam Jozef uit Arimatea. En dat is de derde die Lucas als getuige van de kruisiging ten tonele voert en een speciale rol neemt bij de afloop. Hij is een, in alle opzichten, humaan en gelovig mens, raadsheer, goed en rechtvaardig, geloofde in de komst van het koninkrijk van God en had niet ingestemd met het besluit en handelwijze van de Joodse raad. Deze Jozef is het die naar Pilatus gaat om het lichaam van Jezus te moge meenemen, zelf het lichaam van het kruis haalt, in doeken wikkelt en het lichaam in het rotsgraf legt. Dus het zijn niet de volgelingen van jezus, maar een tot dusver onbekende Joodse man, die de graflegging in zijn eentje volvoert. Wel noteert Lukas dat de vrouwen , bovengenoemd, dat zien gebeuren en naar huis gaan om geurige olie en balsem gaan klaarmaken om die later naar het graf te brengen. En Lukas sluit het verslag van de graflegging met “Op sabbat namen ze ( de vrouwen) de voorgeschreven rust in acht”. Een bijna ironische afsluiting: ondanks alles wordt toch de wet van Mozes in volle ere gehouden. 

Het verzorgen van het lichaam van Jezus in het graf wordt dan den de eerste taak van de vrouwen op de dag na de sabbat. Het zijn Maria van Magdala, Johanna en Maria de moeder van Jacobus en nog wat andere vrouwen. Bij het rotsgraf aangekomen, maken ze mee wat ze niet voor mogelijk houden. Ze krijgen als het ware het teken dat het houden aan de religieuze rituelen van de sabbatsrust en van het balsemen van het lichaam van een overledene doorbroken wordt door de existentie en de essentie van het leven zelf. Ze begrijpen er in eerste instantie helemaal niets van. Het graf is leeg.

Het evangelie van Lucas gaat vervolgens op een andere toonhoogte verder. 

‘ Dit ben ik’ , een levend bewijs ( Lc24 : 4b-52)

De vrouwen horen de stemmen van twee mannen ( in stralende gewaden, waarschijnlijk zijn engelen bedoeld). De hevig geschrokken vrouwen buigen het hoofd, als ze te horen krijgen dat ze de levende niet bij de doden moeten zoeken, “Hij is hier niet, hij is opgewekt uit de doden”, en ze worden herinnerd aan de woorden die Jezus al in Galilea had gesproken tot inzicht brengt: “de Mensenzoon moest worden uitgeleverd aan zondaars en moest gekruisigd worden en op de derde dag opstaan”. Als ze dat horen, begrijpen ze het ( wie de mens Jezus was en wat hij teweeg heeft gebracht).

De anderen, waaronder de elf apostelen, begrijpen , als ze het verhaal van de vrouwen horen, het ook niet en willen het ook niet begrijpen (“kletspraat”).. Petrus is toch nieuwsgierig, wil het met eigen ogen zien., rent naar het graf, bukt om goed te kijken en ziet alleen de linnen doeken liggen. In grote verwondering over wat er gebeurd is gaat hij teug. 

