Hemeltjelief

Hemeltjelief

 

Een gedachtewisseling tussen Maarten den Dulk ( theoloog) en Kees den Dulk econoom), dec. 2017/jan. 2018

 

Kees schreef:

Maarten,

Als er één woord is dat een universele klank heeft, in religieuze en seculiere momenten, op straat, op sportvelden, in woonhuizen en heilige huizen, dan is het wel het woord ‘hemel’. En overal wordt er een betekenis aangehecht die te maken heeft met een locatie dat boven ons zou zijn en waar ‘iets ’is. Wat bij ons bestaan hier en nu en ook in onze voorstelling van de bestemming na het leven hoort, maar tegelijk zo ondoorgrondelijk is als wat dan ook.

Het intrigeerde me waar we de fascinatie voor dat woord op baseren. Het scheppingsverhaal in de bijbel begint er mee: ‘God schiep de hemel en de aarde’. En de traditie heeft dat woord en de gedachte er achter in de loop van de geschiedenis van de mens meegenomen. De betekenis er van (bijv. in schilderijen door de eeuwen heen, de woordspelingen (‘hemeltjelief’) en de rituelen die daar bij horen (omhoog kijken, met vingers omhoog wijzen) is uitgewaaierd over de tijd en over de wereld heen.

Dus ben ik op zoek gegaan naar wat er in ( delen, passages van) de bijbel  te vinden is over ‘Hemel. Mijn leeservaring heb ik hieronder  in woorden opgetekend. Het zijn vragen die dan opkomen. Ik ben geen theoloog, wel geboeid door de bijbelse theologie, jouw vakterrein. Kan jij mij verder helpen bij mijn gedachtevorming?

 

Om te beginnen

De oorsprong van ons bestaan, zoals in Genesis beschreven, is niet terug te filmen, er is geen documentaire van te maken, dat is me heel duidelijk. Niemand was er bij, er is geen overlevering van feitelijkheden. Je zou het erbij kunnen laten om het als een legende weg te zetten bij al die andere scheppingsverhalen in de wereldliteratuur. En daar doe je het Genesisverhaal op zich geen tekort mee. Alleen al het literaire gehalte van die legende, de wijze waarop de auteur(s) zich een begin – schepping genoemd – hebben voorgesteld is zo adembenemend dat het velen en ongetwijfeld ook jou, Maarten, heeft geprikkeld om een tipje van een sluier van een mogelijke andere werkelijkheid dan alleen legende op te lichten. Schepping is voor mij – doorlezend in de vele andere bijbelverhalen – meer en meer een onthulling geworden, een apocalyps in de eigenlijke betekenis van dat woord.

Het scheppingsverhaal begint met woorden die ik als een begintekst van een lied lees: “In het begin schiep God de hemel en de aarde”. Het ritme alleen al! Maar het zijn woorden die ook iets oproepen dat ondoorgrondelijke taal voor mij is. Er zijn slechts woorden, er is nog niets (het lied zegt later “woest en ledig”). Ik zie iets voor me dat lijkt op God spreekt ‘woorden’ die tegelijk ‘daden’ zijn, Hij maakt een begin aan tijd en schept ruimte.

 

Tijd: in de uit het Hebreeuws vertaalde teksten wordt steeds de scheppingsdaad voorafgegaan wordt met de woorden “In het begin…”. Dat is een indrukwekkend beeld, waar je heel precies mee moet leren om te gaan. Begin: is dat iets waar nog niets aan vooraf is gegaan of is het een punt op een al bestaande tijdlijn, of wil de auteur van het verhaal tot uitdrukking brengen dat God de tijd in handen neemt? Ik werd verrast door een studie van drs. Dingena Spreeuwenberg- Lissenburg (Maastricht, 1990), die de Hebreeuwse tekst van Genesis 1:1- 6:8 bijna letterlijk woord voor woord heeft geanalyseerd, mede aan de hand van commentaren uit de joodse en christelijke tradities. De verrassing werd veroorzaakt door de titel van de (gepubliceerde) studie: “In een begin…. “(cursief en vette letter van mij, dD).

Dingena Spreeuwenberg zegt daar in haar eerste hoofdstuk (Genesis 1, blz., 18) dit over:

“Het bijbelboek Genesis begint direct met een nauwelijks te bevatten tekst over de overgang van eeuwigheid – het tijdloze of nog geen dimensie tijd kennende – naar een situatie waarin tijd altijd een rol speelt. Het scheppingsverhaal begint dan ook niet op een bepaald, benoembaar of aanwijsbaar moment. Deze situatie wordt aangeduid met het (Hebreeuwse woord) ‘ bere sjiet’. Dit is misschien wel het meest ingewikkelde woord van Genesis. De veel gehanteerde vertaling ‘in het begin’ schiet tekort omdat daarmee wordt gesuggereerd dat er een aanwijsbaar begin is. Het verdient daarom voorkeur om de eerste woorden te vertalen met ‘in een begin’, ofschoon ‘in beginsel ’de betekenis van het geschrevene nog beter benadert.”

En later schrijft ze (blz..19): “Zelfs met beginnen wordt een begin gemaakt. Er zijn geen andere beginnen aan vooraf gegaan. Men kan niet spreken van “het begin als er nog geen tijd is. Met de schepping ontstaat de tijd. God was er al. Hij is buiten de tijd. In een begin voorafgaande aan alle beginnen maakt God, door te scheppen, een begin in de tijd. “

 

Eenzelfde beeld vind ik bij een van psalmen (102 :25): “ Vṑṑr alle tijden hebt U de aarde gegrondvest, de hemel is het werk van Uw handen.”

Zo word ik bij die eerste woorden meteen al in een andere werkelijkheid gezet. Martinus Nijhoff schreef in ‘Awater’ (1934): “Lees maar, er staat niet wat er staat”. Dat ervaar ik ook zo.

 

 

Daar boven

In diezelfde eerste zin van de bijbel wordt ons vervolgens verteld dat hij zijn schepping ter hand neemt. Hemel en aarde schept hij. Ruimte maken is het eerste wat hij doet nadat hij “een begin” in de tijd heeft gezet. En hij schept afstand voor zichzelf zodat hij beter uitzicht krijgt op wat hij doet, en inzicht, of beter gezegd Wijsheid, alom aanwezig kan zijn.

 

Mijn beeld van het daar genoemde begrip “hemel”, is ten opzichte van de (schijnbare) tegenpool “aarde” in eerste instantie voor mij wat onduidelijk. In het dagelijks gebruik van het woord hemel wordt meestal impliciet gekoppeld aan het beeld dat dat de locatie zou zijn waar God (of het ‘iets’ in het seculiere taalgebruik) zich zou bevinden. En er wordt altijd naar boven gekeken of gewezen om er (verbeeldings-) kracht bij te zetten. Als je evenwel de tekst van het scheppingsverhaal goed volgt, kom je hemel als een woonhuis van God eigenlijk niet tegen.

Wel lees ik dat hemel in oorsprong een naam is die God als scheppingswoord gebruikt:

“God zei: Laat er midden in het water een gewelf komen dat de watermassa’s van elkaar scheidt. God maakte het gewelf en scheidde het water onder het gewelf van het water erboven. Zo gebeurde het. Hij noemde het gewelf hemel. Het werd avond en het werd morgen. De tweede dag.”