Twee andere leerlingen vertrekken uit de groep, zijn nog steeds somber gestemd over het grote verlies van Jezus uit hun midden en in verwarring over het verhaal van het lege graf. Ze gaan op weg naar een stadje met de naam Emmaüs. zo’n 10 km buiten Jeruzalem , om alleen met elkaar alles nog eens de revue te laten passeren. Een medewandelaar op die route loopt met hen mee . Lucas geeft in zijn verhaal op deze plaats al aan dat dat ( in zijn ogen?) Jezus is, die overigens niet herkend wordt door de twee mannen (“hun blik werd vertroebeld”). In het gesprek wat zich daarna ontspint begrijpen ze niet dat hun medeganger niet zou weten wat er allemaal gebeurd is. .Maar ze vragen niet: “Wie ben je”? , maar “ben je dan de enige hier die niet weet wat zich heeft afgespeeld?”. De medeganger luistert naar hun verhaal. Ze schetsen hun beeld van Jezus vaan Nazareth : een machtig profeet in woord en daad, in de ogen van God en van het hele volk. ‘ De Joodse leiders hebben hem echter ter dood laten veroordelen en laten kruisigen. Wij hadden de hoop, dat Hij degene was die Israel zou bevrijden, maar neen, het is inmiddels al drie dagen na zijn dood , en hij is niet meer. En nog erger, ook zijn lichaam is er niet meer, het graf is leeg, en waar we helemaal door verward raken is het verhaal van de vrouwen, die het graf zo aantroffen en hebben verteld dat ze door engelen werden aangesproken die hen verkondigden dat hij nog zou leven. ER zijn van ons nog een paar naar het graf gegaan maar hebben het ook leeg aangetroffen en hebben Jezus niet gezien.’. Hun medeganger probeert hen op het spoor te zetten met wie ze te maken hebben: ‘Het is toch allemaal in de wet van Mozes en de profeten en de geschriften zo opgeschreven en gezegd, geloven jullie dat dan niet, zijn jullie zo traag van begrip, de messias moest toch het lijden ondergaan om zijn glorie binnen te gaan?’ Maar de twee zijn kennelijk zo verdiept in hun eigen gedachten dat ze het niet door hebben, De medeganger maakt dan aanstalten om zijn eigen weg te gaan, De twee voelen zich waarschijnlijk toch aangesproeken door deze mens en overreden hem mee te gaan naar het dorpje dat ze genaderd zijn om daar met hen een maaltijd te hebben. Dan zien ze de man, aan de tafel met hen aangelegen, het brood nemen, een zegengebed uitspreken, het brood breken en ronddelen. En dat is voor hen het moment dat de vraag “wie is die mens’ bij hen opkomt en dat ze door het teken van het delen van het brood het antwoord weten:’ zo deed hij het altijd met ons, dit is naar onze herinnering Jezus!’ Nog voor dat ze iets tegen hem kunnen zeggen, “werd hij onttrokken aan hun blik”. Wel erkennen ze dat ze tijdens de wandeling hun hart niet hadden opengesteld voor zijn verhaal ( teveel met zich zelf bezig waren geweest) waarbij Hij de Schriften voor hen ontsloot en ze Hem niet hadden herkend. 

De twee leerlingen gaan spoorslags terug naar Jeruzalem, naar de elf apostelen en de anderen, Die zijn inmiddels er van overtuigd geraakt dat Jezus is opgestaan: “Simon Petrus heeft hem ontmoet hij is werkelijk ui de dood opgewekt” De twee vertellen ook hun verhaal, en terwijl ze daar nog mee bezig zijn komt iemand binnen , gaat midden in de groep staan en zegt ( met gezag) “Vrede zij met jullie”. Ook nu kunnen ze de gedachte niet zomaar toelaten dat het Jezus is, ze worden bang,, denken dat het een geest is. Jezus toont ( weer) wie hij niet en wel is: Waarom ben je zo ontzet, waarom twijfelen jullie. Geen geest, maar een mens van vlees en bloed, Kijk naar mijn handen en voeten. ik ben het zelf. En hij moet, als ze het nog niet geloven, hen laten zien dat hij ook als mens voedsel kan opeten: hij vraagt om eten, krijgt geroosterd vis en eet het voor hun ogen op. Daarop legt hij het wezen van zijn verschijning in die afgelopen jaren bloot. ‘IK heb jullie toch altijd gezegd dat wat er in de Tenach, het verhaal van Gods verbond met ons volk, ,over mij geschreven staat in vervulling moest gaan. De messias zal lijden en sterven, staat daar en hij zal op de derde dag opstaan uit de dood’. Hij maakt daarmee de geesten van de leerlingen en de anderen rijp , ontvankelijk, zoals Lucas schrift, voor het begrijpen van de Schrift. En hij sluit af met ‘dat daar geschreven staat dat in zijn ( Jezus’) naam alle volken opgeroepen zullen worden om tot inkeer te komen , opdat hun zonden worden vergeven’. En dat laatste is tegelijk een opdracht aan die dit horen : ‘Jullie zullen hiervan getuigenis afleggen, met Jeruzalem als startpunt, en om dat te kunnen doen zend ik jullie wat mijn Vader heeft beloofd, blijf nog in de stad tot jullie met de kracht uit de hemel zijn bekleed’. ( de werkkleding als voor een koning krijgen jullie, maar dan die uit de hemel aangereikt).. Hij voegt de daad bij het woord, neemt ze allen mee naar even buiten de stad ( Betanie, waar hij begonnen is aan de intocht op de ezel), zegent hen.

Daarmee sluit Lucas het evangelie af. Hij schrijft dat hij, terwijl hij zegent, voor de ogen van wie er bij waren, heenging en ‘opgenomen werd in de hemel’. En zij waren helemaal overtuigd, aanbaden hem, gingen in grote vreugde terug naar Jeruzalem, en waren voortdurend in de tempel waar ze god loofden.
Lucas kent dus geen periode van 40 dagen tussen Pinksteren en Pasen, de Hemelvaart valt met Pasen samen. Verondersteld wordt dat hij is blijven doorschrijven , en wel het boek wat is genoemd “Handelingen der Apostelen”. Dat sluit aan op de laatste regels van het eu-angelion,: de missionaire opdracht wordt in praktijk gebracht. Om ook aan de wereld duidelijk te maken hoe om te gaan met de vraag van Jezus “En jullie, wie denken jullie dat ik ben”. 

RegioPlaatsLocatie Algemeene typeringMet wie Bijzonderheden                                
GalileaKafarnaumSynagogeUitdrijving demonBezeteneMensen                                                verwonderen zich

                                                    

Overzicht van de reis van Jezus 

                 Huis van Simon Genezing van koortsZieke vrouwZij ging voor hen                               zorgen
                              KafarnaumHuis van SimonUitdrijving demonVelenVerbod om er                                    over te spreken
                              Meer van GennesaretBoot van SimonWonderbaarlijk grote visvangstMenigte Simon, Jacobus                                 en Johannes lieten alles achter en volgeden hem
                              Een van de stedenonbekendGenezing huidziekteOnreine manJezus beval er                                    niet over te spreken maar het nieuws verspreidde zich
                              onbekendDoor de opening van het dakGenezing verlammingVerlamde Mensenmassa Wetsleraren Farizeeën Schriftgeleerden                               en farizeeën verwijten hem godslasterlijke taal .Mensen vervuld van ontzag. 
                              Omgeving KafarnaumsynagogeGenezing misvorming Man met misvormde handKritisch debat                                    met Wetsg. en Far. over genezen op sabbat
                              Kafarnaum Huis van de centurion Gezing ziekteZieke slaaf Groot geloof                                     
                              NainBij de poortTot leven wekkenLeerlingen, grote menigte, Dode zoonOntzag, zij                                           loofden God Nieuws wordt in heel Judea e.o. verspreid
                 Meer van GalileaStorm bedwingenleerlingenverbazing                                           
                 Gebied van de Gerasenen, t.o.Galilea Verdrijving van demonenLeerlingen, Man, bezeten door demonen, varkens, varkenshoeders, mensenmenigteSchrik, angst,                                                                                                       verzoek aan Jezus gebied te verlaten, Jezus draagt man op alles te vertellen. Jezus vertrekt, maar komt terug
                 idemGenezing langdurig ziekteMenigte, zieke vrouwUitleg aan de                                                                                         menigte over kracht van geloof
                 Idem, huis van Jairus, leider synagogeTot leven wekken Dochterje van Jairus, Petrus, Johannes, Jacobus en deUItlachen door                                  aanwezigen, verbijstering bij ouders, Jezus
    ouders weeklagende aanwezigenverbiedt hen iets te zeggen hierover. 
 BetsaidaIn de stadVerdelen van vijf broden en twee vissen Leerlingen en 5000 mensenDe mensen aten                                en werden verzadigd
 Afdaling van een berg Uitdrijving onreine geest Leerlingen en menigte, zoon van een man in de menigteAllen waren met                                stomheid geslagen vanwege de grootheid van God
   Uitdrijving van demon Mensenmenigte, een stommeSommigen                                            verbaasd, anderen cynisch en gaan discussie over Beelzebub aan 
 Synagoge Genezing kromheid van lichaamLeider van de synagoge, menigte, vrouw, 18 jr krom,Leider van de                                      synagoge maakt zich kwaad, tegenstanders beschaamd, hele menigte verheugd
Op weg naar Jeruzalem In het huis van een vooraanstaand farizeeërGenezing van waterzuchtGenodigden voor een maaltijd, w.o. wetgeleerden en farizeeën, een man of vrouw met waterzuchtFarizeeën                                              hadden geen antwoord
Grensgebied van Samaria en GalileaBuiten een dorp Genezing van huidziekte Priesters, 10 Samaritanen met een huidziekte Een van de                                           Samaritanen loofde Jezus
Op weg naar JeruzalemIn de buurt van Jericho Genezing blindheidMenigte, blinde man Allen die                                                                                                  getuige waren brachten hulde aan God



Tweede gedachtewisseling tussen Kees en Maarten

Kees schrijft:

Het evangelie: een selectie uit een veel langer verhaal? 
Van de ( voet-)tocht van Jezus met zijn volgelingen van Nazareth naar Jeruzalem is in de evangeliën geen of nauwelijks specifieke informatie opgenomen over de totale afstand, de feitelijke duur, de overnachtingen, de verzorging, de dagelijkse routes, etc. Als je nu de kaart bekijkt is de weg, zonder veel bijzondere afslagen, ongeveer 150 km. lang ; de tocht heeft ca drie jaar in beslag genomen, stel ca 150 weken, gemiddeld dus een afstand van 1 km per week Daar moet dus een veelheid aan dagen en weken zijn geweest die jezus steeds in de omgeving van dezelfde locaties heeft doorgebracht, dan wel allerlei omwegen heeft genomen om zoveel mogelijk mensen te ontmoeten. Het aantal ontmoetingen, de momenten van uitleg en verkondiging, de tekenen van genezing die in het Lucas evangelie zijn beschreven , schat ik in op zo’n 40 a 50 . Dat zou over de 150 weken neerkomen op 1 beschreven gebeurtenis per 3 a 4 weken. 
De vraag die ik me dan stel is hoe Lucas ( maar dat geldt ook voor de andere evangelisten) tot deze selectie is gekomen. Er is toch een groot aantal dagen en weken geweest waarin , neem ik aan, ook veel gebeurd zal zijn , maar die op een of andere manier niet in hun beschrijving terecht zijn gekomen. Op zich is dat geen onvolkomenheid in een eu-angelion; de boodschap, daar gaat het om, en we mogen aannemen dat de evangelisten zich zo goed mogelijk van de taak hebben gekweten om die over te brengen. Daarbij hoort wel de veronderstelling dat ze op enigerlei wijze toegang hebben gehad tot meer reisinformatie dan in de teksten van de evangeliën is opgenomen. 
Het zou voor ons als lezer meer inzicht geven als iets meer bekend zou zijn van de hele voettocht en vooral , welke criteria de evangelisten hebben gebruikt om de selectie te maken om tot hun verwoording van de boodschap te komen. 
Wat Lucas betreft, deze evangelist wil betrouwbaar overkomen en begint het evangelie met een proloog, een verantwoording:
Nadat reeds velen zich tot taak hebben gesteld om verslag te doen van de gebeurtenissen die zich in ons midden hebben voltrokken, en die ons zijn overgeleverd door degenen die vanaf het begin ooggetuigen zijn geweest en dienaren van het Woord zijn geworden, leek het ook mij goed om alles van de aanvang af nauwkeurig na te gaan en deze gebeurtenissen in ordelijke vorm voor u, hooggeachte Theofilus, op schrift te stellen, om u te overtuigen van de betrouwbaarheid van de zaken waarin u onderricht bent.

Een proloog met woorden van deze aard vind je niet bij de andere evangelisten. Het lijkt op een verklaring van betrouwbare waarheidsvinding, een beetje ambtelijk. Vooral de laatste zin:” om u te overtuigen van de betrouwbaarheid van de zaken waarin u ( = Theofilus, de geadresseerde) onderricht bent.” Niet onbelangrijk vind ik bovendien wat er in de eerste zin wordt gezegd; dat er “reeds velen” verslag hebben gedaan van de gebeurtenissen die zich in “ons” midden hebben voltrokken en die “ons” zijn “overgeleverd door degenen die vanaf het begin ooggetuigen zijn geweest”. Er kan verondersteld worden dat hij tijdens het verblijf in Filippi, Caesarea, Rome, en andere plaatsen tijdens de reizen, mensen heeft gesproken die hem verteld hebben wat ze zelf meegemaakt hebben of ook weer doorverteld hebben gekregen. Ik ben niet bekend met vakliteratuur waar op dit punt meer bekend is aan geschreven informatie.
Wetenschappelijk onderzoek wijst wel op een nooit gevonden bron, het zgn. Q-evangelie, waarvan verondersteld wordt, naast het eerder geschreven evangelie van Marcus, bij Lucas en Mattheus een belangrijke rol te hebben gespeeld bij het selecteren en vormen van teksten met betrekking tot het leven van Jezus. Dat er dus een bron is die meer zou kunnen bieden, is dus aannemelijk maar inhoudelijk is dat nog geen aanknopingspunt voor feitelijke informatie buiten wat de evangelisten hebben opgeschreven. 
Ik lees vervolgens een , vanuit theologisch perspectief geschreven, bepaald niet lichtvoetige analyse op dit terrein in het werk van Edward Schillebeeckx (“Jezus, het verhaal van een levende”. 1973 ). Zijn brede en diepgaande studie gaat veel verder dan de vraag die ik hier aan de orde stel, het gaat om de identiteit van Jezus en de boodschap van heil “op de mens bedacht”, zoals hij dit verwoordt. In zijn uitvoerige inleiding komt hij evenwel tot een denkrichting die, al is het geen concrete oplossing van de vraag naar de bronnen, me wel op het spoor zet hoe je tegen het vraagstuk aan kan kijken. Hij schrift in zijn inleiding op blz 55:
“Het geloof verschaft uit zichzelf geen reële, nieuwe feiten; het kan van feiten wel de reële zin geven die aan een louter-historische benadering ontsnapt. Toch maakt de opvatting dat alleen de historische methode de feiten bereikt, onuitgesproken vaak aanspraak op ontologische exclusiviteit. Niet alleen zijn er gebeurtenissen die historisch toegankelijk zijn maar in feite nog niet zijn onderzocht, maar bovendien kan de geschiedeniswetenschap nooit alles achterhalen wat reëel is geschied. ‘Historisch’ noemt men dan al bescheidener: de door bemiddeling van de historische methode vaststelbare gebeurtenissen. Dit betekent, dat alle feitelijke geschiedkunde ‘abstract’ is, d.i. een gedeelte uit reëel verleden uitsnijdt; zij formaliseert en geeft alleen beelden. Zo is de zgn. historische Jezus niet minder een Jezus-beeld dan bv. de Christus der gelovigen. Dit relativeert al de scherpe tegenstelling die er zou bestaan tussen de ‘Jezus van de geschiedenis’ en de ‘Jezus van het geloof’. Via beelden gaan beide terug op de ‘aardse Jezus’.