 

En in het vervolg van Genesis is het een plaats waar de (miljoenen) sterren zijn, de plaats waar vanuit de engelen opereren en spreken. En ja, God laat vanuit de hemel natuurverschijnselen (regen, zwavel en vuur, dauw) op aarde neerdalen, en ook spreekt hij vanuit de hemel, maar nergens vind ik daar een expliciete aanduiding dat hij er zelf zou ‘wonen’. Dat het van boven komt, daar zijn de teksten wel duidelijk over, maar het wordt vooral verbonden met de natuur, niet met een God die daar huist. Het zijn de engelen die door God ingezet worden om de natuurkrachten vanuit de hemel te laten neerdalen op aarde. En sterker nog, in Genesis 18 (dus na de schepping) wordt in het prachtige verhaal van Jacob verteld dat hij in zijn droom tijdens zijn slaap in de buitenlucht, met stenen als hoofdkussen, wel engelen via een ladder naar en van de hemel ziet op- en afgaan. Maar tegelijk schrijft de auteur van fit verhaal “ook zag hij de Heer bij zich staan”. Hij spreekt dan bij het wakker worden: “Dit is zeker. Op deze plaats is de Heer aanwezig. Dat besefte ik niet “. Eerbied vervulde hem. “Wat een ontzagwekkende plaats is dit, dit is niets anders dan het huis van God, dit moet de poort van de hemel zijn”. God is op die ontzagwekkende plaats op aarde bij Jacob, en die plaats ziet hij al poort naar de hemel. Hemel is daarentegen in Jacob’s beleving wel een bijzondere, ongekende, omgeving, maar, zo ervaar ik die woorden, niet de woonplaats van God. God hoort in dit verhaal bij de aarde.

 

Ik houd me, luisterend naar de scheppingswoorden en Jacob’s ervaring, nog maar op afstand van de opgeheven armen en wijzende vingers in onze cultuur van sporters en gemakkelijke woordgebruikers als het om ‘hemel’ gaat.

 

Door daarentegen nadrukkelijker te letten op de natuur en haar krachten kreeg ik tegelijk meer zicht op het scheppingsverhaal. En daarom waagde ik het erop om de van oudsher gebruikte taal op een paar punten een iets andere duiding te geven:

 

Genesis1/ begin 2 in iets andere bewoordingen.

In een begin schiep God ruimte in het heelal. Het heelal was nog woest en doods en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water. En God schiep afstand, zodat hij zicht had op wat hij schiep en wijsheid kon betrachten.  God zei: Er moet licht komen, en er was licht. God zag dat dat het licht goed was en hij scheidde het licht van de duisternis. Het licht noemde hij dag, de duisternis noemde hij nacht. Het werd avond en het werd morgen. De eerste dag. God zei: Er moet midden in het water een onderdak komen dat de watermassa’s van elkaar scheidt. En zo gebeurde het. God maakte het onderdak en dat scheidde het water eronder van het water erboven. Hij noemde het onderdak het firmament. Het werd avond en het werd morgen. De tweede dag. God zei: Het water onder het firmament moet naar één plaats stromen, zodat er droog land verschijnt. En zo gebeurde het. Het droge noemde hij aarde, het samengestroomde water noemde hij zee. En God zag dat het goed was. God zei: Overal op aarde moet jong groen ontkiemen: zaadvormende planten en allerlei bomen die vrucht dragen met zaad erin. En zo gebeurde het. De aarde bracht jong groen voort: zaadvormende planten en allerlei bomen die vrucht dragen met zaad erin. En God zag dat het goed was. Het werd avond en het werd morgen. De derde dag. God zei: er moeten lichten aan het firmament komen om de nacht te scheiden van de dag. Ze moeten de seizoenen aangeven en de dagen en de jaren en ze moeten dienen als lampen aan het onderdak om licht te geven op aarde. En zo gebeurde het. God maakte de twee grote lichten, het grootste om over de dag te heersen. Het kleinere om over de nacht te heersen, en ook de sterren. Hij plaatste ze aan het firmament om licht te geven op de aarde, om te heersen over de dag en de nacht en om het licht te scheiden van de duisternis. En God zag dat het goed was. Het werd avond en het werd morgen. De vierde dag. God zei: Het water moet wemelen van levende wezens, en boven de aarde, langs het firmament moeten vogels vliegen. En hij schiep ruimte voor de grote zeemonsters en alle soorten levende wezens waarvan het water wemelt en krioelt, en ook alles wat vleugels heeft. En God zag dat het goed was. God zegende met de woorden: Wees vruchtbaar en word talrijk en vul het water van de zee. En ook de vleugels moeten talrijk worden overal op aarde. Het werd avond en het werd morgen. De vijfde dag. God zei: De aarde moet allerlei levende wezens voortbrengen: vee, kruipende dieren en wilde dieren. En zo gebeurde het. God schiep ruimte voor alle soorten in het wild levende dieren, al het vee en alles wat op de aardbodem rondkruipt. En God zag dat het goed was. God zei: laten wij ruimte scheppen voor mensen die ons evenbeeld zijn, die op mij lijken. Zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels aan het onderdak, over het vee, over de hele aarde, en over alles wat daarop rondkruipt. God schiep ruimte voor de mens als zijn evenbeeld. Als evenbeeld van God kreeg hij ruimte, voor mannen en voor vrouwen schiep hij ruimte. Hij zegende hen en zei tegen hen: Wees vruchtbaar en word talrijk. Bevolk de aarde en breng haar onder je gezag, heers over de vissen van de zee, over de vogels aan het firmament en over alle dieren die over de aarde rondkruipen. Ook zei God: Hierbij geef ik jullie alle zaaddragende planten en alle vruchtbomen op aarde, dat zal jullie voedsel zijn. Aan de dieren die in het wild leven, aan de vogels aan het firmament, en aan de levende wezens die op de aarde rondkruipen, geef ik de groene planten tot voedsel. En zo gebeurde het God keek naar alles waar hij in het heelal ruimte voor had geschapen en zag dat het zeer goed was. Het werd avond en het werd morgen. De zesde dag. En God zei: Ik ben die er zijn zal. En hij noemde zijn alomtegenwoordigheid hemel. Zo werd het heelal in alle rijkdom en ruimte voltooid. Op de zevende dag had God zijn werk voltooid. Op die dag rustte hij van het werk dat hij gedaan had. God zegende de zevende dag en verklaarde die heilig, want op die dag rustte hij van heel zijn scheppingswerk.

Mijn vraag is, Maarten: is het verantwoord om zo ons beeld van ‘hemel wat te gaan ‘te ontmythologiseren’.? Ik hecht, merk ik, steeds meer aan een beeld dat ons ‘grond onder de voeten’ geeft. En dat spoort dan ook tegelijk meer met het beeld dat ik van God heb. Naast ons staan, niet boven ons uit tronen. Ik ben me er ter dege van bewust dat er al boekenkasten vol zijn geschreven door theologen over deze begrippen. Ik waag het erop om mijn leken-ervaring daar bescheiden aan toe te voegen.

 

Reactie van Maarten

Beste Kees,

Ik onderstreep in je verhaal met instemming, dat in de Bijbelse voorstelling van Genesis 1 de hemel ‘verdwijnt’, in de zin dat we ons er geen voorstelling van kunnen maken. Het wordt tot de plaats van Gods tegenwoordigheid. Die tegenwoordigheid is dan de plaats waar God tegelijk heel ver weg en zeer nabij is, maar hoe dan ook een plaats waarvan we ons geen voorstelling kunnen maken. Ik denk dat je hiermee de kern van het bijbels ‘hemel’-begrip raakt.

In plaats daarvan dat we een kijkje in de hemel krijgen, gunt Genesis ons een blik op datgene wat de hemel begrenst: die begrenzing van de hemel wordt aangeduid als gewelf. Dat stelde men zich dan soms voor als een firmament (een stevig maaksel) en soms als een uitspansel (een luchtig tentdoek).