Maarten, deze tekst verdiept wel mijn inzicht, maar geeft anderzijds nog geen antwoord op de vraag die bij mij blijft hangen. Is er iets te zeggen over het optreden van Jezus in de vele dagen, waarover niets in de evangeliën wordt verteld?

Kees

Maarten antwoordt

Beste Kees,

Je lectuur van Lucas heeft een interessante vraag opgeroepen. Waarom kiezen die evangelisten deze verhalen en geen andere? Ik herinner me dat Frans Breukelman bij de ‘kerstverhalen’ van Matteus en Lucas in een fraaie act uitspeelde hoe die twee evangelisten de vertelstof onderling verdeelden. ‘…dan neem jij het verhaal van de wijzen uit het Oosten en ik neem dat van de herders….’ enzovoort. Hij bracht het zo komisch dat we dubbel lagen van het lachen.

Na de bijzondere zaterdag in de lutherse kerk in Maastricht en na de geslaagde staaroperatie van Greet, ga ik proberen antwoord te geven op je vraag of er meer informatie is over het optreden van Jezus dan de evangeliën bieden en zo ja, welke criteria ze gebruikten om uit dat materiaal te kiezen.  

Het kortste antwoord op de eerste vraag is: er is tot op heden in het archief van de geschiedenis (archeologisch of literair) niets gevonden dat aan Jezus doet denken. Wat dat betreft is de geschiedenis als het lege graf, waarbij de vrouwen te horen krijgen dat hij niet in het verleden te vinden is en dat ze maar beter op weg kunnen gaan naar de toekomst. Dáár zullen ze hem tegenkomen! Erwin Mortier schreef in zijn roman Godenslaap: ‘Niemand kan zich de tijd toe-eigenen, zonder hem in een architectuur van de hoop onder te brengen’ (165). Gedachtig aan die woorden stel ik me voor dat het evangelie is ontworpen met het oog op de toekomst. De herinneringen aan de tijd van Jezus zijn zo in perspectief gezet , dat ze de hoop op een nieuwe wereld voeden. Wie in het gebouw van deze taal binnen komt, wordt meteen in beweging gebracht naar de toekomst toe. 