De strekking van het scheppingsverhaal is dat God vanuit die verborgen plaats alles doet om aan de mensen de aarde te geven als grond onder de voeten. Daar moet veel aan gebeuren, want het is een chaos op aarde. Maar de aarde is niet geschapen om chaos te zijn (Jesaja 45:18). Het gaat om die grond onder onze voeten. En daar is God dus vanaf het begin mee bezig, zegt Genesis. Dus ook hier is jouw beeld van de grond van het zijn van basaal belang. Laat de theologen maar zeggen wat ze willen. Over de vraag of God zijn scheppingswerk begon met een hoop materiaal, waaruit hij schiep, dan wel schiep ex nihilo, sloegen de theologen elkaar de koppen in. Daar hebben we het nog wel eens over.

Ik volg je herlezing van Genesis 1 met veel herkenning en laat die rijke taal van de eerste bladzij van de Schrift als een verademing toe.

Er valt nog zoveel te bespreken, maar dat komt wel.

 

Op aarde

Kees antwoordde:

Beste Maarten,

Let wel: ik schreef dit voordat jouw boekje (“Voor een nieuw begin”) was verschenen. Als er één verhaal is waarmee wetenschappers en bijbels-gelovigen elkaar de nieren proeven en elkaar zelfs de tent mee uitjagen is dat wel het scheppingsverhaal uit Genesis 1.” God kan geen plaats hebben in de evolutieleer “staat in die discussie lijnrecht tegenover “God schiep de hemel en de aarde “. Ik probeerde voor mijzelf het scheppingsverhaal en het vervolg daarop, met mijn kennis van nu, een andere draai te geven om daarmee een basis te vinden om mijn samenleven met anderen niet te hoeven vertroebelen met die discussie. Dan komt bij mij een beeld op wat ik zo zou willen verwoorden:

God schiep de hemel op aarde. Vanaf de oerknal van de evolutie was God erbij. “Ik-ben-erbij”, dat is de Naam van God geworden. En vanaf dat eerste begin drukt God een stempel op alles wat ontstaat en wat leven heet. Dat stempel is niet zichtbaar, het is een soort watermerk zou je zeggen. God geeft met dat merk alle dingen en schepsels een plaats, en blijft zijn schepping eeuwig trouw, opdat – en dat is geloofstaal – er heil mee kan geschieden. God is geen constructeur van de dingen en de schepsels, is ook niet iemand die aan de touwtjes trekt, de knoppen bedient. Of degene die mensen ziek maakt, ongelukken laat krijgen, in kan grijpen als er iets helemaal uit de hand loopt. Daar kan en moet de wetenschap, de ratio, zich ongehinderd mee kunnen bezighouden. Neen, het is anders. God zet alles en iedereen in de heil-stand. Dat bedoel ik met “God schiep de hemel op aarde”. Maar let wel: de mens is het die de knop kan omzetten, als hij of zij de heil-stand niet ziet zitten. Zie het als een taart die op tafel wordt gezet, met een laag slagroom. De feestvierders eten allemaal van diezelfde taart, alleen er zijn er die de slagroom niet lusten en het er vanaf schrapen. De scheppingsgeschiedenis van “Ik-ben-er-bij” begint er dus mee om alles in die heil-stand te zetten:

  • Tijd, ruimte en afstand in een onmetelijk heelal onderscheiden.
  • Duidelijk maken dat materie in water en vaste vormen wordt onderscheiden.
  • Laten zien dat licht en donker wezenlijk zijn voor onze bioritmen.
  • Groei van bloemen en planten uit de aarde dubbele betekenis toekennen: voor klimaatbehoud enerzijds en als menselijk voedsel anderzijds
  • Dieren op de vaste grond, vogels in de lucht en vissen in het water de dubbele betekenis geven van enerzijds het in standhouden van de levenscyclus op aarde en anderzijds van voedsel voor de mens
  • De mens en zijn medemens de rol geven als team van regisseurs om de zo geschapen heilstand blijvend te onderhouden.
  • Het werk van de mens op vaste tijden een ruststand gunnen, om met elkaar van harte dat heil te vieren.

Zeven stappen dus in die scheppingsgeschiedenis, en wij zeggen dat God bij iedere stap zag “dat het goed was”.

En toen? Gebeurde er wat of geschiedde het? Zijn deze stappen van heil een paradijs op aarde gebleken? God was dan wel buiten alles, wat evolutie was, gebleven (transcendent met een moeilijk woord), maar voelde de dynamiek van wat hij op touw had gezet het beste aan door dicht op de huid van de mens te gaan zitten (evenzeer een moeilijk woord: immanent).: “Ik-ben-er-bij “deed dat door het door hem geschapen heil als een belofte gestand te doen; en deed dat in de vorm van een verbond. En dat voelde de mens in essentie ook zo aan.

Het verhaal begint daarna concretere geschiedenis te worden. Een nomadenvolk in het Midden-Oosten, het volk van Israël (een naam die een man van dat volk, Jacob, later kreeg) die speciale band van de mens met ” Ik-ben-er-bij” heel feitelijk is gaan praktiseren. En dat was soms een feest, maar soms viel de praktijk vies tegen. En voelde de mens zich op de proef gesteld, en keerde ze zich af van het verbond. Om dat beeld van boven te herhalen: de mensen schraapten dan de slagroom van die taart af, dat lustten ze niet. En dan gingen ze hun eigen weg, kregen ze overigens wel ruzie met iedereen en met zichzelf, sloegen ze elkaar de koppen in. Paradise lost. Maar toch kregen bepaalde mensen in dat volk steeds weer de geest om de oorspronkelijke belofte van “Ik- ben-er-bij “als een spiegel aan het volk van Israël voor te houden. Ze zorgden dat er een kist meeging op hun nomadentochten, de “Ark van Noach “, daar werd dat verbond met de tien leefregels in meegedragen. En met klem brachten ze steeds de woorden van “Ik- ben-er-bij “in herinnering. Maar dat was lang niet toereikend. Het bleek nodig dat mannen uit het volk – profeten werden ze genoemd- hun woede over het ontbreken van visie op het heil niet onder stoelen of banken staken. Ze sloegen als het ware met hun vuist op tafel en als het dan stil werd beredeneerden ze zo overtuigend mogelijk dat de mens gebaat is bij de belofte van het heil. En iedere keer stond het volk na zo’n woedende preek op en liepen verder op hun tocht. Vrede werd dan weer de olie van hun samenleving, de energie die de motor van hun leven weer deed draaien. Toen ze zich een tijdlang hadden gesetteld in een land dat ze als een belofte voelden en daar hun leefregels en wetten met vallen en opstaan verder ontwikkelden, kwam er toch weer een kink in de kabel.

Binnen hun volkje was een man, die Jezus heette, in hun ogen moeilijk gaan doen. Hij liep rond in de speciale plaats waar ze “ik-ben-er-bij” eerden en hun offers brachten- de synagoge- nogal betweterig te roeptoeteren, beging het zelfs om synagogegangers op hun vingers te tikken en weg te sturen en dan weer, op sabbat notabene, allerlei gesprekken met andersdenkenden of zieke geesten te voeren, hij liep in de dorpen in het land rond en er kwamen geruchten over wonderen (doodzieke mensen beter maken, water in wijn veranderen, een paar broden en vis omtoveren in een grote hoeveelheid eten). Die mooie rituelen en wetten die ze met elkaar in stand hielden werden ook al door hem bekritiseerd. En – wat erger was- hij verkondigde theorieën over “zijn vader” God. Er was volgens hem nu al een koninkrijk aangebroken. Het paradijs op aarde voor iedereen, waarover de profeten hadden gesproken als einde van de tijd, zou er volgens die Jezus nu al zijn. En hij verzamelde meelopers om hem heen die hem door dik en door dun verdedigden. Maar wat er feitelijk ook gebeurde: veel volk kwam bij elkaar als hij in de buurt was, luisterde naar hem en liet zich dopen, dat laatste als een verwijzing naar het watermerk. Heil van God kreeg voor hen ineens weer een concrete inhoud, en voelde aan als op de mens bedacht. De gevestigde orde dacht daar anders over: “Zo’n profeet hebben we niet nodig, die fase in het bestaan van ons uitverkoren volkje hebben we allang achter ons gelaten. Weg met die man, en we kunnen daarbij de hulp van de Romeinen, die geen nieuwe koning in hun keizerrijk zouden tolereren, best gebruiken”. De schepping leek in elkaar te donderen, Jezus werd uit de weg geruimd, zijn beweging in de kiem gesmoord. “Ik ben-er bij ” was, bij wijze van spreken, even niet “immanent”. Opstaan en verder lopen was geen optie meer? Bij de pakken, het graf, neer blijven zitten? Wel, het vervolg van het scheppingsverhaal is bijna niet na te vertellen, zo wonderlijk is dat. “Ik-ben-er-bij ” is toch op de huid van de mensen blijven zitten. Mensenleven bleek niet kapot te krijgen, er is altijd een Ander die – al lijkt die begraven- jou toch blijft aanspreken. En dat betekent in feite dat het heil van de schepping ten diepste mede-menselijkheid is. Voor en door iedereen. Dat is door een heleboel volk op aarde zo begrepen en dat volk trekt door.