Maar korte antwoorden zijn nooit afdoende. Natuurlijk blijft die vraag naar meer historische informatie knagen. Helena, de moeder van keizer Constantijn, stond erom bekend dat ze als eerste naar Palestina ging om relieken te vinden, zoals dat bewuste graf of stukken van het kruis. En daarmee is er sinds de vierde eeuw een intensieve zoekactie op gang gebracht naar materiaal uit de tijd van Jezus. Dat ging de hele middeleeuwen door. Tegen de tijd dat deze reliekenverering niet meer geloofwaardig werd geacht, heeft de historische wetenschap de zoektocht overgenomen, zeg maar sinds de Verlichting. Men reconstrueerde de ‘historische Jezus’ en las daarbij het evangelie alsof het een historische roman was. Op de overgang van de 19e naar de 20e eeuw prikte Albert Schweizer deze historische hype door, waarbij hij aantoonde dat elke onderzoeker vond wat hij zocht: een Jezus naar zijn ideaal, een wonder-rabbi of een zwervende filosoof of een revolutionair. Schweizer zelf tekende Jezus als een profeet die het einde der tijden verwachtte, maar die zelf door de raderen van de geschiedenis werd verbrijzeld. Zo ongeveer. Sindsdien leverde het onderzoek naar de historische Jezus – voornamelijk door gebrek aan buitenbijbelse gegevens – steeds minder op. Ik herinner me nog een artikel van een nieuwtestamenticus in de jaren negentig die het portret van de historische Jezus op ironische wijze samenvatte in een honderdwoordentekstje. Geen aanbeveling om er verder wat mee te doen. En onlangs hoorde ik dat Bert Jan Lietaert Peerbolte, nieuwtestamenticus aan de VU, van zijn uitgever de vraag kreeg om een afsluitend overzicht te schrijven over dat oude vraagstuk van de historische Jezus. Dat wordt dus een soort uitvaartdienst voor die tak van wetenschap die op zoek was naar de historische werkelijkheid van Jezus. Het tergende feit blijft dat we geen materiaal over Jezus hebben buiten de tekst van de apostolische geschriften. We hebben niets anders dan die teksten. Dat is het enige historische materiaal dat we in handen kunnen krijgen. Als student heb ik nog eens een symposium meegemaakt waar Karl Barths tachtigste verjaardag gevierd werd. Hij zei bij die gelegenheid: ‘Das Historische sind mir die Texte.’ Uiteraard is de studie van de historische context van die teksten van groot belang voor het verstaan, maar het blijft context. Het levert historisch gesproken geen nieuwe informatie op over het leven van Jezus. We zullen het met die teksten moeten doen – de rest is hypothese, net zoals die Q-bron een hypothese is. Het is tergend. Het is wachten totdat er iets nieuws gevonden wordt,zoiets als de ontdekking van de Qumranrollen in het bergland bij de Dode Zee, of zoals Mieke tijdens haar onderzoek onverwacht een schoenendoos vol materiaal over Ida Simons in handen kreeg. 

Anders is het gesteld met de vraag naar het selectiecriterium dat de evangelisten hanteerden om het mondeling overgeleverde materiaal tot een betrekkelijk kort verhaal te kunnen componeren. Daar is nog steeds heel wat om te doen. Tegenwoordig zoekt men het criterium vooral in de sfeer van de catechese (b.v. voor het onderwijs van aanstaande dopelingen), of met het oog op de liturgie (dus: of de tekst goed voor te dragen is in de samenkomsten van de gemeente) of om een literair drama te scheppen of om actuele geschillen in de gemeente te kunnen oplossen. Toen ik zelf bezig was met de structuur van de evangeliën vielen me de volgende criteria op:

Een goede verteller kiest verhalen die karakteristiek zijn voor de hoofdpersoon. 

Toen de biograaf Plutarchos een korte schets van het leven van Alexander de Grote wilde schrijven, koos hij om te beginnen de scène waarin de jonge Alexander een gevaarlijk en wild paard temde, wat voor hem de beste ruiters tevergeefs hadden geprobeerd. Hij keerde het paard met het hoofd naar de zon, zodat het niet nerveus werd door zijn eigen schaduw. Nadat hij zo het dier tot rust had gebracht, kreeg hij er het gezag over. Dat vond Plutarchos karakteristiek voor de wijze waarop Alexander later de hele de wereld veroverde. |

De evangelisten kiezen verhalen over de karakteristieke ‘weg’ die Jezus gaat.  
|De ‘weg’ is het spoor van die daden en woorden van Jezus, waarin duidelijk wordt waar het om te doen is. Hij gaat de weg van de Joodse Wet en de Profeten op zo’n manier, dat het Rijk van God dichtbij komt. Het verhaal van zijn weg is tegelijk ook het verhaal over zijn leerlingen die hem wetend-onwetend proberen te volgen. Deze ‘weg’ is bedoeld als leerroute voor de gemeente. 

Het karakteristieke zit in de beweging tussen het Joodse volk en de andere volken. 
|
Marcus en Matteus kiezen ervoor om die beweging in één boek samen te vatten. In de eerste helft van het evangelie gaat Jezus de weg vanuit Galilea naar de niet-Joodse volken. In de tweede helft gaat zijn weg vanuit de wereld van de volken naar Jeruzalem. Wanneer je de evangeliën leest en herleest, wordt je opgenomen in een heen en weer gaande beweging, waardoor de afstand tussen de beide werelden van het Joodse volk en de andere volken wordt overbrugd. (Johannes heeft in zijn evangelie deze beweging geïntensiveerd. Het gaat bij hem niet meer om de twee bewegingen, maar om een voortdurende herhaling van de bewegingen)|

|De beide bewegingen hebben elk een begin, een midden en een doel. 