Terugkomend op het begin: God schiep een hemel op aarde. En dat bedoel ik ook zo; er is niet een hemel en een aarde, als volkomen gescheiden werelden. Neen. God blijft ons met zijn heil op de huid zitten. Maar dat mag niet leiden tot een heil-loze discussie. Als je het toefje slagroom niet lust: even goede vrienden, schrap het er af. Maar laten we alsjeblieft als medemensen met elkaar taart blijven eten.

 

Maarten reageerde: 

Nadat ik het boekje (“Voor een nieuw begin”) heb verstuurd, heb ik je overweging met vrucht gelezen, Kees. Ik herken de sporen waarlangs jij Genesis 1 leest. Wat ik in je verhaal onderstreep: Het scheppingsverhaal legt niet uit hoe alles in elkaar zit. Het zegt dat God ons inprent om van deze aarde geen rotzooi te maken, maar dat we voor heil moeten zorgen. We worden betrokken in Gods beweging vanuit de hemel op aarde. Voor heil zorgen heeft te maken met: onderscheid maken, zodat er tijd en ruimte en licht en voedsel en rust komt. De garantie voor de toekomst is de belofte van God, het verbond. Zonder dat geen toekomst. En de profeten herinneren het volk steeds opnieuw aan de risico’s die de vergeetachtigheid met zich meebrengt. Wanneer Jezus roept dat het heil, Gods rijk, dichtbij is gekomen, is de reactie van het volk: dat maken we zelf wel uit. Wij zijn Gods rijk. Dat zet de zaak op scherp. Het is mooi dat je zo in het kort deze ‘belijdenis’ hebt kunnen schrijven. Alles zit erin. Ik ben benieuwd in hoeverre je die lijnen in mijn boekje terugvindt. Sommige dingen zijn weer wat anders geformuleerd. Zo zet ik hemel en aarde niet op elkaar, maar tegenover elkaar: om juist daardoor de ontmoeting mogelijk te maken. Hemel en aarde moeten ook

‘onderscheiden’ worden, zodat er een eigen ruimte voor de mens komt. Maar in de grond herken ik wat je bedoelt. Het gaat om die beweging van God met ons. Ik hoop dat je gezondheid en energie iedere dag een beetje beter worden. Moge het einde van dit jaar beter zijn dan het begin!

Maarten

 

Woonplaats of werkplaats

Kees reageerde:

Beste Maarten.

Jouw boek: Lezen heb ik het gedaan en ik lees het nu nog een keer. Wat een rijke boom met vruchten, en je verbiedt me niet om te plukken maar om er mee te werken. Ik voel me een beetje als Adam…. Er zoemde in mijn studietijd in Rotterdam het verhaal rond van een student die bij een hoogleraar aan huis tentamen deed. Bij binnenkomst zei hij, om een goede start te willen maken: `Wat heeft u hier een prachtig uitzicht (over de Maas) “. Waarop professor zei: ” Jawel, maar het gaat vanmiddag vooral om uw inzicht”. Maarten, je gunt mij het pracht-uitzicht dat ik door de vensters van jouw boek op de schepping krijg. Ik voel me tegelijk door jou aangespoord om te leren, inzicht te verwerven en daarmee aan de slag te gaan. Je biedt dat uitzicht en inzicht door de lezer te oriënteren op een horizon van “samen”- leven. Daar zijn wij voor geschapen, zo lees ik dit boek. En de drieslag “onderscheid maken “, ” leren leven” en “geschiedenis maken” maken de werkplekken “Hemel en aarde”, Paradijs”, en ” Zondvloed/ ark” daarbij helder. Dank je wel. Ik begin een beetje te leren en heb (voorlopig) een paar aantekeningen gemaakt:

  • Je geeft het maken van onderscheid bij het begin van de schepping meteen al de functie om ruimte te scheppen zodat eenzaamheid geen kans hoeft te krijgen. Daarbij is – na het maken van licht – het aanbrengen van een gewelf het agendapunt van de tweede dag. Dan komt er tenminste plaats voor alles wat moet gaan samenwerken. En in de Bijbeltekst staat dan “Hij noemde het gewelf hemel “. Jij brengt daar dat herkenbare beeld van “onderdak” binnen.
  • Ik ben in de bijbelverhalen wat verder op zoek gegaan om dat begrip hemel voor mijzelf nog wat duidelijkheid te verschaffen. Ik schreef daar al eerder iets over. Is dat dagelijks taalgebruik van het woord “hemel” als een lokatiebestemming voor God werkelijk zo terug te vinden. In Genesis, in het scheppingsverhaal en daarna, heb ik geen aanwijzing daarvan gevonden. Het eerste moment waarop de Bijbel expliciet zegt dat God in de hemel woont, verschijnt – voor zover ik na kon gaan – dus niet in Genesis, maar pas veel later: aan het eind van de Thora, in Deuteronomium 26:15, waar Mozes het volk van Israël – aan het eind van zijn onderricht over de leefregels, waarvoor hij op de Horeb de taal van God heeft gehoord- leert bidden: “Hee, zie vanuit uw heilige woning in de hemel neer en schenk uw volk Israël en het land dat U ons hebt gegeven uw zegen, zoals U onze voorouders hebt gezworen; zegen dit land van melk en honing.’

 

Een zoekprogramma leert mij dat het daarna in de bijbel een steeds vaster motief wordt. Als eerste in 1 Koningen 8:30. Maar daar word ik gelijk op een dubbelspoor gezet. Salomo bidt bij het gereedkomen van de bouw van de tempel: “Zou God werkelijk op aarde kunnen wonen? Zelfs de hoogste hemel kan u niet bevatten, laat staan dit huis dat voor ik U heb gebouwd. Heer, mijn God, hoor het smeekgebed van uw dienaar aan en luister naar de verzuchtingen die ik vandaag tot U richt. Wees dag en nacht waakzaam op wat er gebeurt in deze tempel, de plaats waarvan U zelf hebt gezegd dat daar Uw naam zal wonen, en verhoor het gebed dat naar deze tempel richt. Luister naar de smeekbeden die uw dienaar en uw volk naar deze tempel richten, luister naar ons vanuit de hemel, uw woonplaats, luister en schenk ons vergeving. En in deze bede herhaalt Salomo vele malen de woorden “Luister dan vanuit de hemel, uw woonplaats”. Het antwoord van God op deze bede van Salomo (1 Koningen 9: 3) luidt dan: “Ik heb het smeekgebed wat je tot mij gericht hebt, gehoord. Ik heb de tempel die je gebouwd hebt tot heilige plaats gemaakt om er voor altijd mijn naam te laten wonen.”

Hier wordt voor mij een bijzondere opening geboden. Salomo vraagt zich af, of God wel op aarde kan wonen. Kan een tempel, ook zoals de hoogste hemel, eigenlijk God wel “bevatten”. En hij schakelt in die twijfel dan over naar de gedachte (die God kennelijk al eerder heeft verwoord) dat in de tempel de naam van God zal wonen en bidt vervolgens “luister dan vanuit de hemel, uw woonplaats “. Maar dan signaleer ik in het daaropvolgende antwoord van God iets bijzonders: de tempel maakt hij tot heilige plaats, waarin altijd zijn naam zal wonen.

 

Ik hoor daarin een statement: “Jullie moeten mij niet vastpinnen als een persoon op een bepaalde plaats. Er zullen heilige plaatsen op aarde (tempels, kerkplekken) gebouwd worden waar ik zal zijn in de gestalte van mijn naam, die jullie als Woord aanroepen waar jullie mee aan de slag kunnen gaan met heilsdaden. Maar ik bestempel de hemel niet, zoals jullie wel doen “als mijn woonplaats”.

Ik besef me dat dit een uitleg is die veel meer theologische onderbouwing nodig heeft, en die kan ik als niet – theoloog niet geven. Maar de woorden die hier staan zouden mij op deze wijze helpen om met het begrip hemel om te kunnen gaan.

  • In de ca 750 plaatsen in de hele bijbel waar de hemel wordt genoemd wordt inderdaad na die Mozes-woorden in Deuteronomium hemel als woning wel steeds meer genoemd. Lees bijvoorbeeld Psalm 33:13–14 – “De HEER kijkt vanuit de hemel… vanuit zijn woning ziet Hij de mensen.” En ook: Jesaja 63:15 – “Kijk neer uit de hemel, uit uw heilige en luisterrijke woning.” Een zeer grote nadruk en bijzondere betekenis krijgt de hemel in het laatste bijbelboek, de Openbaringen, of beter gezegd, de Onthullingen. Daar wordt, separaat van deze tekst  in een ander essay, ook een gedachtewisseling tussen ons, dieper op ingegaan.

 

  • Mijn voorzichtige idee is: zou je er niet van uit mogen gaan dat alles buiten de aarde in al die eerste eeuwen van ons menszijn nog een volledig ongrijpbare en niet te definiëren gebied was? En dat het daarom wel begrijpelijk was om daar God een plek te geven? En dat houden we – in mijn optie helaas- nog steeds vol. met het gevolg dat we blijven spreken over “God daarboven” en dat daar ook makkelijk een beeldvorming kan blijven bestaan van de god die alles van boven bestiert, touwtjes in handen heeft? Ik veroorloof me om de termen “hemel en aarde” met onze huidige natuurwetenschappelijke kennis te vertalen als “heelal en aarde” en er geen religieuze betekenis aan geven. God zie ik liever als degene die – nadat hij alles een plek en betekenis heeft gegeven- het geschapene in zijn handen legt en houdt. Daarin is hij transcendent aanwezig. God zit tegelijk dicht op de huid van de mens (immanent) en vraagt om antwoord op zijn verbond.

Maarten, wees overtuigd ervan dat ik jou er geheel niet van beticht dat jij in antieke termen van die locatie “hemel” spreekt. Maar het vervolg van het scheppingsverhaal en het huidige gesprek met de evolutie- wetenschap is naar mijn mening gebaat bij een ondubbelzinnig begrip van “dat daarboven “ons.

 

 

Maarten reageerde:

Beste Kees,

Er is veel te doen over de beeldvorming van hemel en aarde. En ik herken wat je daarover zegt. Het is een lastig probleem. Jij hebt daar een weg in gevonden en ik kan me daar wel iets bij voorstellen. Mijn eigen inzicht geef ik voor beter. Ik weet zelf lang niet alle in- en uitgangen in deze discussie en kan alleen maar zeggen wat mij tot nu gegeven is om te begrijpen. Ik laat de werkingsgeschiedenis van die beeldvorming in 2000 jaar christendom, jodendom en hellenistische filosofie maar even voor wat het is en beperk me tot wat ik hoor in de taal van de Hebreeuwse bijbel. In de Wet en de Profeten en de Geschriften van de Joodse traditie wordt bij voorkeur niet gesproken over één kosmos, waarin de goddelijke en de menselijke wereld begrepen wordt en die we allebei met een beetje moeite zouden kunnen kennen. Er wordt nu juist met nadruk onderscheiden gesproken over de ‘hemel’ en over de ‘aarde’. Waarom? Het zijn beelden en gelijkenissen van de werkelijkheid waarin we leven. Maar wat zeggen deze beelden en gelijkenissen? De meest programmatische uitspraak vind ik in Psalm 115:16 ‘De hemel is de hemel van de HEER, de aarde heeft hij aan de mensen gegeven.’ De ‘aarde’ is daarbij gedacht als onze werkelijkheid, de hele werkelijkheid die mensen kunnen verkennen. Dus niet alleen de bol waarop we wonen, maar ook het heelal dat we steeds beter leren kennen en dat zich toch weer steeds verder uitdijt. Overal waar we kunnen komen met onze ogen en handen en voeten en met ons verstand en met onze apparatuur en ons onderzoek, dat alles heet ‘aarde’. De ‘aarde’ is de hele werkelijkheid die aan de mensen is gegeven om te onderzoeken, te bewerken en te bewonen. We hebben eigenlijk nog maar een klein deeltje van die ‘aarde’ leren kennen en er ligt nog ontzaglijk veel te wachten op exploratie. Maar heel die ‘aarde’ is aan de mens gegeven. De ‘hemel’ is die werkelijkheid die voor ons ontoegankelijk is. Het is een werkelijkheid die door ons met geen technische en wetenschappelijke en spirituele mogelijkheid kan worden ontsloten. De ‘hemel’ staat voor al datgene wat voor ons volstrekt verborgen is. Het gaat dus niet alleen om de ‘hemel boven’ ons, maar om elke werkelijkheid, waar ook, die voor ons per definitie ontoegankelijk is. De Bijbelse taal wil dat deze voor ons verborgen werkelijkheid de plaats is van ‘God’. God is dus geen onderdeel van de aarde, waar we hem als een voorwerp zouden kunnen vinden en onderzoeken. Integendeel, hij woont ‘in een ontoegankelijk licht’ (1 Timoteus 6:16). Als we hem ontmoeten, is dat omdat hij zich zelf te kennen geeft. Hij doorbreekt daarbij zelf zijn verborgenheid, waar en wanneer hij dat zelf wil. Openbaring veronderstelt volstrekte verborgenheid. En die verborgenheid noemen we dan ‘hemel’. Door zo te spreken over de ‘hemel’ als de geheimzinnige partner van de ‘aarde’, bewaart de Bijbelse taal het geheim van de ontmoeting. Echte ontmoeting wordt getekend door de verrassing dat een geheel ander wezen vanuit zijn wereld in jouw wereld binnenkomt. Je kan het geheim van die ander niet forceren en in je macht krijgen. Je kan de ander alleen leren kennen doordat die zich zelf aan jou te kennen geeft. Dat geldt voor de ontmoeting van God en mens. En dat geldt – mutatis mutandis – voor de ontmoeting van mens en mens. Deze metaforiek van ‘hemel’ en ‘aarde’ helpt mij dus om het geheim van de ontmoeting (van de één en de ander) te bewaren. Als je alles zou herleiden tot één werkelijkheid, dan sluit je de werkelijkheid van de ander uit of je dwingt de ander om zich aan te passen aan jouw werkelijkheid. Echte ontmoeting vraagt om respect voor de vreemde en onbekende werkelijkheid van de ander en voor de verrassing dat de ander zich slechts vanuit zich zelf te kennen geeft. Deze taalduiding roept op zichzelf weer nieuwe vragen op. Iets voor een volgende ronde.