Marcus en Matteus hebben gekozen voor een didactische opzet van hun verhaal. Elk van de beide bewegingen beginnen met de doop met water en met Geest, gaat voort met het onderwijs van Gods rijk en heeft als doel de (tafel)gemeenschap van de volgelingen. Zo worden de leerlingen deelgenoot aan deze bewegingen van Jezus. 
Lucas heeft beide bewegingen ontvlochten en er twee boeken van gemaakt. Het eerste boek (het Evangelie) tekent Jezus’ weg van Galilea naar Jeruzalem en het tweede boek (Handelingen) tekent de weg van de leerlingen van Jeruzalem naar Rome. Zijn selectiecriterium wordt dus wijder: ‘de gebeurtenissen die zich onder ons hebben voltrokken’ (Lucas 1:1) zijn niet alleen de woorden en daden van Jezus, maar ook die van zijn leerlingen die handelen door zijn geestkracht.  

Meer kan ik even niet bedenken, Kees. Je hebt met je aandacht voor Lucas een echte missionaire, op de wijde wereld betrokken evangelist te pakken. 

Tot gauw ziens weer, Maarten 

P.S. In de vorige eeuw hield ik een reeks overdenkingen voor de radio. Daar kwam ook de tekst van Johannes voorbij, waarin gezinspeeld wordt op het selectiecriterium van de verhalen over Jezus. Die meditatie laat ik hier volgen:

Inleiding:

Een levensteken is het bericht dat iemand nog leeft. Een biografie echter verschijnt meestal pas na iemands dood. Van het evangelie van Jezus Christus kan je met recht zeggen dat het een biografie is – want hij heeft geleefd -, maar tegelijk ook een levensteken – want hij leeft. Maar hoe je het ook leest, het is en blijft een boekje met een beperkte omvang. Er komt een eind aan het verhaal. ‘Maar hij leeft toch?’ zeggen de lezers. ‘Er valt dus toch veel meer te vertellen over zijn werk en zijn uitstraling?’ Hier komen de lezers zelf in beeld. Voor ze het weten zijn ze zelf al bezig het vervolg te schrijven. De lezers van gisteren zijn de schrijvers van morgen. 

Johannes 21

‘Jezus heeft nog veel meer gedaan: als al zijn daden, een voor een, opgeschreven zouden worden, zou de wereld, denk ik, te klein zijn voor de boeken die dan geschreven moesten worden.
Met deze woorden rondt Johannes zijn evangelie af. Zijn boek over Jezus is klaar. Maar de beweging van Jezus zelf is dan nog maar pas begonnen. Voor zijn volgelingen begint de geschiedenis nu eerst goed. Een voor een zullen de volgelingen van Jezus dingen beleven waar ze een boek over zouden kunnen schrijven. Ze zullen in hun leven ervaringen opdoen, waarvan ze weten: hier werkt de Geest van Jezus en daar gaat zijn liefde rakelings voorbij, nu gaat zijn woord als een zwaard door ons heen en schroeien we ons aan het vuur van zijn opwinding, maar straks voegt hij ons samen tot één lichaam en leren we elkaar kennen in de ruimte van zijn vrede. Zo’n boek. Het dagboek vol ervaringen die de volgelingen van Jezus op het lijf geschreven worden. Aan het schrijven van zulke boeken komt geen einde! Het evangelie naar Johannes heeft een keer een eind. Aan de verzameling van bijbelboeken wordt een keer een grens gesteld. De bijbelboeken vormen een selectie uit de literatuur over de God van Israël en Jezus, men heeft er een canon van gemaakt en die is min of meer afgesloten. Maar nadat de canon van de bijbelboeken is afgesloten, komt het verhaal van God en zijn volk pas goed op gang. 