 

Kees reageerde:

Maarten,

Als ik mijn vraag nog eens goed herlees, is de essentie ervan: is het eigenlijk wel zo verhelderend om “hemel” uit het Scheppingsverhaal van Genesis in onze huidige tijd te blijven typeren als een locatie voor God en de engelen. Ook omdat er in Genesis het beeld van een gewelf (jouw veel mooiere begrip “Onderdak”) aan toegevoegd wordt. Waarom ik dit oproep: omdat het naar mijn smaak nog steeds een nogal antieke beeldvorming bevestigt van een God die boven ons te vinden is en van daaruit zijn schepping bestiert. Eeuwenlang, namelijk in de tijden dat natuurwetenschap nog geen idee had wat zich buiten onze aarde afspeelde, gold dat de aarde een plat vlak was, en dan moet er uiteraard daar iets “boven” zijn. En het begrip hemel, diffuus geworden en misschien wel verward met nog onbekende ruimten in de kosmos, heeft zich daarna vastgezet en is hardnekkig mee blijven liften in ons mens- en wereldbeeld. Wij noemen de kosmos – incl. de aarde – in onze huidige tijd heelal. Het is logisch dat de wetenschap in de discussie, vooral na de Verlichting een makkie had om zich tegen zo’n God (sbeeld) af te zetten.

De vraag is dan wel wanneer in de geschiedenis van de mens natuurwetenschappelijke kennis over het heelal is gaan ontstaan.

 

(Wikipedia: Astronomie is waarschijnlijk de eerste wetenschap die door de mensheid beoefend werd. Vrijwel alle oude volkeren hebben zich beziggehouden met het beschrijven van de bewegingen van de sterren, omdat dat heel belangrijk was voor navigatie en landbouw. Om de sterren te herkennen werd de hemel vaak opgedeeld in sterrenbeelden.)

Indien in de oud- testamentische tijd (toen ook het scheppingsverhaal is geschreven) die kennis nog niet ontwikkeld was, is het aannemelijk dat – wat wij nu het fysieke heelal noemen- de mens in die tijd het als “hemel” benoemden; de plaats waar God zijn plaats had.

En vervolgens: Welke praktische grenzen zag God aan dat heelal? Dat is, zoals jij al formuleerde,  dat wat gewelf genoemd wordt. Echter ik denk dat er in de beeldvorming van eeuwen her daar toen een religieuze, mythologische betekenis aan is gegeven en dan laat de schrijver God dat gewelf “hemel” noemen. En door het platte vlak van de aarde was die hemel “ergens daarboven”. En dat woord gebruikte hij toen ook voor die eerst zijn van het Genesis-verhaal. Daar was toen niets mis mee. Nu na het voortschrijdend inzicht van de evolutie-kennis is dat gewelf datgene wat wij – en ik weet er nu geen beter woord voor- firmament noemen. Geen mythologie, en dus geen “hemel”, maar een voor alle mensen, gelovigen en niet-gelovigen, hanteerbaar begrip.

Daarna gaat God aan de slag met de werken van zijn hand. In het dagritme en met de vooruitziende blijk zoals jij, Maarten, dat in jouw boek zo weergaloos beschrijft.

Hier aangekomen heb ik op één cruciaal punt evenwel een onduidelijkheid gecreëerd: waar is de hemel dan gebleven in verbinding met God’s aanwezigheid ? Heelal en Firmament had den in mijn redenatie een streep gehaald door een mythologisch hemel-begrip. En in het vervolg na Genesis 1 kan je de Genesistekst, steeds waar hemel gebruikt wordt heel vaak vervangen door firmament; probeer maar. Bijv.7:11 :

In het zeshonderdste jaar van Noachs leven, op de zeventiende dag van de tweede maand, braken alle bronnen van de machtige oervloed open en werden de sluizen van het firmament opengezet. 

Ik lees door in Genesis. Hfdstk  21 en 22: het verhaal van Hagar, die door God’s aanwijzende woorden water voor haar zoon (verwekt door Abraham) vindt en even later dat van Abraham die door God wordt weerhouden zijn zoon (met Sara) Isaak te offeren. En dqn lees ik dat daar voor het eerst in Genesis gesproken wordt van (21:17): een engel van God riep Hagar vanuit de hemel toe: Wat is er Hagar… ? en in 22”11: “Maar een engel van de Heer riep vanuit de hemel: “Abraham, Abraham….” en in 22: Toen sprak der engel van der Heer opnieuw vanuit de hemel tot Abraham…”. En God gaat na die boodschappen aan de slag.

In alle drie deze teksten kan er ondubbelzinnig geen sprake meer zijn van heelal of firmament. Hier wordt volgens mij voor het eerst het woord hemel verbonden met een locatie van waaruit God wordt gedacht zijn werk te doen. En waar engelen zijn die vandaaruit spreken. God wordt in die bijbelteksten dus gezien als iemand die in een werkplaats – al dan niet met hulp van engelen- handelend optreedt. En dat vanuit een positie die, zoals jij ook zegt, alomtegenwoordig genoemd kan worden. En dan kies ik met jou er voor om het woord hemel te lezen als “alomtegenwoordig”.  En hij draagt daarbij het heelal in zijn handen en “laat niet af het werk zijner handen”. Daarboven of daaronder is me dan te beperkend. Zeer betekenisvol wordt dan voor mij ook de aanduiding die hij zelf gebruikt (voor het eerst in Exodus 3:14: “Toen antwoordde God hem: ‘Ik ben die er zijn zal.”.  Een naam die bij zijn alomtegenwoordigheid past.

 

Grond van het bestaan

Reactie Maarten

Ik spin door op je zinnige reflecties, Kees.

In de tweede helft van de vorige eeuw (die eigenlijk nog altijd onze eeuw is) was het Paul Tillich die sprak over God als de grond van het bestaan, bedoeld als correctie op het traditionele beeld van een persoonlijk God ‘daarboven’. Dat werkte een tijdlang goed, maar je hoort er nu minder over. Het was waarschijnlijk een te onpersoonlijk beeld. Het beeld dat jij eraan toevoegt, dat van de dragende handen, is weer veel warmer en persoonlijker.

Ik vermoed dat daarnaast de metaforiek van ‘boven en beneden’ nooit helemaal uit onze gedachten zal raken. Het heeft oude mythische wortels (de antieke mensenwereld kent een bovenwereld met actieve goden een onderwereld waar de dood heerst), het heeft ook psychologische wortels (op de ‘zolderverdieping’ berg je de herinneringen en in de ‘kelder’ verdwijnen de dingen die je vergeet of verdringt). Die ‘verdiepingen’ zijn als het ware in onze geest ingeslepen.

De kunst zal zijn om met die metaforiek te spelen. Ik vind dat dat zo aardig in de psalmentaal gebeurt. Een mooi voorbeeld is Psalm 113:5,6,7. Daar wordt verteld, dat God zeer hoog zit om vandaaruit zeer goed in de diepte te kunnen kijken en te kunnen zien hoe mensen daar vernederd en ont-recht worden. Zijn keuze om hoog te zitten is dus strategisch! Vandaar grijpt hij in, en tilt de vernederde mens op en geeft hem een betere, hogere positie. In het vroegmiddeleeuwse psalter, het Utrechts psalter, is die handeling van God schitterend uitgebeeld in een miniatuur, bij psalm 12:9. Normaal wordt God of Christus afgebeeld in een zgn. mandorla (een amandelvormig cartouche), waarbij op de aardbol zit. Ditmaal, zegt de psalm, staat God op om de armen op tijd te kunnen redden van hun ondergang. De tekenaar beeldt dat uit door God te laten opspringen van de aardbol en met een vaart uit de mandorla te rennen om op tijd bij die armen daar beneden te kunnen zijn. Ik vond deze tekening in E. van den Brink, Van Romeins tot Romaans. Kunstgeschiedenis van Europa van 200 tot 1200 (Meinema 2000). En via google moet het ook mogelijk zijn de miniaturen van het Utrechts Psalter zelf op te zoeken.

Ineens herinner ik me dat ik in mijn heel, heel oude boek Heren van de praxis (1996) een hoofdstuk wijdde aan de engelenleer van Karl Barth. Daar gaf ik een korte samenvatting van wat Barth zegt over hemel en aarde (blz. 94,95). Misschien vind je het leuk om iets van Barth’s uitspraken (in mijn woorden samengevat) te lezen:

Gedenk de onderscheiding van ‘hemel’ en ‘aarde’.

Wij zijn geneigd gemakkelijk te vergeten, dat het wereldgebeuren méér is dan wat er op aarde gebeurt. Wij zijn geneigd te denken dat het wereldgebeuren opgaat in het ons bekende en toegankelijke, aardse gebeuren. Wij vergeten dan dat het zich ook voltrekt op een ander niveau, het ‘hemelse’ gebeuren, dat wil zeggen het gebeuren dat voor ons ontoegankelijk en verborgen is, maar dat wel tot de geschapen werkelijkheid behoort en dat geheel en al op het aardse gebeuren is betrokken. Wij moeten er steeds opnieuw aan herinnerd worden, dat leven op aarde zich afspeelt onder de hemel en wel onder de bestemming van de hemel. Versta de strekking van de bede: ‘Uw wil geschiede zoals in de hemel, zo ook op aarde.’

Het hemelse gebeuren heeft geen zin in zich zelf. Het wordt door God ingezet om op aarde geschiedenis te maken. God heeft zijn plaats in de hemel gekozen om zich vandaaruit op te maken en recht te doen op de aarde. De hemel en al wat daarin is, volgt God in zijn beweging. Waar God is, daar doet de hemel dienst. Gods regering, Gods rijk, brengt de hemel in beweging, verandert haar structuur, ‘scheurt de hemel open’ en brengt aldus de hemel bij de aarde. De krachten van die hemelse wereld die voor ons principieel onzichtbaar zijn nemen dan gestalte aan en grijpen in in ons aardse gebeuren. Zij worden dan tot reële factoren in onze geschiedenis. Maar in onze geschiedenis zijn zij dan wel te onderscheiden als vreemde, onbegrijpelijke factoren.

Enzovoort, enzovoort.

 

Reactie Kees:

Maarten, je wijst op de betekenis die Tillich geeft aan God als “grond van het bestaan” en je geeft aan dat dat beeld niet meer gebruikt wordt (te onpersoonlijk)

Ikzelf heb dit beeld hoog staan. Mijn bundeltje met levensverhalen indertijd gaf ik zeer bewust de titel mee: “Grond onder je voeten”. Mijn verwoording van mijn geloof aan het eind van dat bundeltje: Geloven is lopen met allebei mijn voeten op de grond. Beter gezegd: met grond onder mijn voeten. Ik geloof in de grond die-er- altijd- is (en is wie wij God noemen). Ook het Onze Vader, waarvan ik onlangs in mijn gebeden-reeksje een eigen bewoording meegaf, laat ik beginnen met: “Onze vader, Grond onder onze-voeten, die-er-altijd-is””

En wat je dan verder schrijft in “Heren van de Praxis”:

Hier raak je voor mij een essentieel punt, namelijk waar je zegt: “Gods regering, Gods rijk, brengt de hemel in beweging, verandert haar structuur, “scheurt de hemel open “en brengt aldus de hemel bij de aarde …”en wat er op volgt. Ik zie er verwantschap in met wat ik in mijn allereerste tekst in deze discussie inbracht “God schiep een hemel op aarde”. Dat spoorde toen niet helemaal met jouw beeld van de hemel. Maar in jouw tekst in Heren van de praxis komt de hemel toch weer wat dichter op onze huid. En zo dekt het ook zeker mijn bedoeling van toen..

Jij schrijft: “De kunst zal zijn om met die metaforiek te spelen”. Ik vind dat dat zo aardig in de psalmentaal gebeurt. Een mooi voorbeeld is Psalm 113:5,6,7. Daar wordt verteld, dat God zeer hoog zit om vandaaruit zeer goed in de diepte te kunnen kijken en te kunnen zien hoe mensen daar vernederd en ont-recht worden. Zijn keuze om hoog te zitten is dus strategisch enz……”

Zo’n beeld is letterlijk “ Aan-grijpend”: God tilt de vernederde mens op en geeft hem een betere, hogere positie. Zo kan het lezen van bijbelteksten, om in jouw termen te blijven, een spel met de metaforiek worden. En ik neem dan op mijn beurt ook de vrijheid om dat spel mee te spelen. Ik kom dan – en dat is onze gedachtewisseling op dit punt- met een kanteling in het hoog/laag beeld. Hier en daar vorige bewoordingen herhalend pak ik een volgende verhaallijn in Genesis op. IK ben benieuwd hoe je daar tegen aan kijkt.

God zag vanaf (“in”) het begin de oervloed, die er was en dat is wat wij nu heelal noemen. In Genesis1: hemel en aarde samen. Hemel is, zoals ik er nu over denk, op die plaats in de bijbel: het samenstel van sterren en planeten buiten de aarde. Vroeger hadden we daar een mooi woord voor uitspansel. (NB God heeft de hemel als aanduiding voor zijn positie, toch niet geschapen of een plaats gegeven, want waar was hij dan voor de schepping?). Dat heelal is tegelijk datgene waarmee de evolutie en de natuurwetenschappelijke werkelijkheid mee aan de slag gaan.

In ` Het Heilig Vuur “citeert Frits de Lange een stelling van …Heiner Mühlmann….: “Hoe ontstaat transcendentie? Die ontstaat door de miskenning van het langzame…:”Hij doelt daar in algemene zin op denkprocessen die leiden tot ”… een leer van de plotselinge schepping naar Gods wil (die) immuun (maakt) voor de nieuwe wetenschappen van het langzame, zichzelf organiserende worden”. Dat is wel een beetje veel voor wat ik hier bedoel, maar het zet mij wel op het spoor van de verleidelijke comfort zone waarin religie ons vaak wil laten zitten.

Dan heb ik meer aan wat Berkhof In “Christelijk Geloof” [1] formuleert:

“Gewoonlijk wordt in verband met de engelen ook gesproken over de hemel. Dat woord heeft in de bijbel drie onderscheiden, maar in elkaar vloeiende betekenissen: 1. Het zichtbare hemelgewelf met zijn sterren; 2. Een hogere geschapen, aan onze waarneming onttrokken werkelijkheid, waarin god geprezen en gediend wordt; 3, de sfeer, de ruimte van Gods wezen zelf. In ons verband gaat het om de tweede betekenis…… Het woord ‘hemel’ behoort tot de beeldspraak van het geloof, tot een taal zonder nauwkeurig aan te duiden verwijst naar werkelijke maar schemerachtige verten die opdoemen als wij God ontmoeten”

En dat, Maarten, stemt geheel overeen met wat jij mij in je laatste reactie schreef:

“De ‘hemel’ staat voor al datgene wat voor ons volstrekt verborgen is. Het gaat dus niet om de ‘hemel boven’ ons, maar om elke werkelijkheid, waar ook, die voor ons per definitie ontoegankelijk is. De bijbelse taal wil dat in deze voor ons verborgen werkelijkheid plaats is voor God. God is dus geen onderdeel van de aarde, in die zin dat we hem daar als een feitelijk subject zouden kunnen vinden en ontmoeten. Integendeel, hij woont ‘in een ontoegankelijk licht’ (1 Timoteus 6:16). Als we hem ontmoeten, is dat omdat hij zichzelf te kennen geeft. Hij doorbreekt daarbij zelf zijn verborgenheid, waar en wanneer hij dat zelf wil. Openbaring veronderstelt volstrekte verborgenheid. En die verborgenheid noemen we dan ‘hemel’.