We horen regelmatig in de media over die reeks van evangeliën die na de Nieuw Testamentische geschriften zijn ontstaan: het evangelie van Thomas, van Maria en van Judas. En zo zijn er nog wel een stuk of dertig evangeliën in de eerste eeuwen na Christus geschreven. Dat zegt al iets over die onweerstaanbare kracht waarmee het verhaal steeds verder verteld wordt. Dat houd je niet tegen. We grijpen naar documenten van mensen die voor ons hebben geleefd en daar aangrijpend over geschreven hebben. Dat geeft een enorme bemoediging. Maar denk nu eens aan de verhalen die zich vandaag afspelen, verhalen, die misschien niet allemaal opgeschreven hoeven te worden, maar die u wel ter harte gaan en die bij u zelf overweegt of op een rustig ogenblik met een ander deelt. Verhalen over de dingen die u beleeft en waarvan u weet: dát was een moment waarin mij Gods Geest kwam aanwaaien; dát was een ervaring of ik met Christus begraven werd en geen ander uitzicht had dan de opstanding; dát was een moment waarin mijn leven opnieuw begon alsof ik opnieuw geschapen werd. Het evangelie dat op je huid geschreven is. Dan heb je al gauw een bibliotheek bij elkaar. En reken dat eens even uit voor alle mensen van alle tijden. Als je dat allemaal zou opschrijven zou de aarde het inderdaad niet kunnen bevatten. Maar u schrijft het met uw hart en uw bloed en met uw angst en uw tranen, met geestdrift en gejuich, met woede soms en dan ineens weer heerlijk ontspannen. Het zijn de dagboeken die op uw lijf geschreven staan. Zulke boeken. |
|
Nou ja, zegt u, mijn levensverhaal is toch geen evangelie? Nee. Het is gewoon uw leven, een column in de marge van een regionaal dagblad. Maar uw levensverhaal is ook niet zónder evangelie. Ik bedoel: uw levensverhaal is van voren en van achteren omgeven door de grote daden van God. Zijn scheppende en verzoenende en verlossende daden dragen u dag aan dag. En dat tekent uw bestaan, of u zich dat nu bewust bent of niet. Je hoeft er om zo te zeggen niet voor te geloven. Je hoeft alleen maar de gedacht toe te laten en dan zie je het gebeuren

Op een goede dag ben je zo creatief bezig dat je denkt nu lijk ik een beetje op die scheppende kunstenaar in de beginne. 

Of: op een onverwacht moment blijkt u iets te kunnen doen waardoor mensen met elkaar verzoend worden. 

Of: soms krijgt u een klus voor elkaar, waarvan ze zeggen: dat is áf, dat hadden we nu net nodig, dat maakt de zaak rond, je bent fantastisch. En je kijkt verbaasd om je heen. Heb ik dat gedaan? Ik wist niet dat ik het in me had. 

Op die momenten dringt het even tot u door: misschien is dat gewone levensverhaal van mij toch méér dan een anekdote. Misschien is het een verhaal waar de adem van Gods geest door heen gaat. Misschien ben je een mens van God. En als je die gedachte snel wegduwt en denkt: dat kan ik toch niet van me zelf zeggen, dan doe je jezelf te kort. Ja, als je van je zelf denkt: ik ben God. Dan wordt het tijd om je na te laten kijken. Maar laat die eerste en eenvoudige gedachte eens toe: ik ben een mens van God. Op mijn huid staat in fijn schrift de woorden van schepping en verzoening en verlossing geschreven. En niet met hanenpoten de woorden van: ondergang, wraak en vergelding. Zo bent u een verhaal van de levende God en dat laat zich goed lezen.  

Maarften

Beste Maarten.

Allereerst: wat fijn dat de staaroperatie van Greet goed is afgelopen, de nabehandeling met oogdruppels in natuurlijk nog in volle gang. Beter zien scheelt een heleboel gepuzzel.

Dank voor je reactie op mijn vraag. Je bent er (weer) ingedoken en hebt mij geholpen. Het wordt me steeds duidelijker: geschiedenis ligt hoe dan ook vastgenageld, maar jij en ik zijn het die het tot leven brengen. Wij lazen (en bespraken in de leesclub jl Donderdag) Nirwana van Tommy Wieringa, waarin een nooit gevonden dagboek van de 100-jarige (schurk) Adema toch door de auteur/hoofdpersoon hardop wordt voorgelezen. Een literaire vondst (van een boek waar ik overigens war dubbel in rondtoer), maar krijgt door onze gedachtewisseling nieuwe lading. En de evangeliën- (en brieven) van het NT hebben dat dus ook. Ik stel me ook voor dat de in de vroege christelijke gemeenten verhalen over het optreden de ronde deden, die de “pers “niet haalden maar wel hun beeld van Jezus schiepen. Tegelijk lees ik in Schillebeekcx op meerdere plaatsen overeenkomstige gedachten die jij (leesbaarder dan hij) neerschrijft. IK ga er nog even mee door en probeer in eigen woorden dit als een annex op Lucas toe te voegen. 

Dank je wel,

Groet van huis tot huis,

Kees