Dus we zijn het eigenlijk geheel eens op dit punt. Dank voor je stimulerende reactie.

 

De kansel uit de kerk?

Ik zou er, gezien ook wat ik boven schreef, toch wel een consequentie aan willen verbinden. Beeldvorming kan hardnekkig zijn; in taal en teken en verkondiging is voortschrijdend inzicht niet verboden, toch? De consequentie die ik me probeer voor te stellen omvat bijvoorbeeld:

  • Het zou een wetenschappelijke onderbouwing waard zijn om een nieuwe inhoud en taal voor het begrip hemel te schetsen, waarin het exclusieve “hierboven “wordt uitgebannen. Is er misschien allang goed onderzoek gedaan naar de Hebreeuwse/ Aramese context van het woord “al-janna” (goed gespeld?)? Dat zou een heleboel voorwerk schelen. Daar is dan een nieuwe blik op jou Onderdak ook van toepassing wellicht.
  • In de liturgie zijn er veel woorden en gebaren die “van boven” aanduiden, daar moet je ook over na denken of daar niet iets aan te doen is, zonder de echte betekenis ervan te ondermijnen. Denk aan de zegen aan het einde van de vieringen. De handen worden veelal opgeheven en er wordt mee uitgedrukt dat “de zegen van boven komt”. Is daar een ander gebaar voor te vinden? Zie het eind van mijn verhaal hieronder.
  • De preekstoel is in veel nieuwe kerken al niet meer aanwezig of wordt niet meer gebruikt als nadrukkelijke plaats waarvan het Woord van boven af wordt verkondigd. Hoe zou een Sint Jan in Maastricht, de Westerkerk in Amsterdam, de Kloosterkerk in den Haag er uitzien zonder een kansel?
  • En kunnen we die prachtige kunstwerken van kansels misschien een gezamenlijke plaats gaan geven in een kerk die niet meer gebruikt wordt? En dan die kansels daar gaan gebruiken om muzikanten, zangers, woordkunstenaars een bijzondere plaats te geven in hun optreden? Zou de Pieterskerk in Leiden een “Nieuwe Kanselarij” kunnen worden?
  • Maar … absoluut geen nieuwe beeldenstorm!!
  • Nee, ik denk aan een nieuw beeld: Zegenende handen waarin de hele schepping – het heelal – geborgen is. En waar wij mensen “grond onder de voeten “door hebben gekregen. Dus meer onder dan over ons heen. Je kan  je er voor een kerk, op het liturgisch centrum, een pracht kunstwerk voor bedenken. Aan de ene kant het doopvont, aan de andere kant de zegenende handen “onder ons”. Zoals ik ook die handen bij de eind-zegen bedoelde. En waar de dopeling bij een doop en de (kist met) overledene bij een uitvaart tussen staan.

Ik vond op Internet – zie hieronder- een treffende afbeelding, zoals ik het bedoel. En ik dacht   daarbij aan Jesaja 49: 14-16: “Ik heb je in mijn handpalm gegrift”. Deze tekst leg ik uit als belofte (een moeder zal toch ook haar kind niet vergeten, en, zo zij het ook doet… ik vergeet jou nooit. Ik heb je in mijn handpalmen gegrift,

.). En daar zie ik het beeld bij van de handen van God waarin de gehele schepping geborgen is. Ook zie ik het als een belofte van een plaats die de mens heeft bij God ook na zijn overlijden. “Gegrift”, niet weg te denken dus, je komt weer terug waar God je bij jouw begin een plaats heeft gegeven

Daarop aansluitend nog dit:

Van een gemeentelid kreeg ik dit gedicht toegestuurd. Het verraste me zeer door de herkenning aan de beelden in onze gedachtewisseling over ” hemel en aarde “. Ik vind het een indringende tekst, met als een kern voor mij de versregel ” De hemel is alom tegenwoordig …” Wyslawa Szymborska (Poolse dichteres, 1923-2012.het in Wikipedia opgenomen levensverhaal intrigeert me en ik hoop meer van haar te kunnen gaan lezen. ik wilde het je niet onthouden.

 

HEMEL

Hiermee had ik moeten beginnen: de hemel.

Een raam zonder vensterbank, kozijn of ruiten.

Een opening en niets daarbuiten, maar wijd open.

Ik hoef niet te wachten op een heldere nacht,

noch mijn hoofd achterover te buigen, om de hemel te bezien.

Hij is achter de rug, bij de hand en op de oogleden.

De hemel omwindt me strak en tilt me op.

Zelfs de hoogste bergen zijn niet dichter bij de hemel dan de diepste dalen.

Op geen enkele plaats is meer hemel dan op enig andere.

De hemel drukt even absoluut op een wolk als op een graf.

De mol kan zich even hemels voelen als de uil die zijn vleugels wiekt.

Een ding dat in de afgrond valt valt van de hemel in de hemel.

Korrelige en rotsachtige, vloeibare, vlammende en vluchtige lappen hemel,

kruimels hemel, vlagen hemel, stapels.

De hemel is alom tegenwoordig zelfs in het onderhuidse duister.

Ik eet hemel, scheid hemel uit.

Ik ben een val in een val, een bewoonde bewoner, een omhelsde omhelzing een vraag in antwoord op een vraag.

De verdeling in hemel en aarde is geen geschikte manier

om aan dit geheel te denken. Ik kan er alleen mee overleven

op een preciezer adres dat sneller is te vinden,

mocht ik worden gezocht.

Mijn bijzonder kenmerken zijn geestdrift en vertwijfeling.

                                           Wyslawa Szymborska.

 

Maarten reageert:

Szymborska is een dichteres die woorden vindt om iets te zeggen waar ik met mijn eigen taal niet bij kom. In dit geval de hemel dus. Een waardevol gedicht, Kees. Je zal het meer in de poëzie en de beeldende kunst moeten zoeken dan in de dogmatiek.

 

 

 

 

Tot slot schrijft Kees:

Maarten,

Hier aangekomen stop ik . Mijn bespiegelingen gaan eigenlijk veel verder dan ik gedacht had. Veel te ver wellicht. Want je zal terecht vragen: O, ja, vind je dat, en wat ga je er nu mee doen? En dan blijft het aan mijn kant stil. Een hemelbestorming uit laten lopen in een oproep om de bijbel te gaan herschrijven? Volledig misplaatst, die teksten zijn er en moeten – zo dicht mogelijk bij de bron – blijven zoals ze zijn. Interpretaties zijn in gesprekken zoals die van ons , nuttig en wellicht verhelderend. Dat is al mooi genoeg.

Wel blijft er een verlangen om, zoals ik helemaal in het begin van onze discussie schreef, een zo goed onderbouwd en scherp geformuleerd beeld van “Schepping” in onze ( kerkelijke en niet kerkelijke) omgeving voor ogen te houden. Daar heb jij met je boek wezenlijk aan bij gedragen.

Mijn gedachten over het aspect “hemel” heb ik daaraan kunnen toevoegen. Dank je wel /

 

Kees den Dulk, Januari 2018

 

 

 

[1] dr. H. Berkhof, Callenbach, Nijkerk, 1973, Hfdst De Schepping, pag. 187