
Hoe gaat dat dan, gedichten maken, hoe ga ik te werk. Wel, het is voor een deel een natuurlijk proces. Ik bedoel daarmee, het is geen georganiseerd fabricageproces, zo van om negen uur achter je bureau/ pc en dan een aantal werkuren en een mooie tekst maken. Het loopt anders, en het begint op onverwachte momenten, heel vaak ’s nachts, als je wat ligt te mijneren. Er valt een woord, een paar samenhangende woorden, een zin bij me binnen. Waarvan ik denk, daar kan ( moet?) ik wat mee. Die woorden schrijf ik op een papiertje; dat is vooral’s nachts heel handig want anders ben je ze de volgende ochtend gegarandeerd kwijt. Voorbeeld: ik vond op een ochtend een krabbel terug : kinderen zwieren door de lucht. Dat komt dan bij mij binnen als een beeld van een dynamiek van vrijheid enerzijds en een beetje zorgelijke angst anderzijds. Daar ga ik dan op een moment als ik er zin in heb en tijd voor kan nemen, mee aan het werk, zet het in een soort kader( in dit geval werd het kermis), en schrijf zinnen en regels. Leg het weg en breng het later weer onder mijn aandacht. Dan wordt het iets spannender, want om er een gedicht van te maken moet ik kiezen voor ritme, al dan niet rijm en vrije of vaste versvorm. Natuurlijk ook lengte, maar het einde krijgt meestal werkende weg wel haar beslag. De keuzes die ik heb gemaakt geven daarna aanleiding tot een langer proces van slijpen en schrappen, meerdere malen weer opnieuw beginnen, en zo nog meer “ boetseerwerk”.
De “ zwierende “ kinderen zijn uiteindelijk zo in dit gedicht terechtgekomen:
Kermis
Kinderen zwieren door de lucht
bij hoog en bij laag verzekerd
door vasthoudendheid.
De achtbaan raakt niet aan de grond.
Toezichtkijkers houden hun adem in.
Wanneer de gierende angst de bodem
heeft bereikt, stopt de sirene.
Uitstappen voor een suikerspin
Dus hier geen rijm , geen vast versvorm , wel ritme in de doorlopende zinnen en regels.
Een rijmgedicht met vaste regellengtes per strofe heb ik zeer recent gemaakt. Het heeft me hoofdbrekens gekost, dat is zeker. En de vraag is of het een gedicht is wat beklijft. Het gaat om
Keerpunt
Hij schiet zijn doel voorbij,
op eigen horizon gericht.
Geen baken keert zijn tij,
zijn duister geeft geen zicht.
Storm keert zijn drijfveer om.
Hij koerst op onbekend en strandt
-zonder signaal waarom-
op leegten van nieuw land,
waar door een hoog gerucht
zijn verte in verlangen keert,
dat hem van wind en lucht,
van hemel en van aarde leert.
Zijn ogen krijgen rust
voor tekens die nu woorden zijn
van nieuwe taal. Gekust
door zon laaft hij zich aan de wijn.
Mijn sterke punt – en dat hoor ik vaak in reacties- is het oproepen van beelden met zo weinig mogelijk woorden. En daarbij woorden in onverdachte en onverwachte betekenis een plaats geven waardoor de beeldvorming nog meer kracht krijgt. Tegelijk is dat ook een valkuil: een te compacte tekst kan tot onbegrepen taal leiden. Aan de andere kant van deze schaal staat de langere vorm van de tekst. Dat pas ik enkele malen ook toe. Daar kruipt dan wel eens de verhalende vorm ( “parlando”in kennerskringen) naar binnen. Om de kracht van poezie te behouden probeer ik dan tezoeken naar een structuur van (groepen van) strofen die elk een eigen betekenis hebben; je zou ze los van elkaar moeten kunnen lezen. Het lukt me zeker niet altijd. Ik vond het wel sterk terug in “ Spel van de wilde Jacht”van Gerrit Achterberg. En Wislawa Scymborska weet op annavolgbare wijze langere gedichten te maken waar het parlando geen of nauwelijks een rol speelt. Het is een uitdaging om daar in de komende tijd aan te gaan werken.
Er ontbreekt in de beoordeling van literatuur, en zeker ook in de poezie, zelden of nooit de maatstaf van het al dan niet aanwezig zijn van ( verdiepende ) lagen. Teksten in “platte” taal worden op hun best welwillend gelezen, maar snel aan de kant geschoven. Voor schrijvers en dichters een taak om daaraan te ontkomen. Je moet een zekere passie hebben voor het onthullen van meerdere werkelijkheden in het menselijk bestaan en taal is daarvoor uitermate geschikt. Dat is mooi gezegd, zal je zeggen, maar ik heb met scha en schande geleerd dat het tegelijk een valkuil is. Verschillende, op zich voor de hand liggende, lagen ( in- en uitzoomen van situaties, perspectieven, actoren, aspecten op aaneensluitende niveaus) kunnen al tot chaos leiden als er geen duidelijk verband in wordt aangebracht. En, dat verband kan te maken hebben met de filosofie of levenshouding van de schrijver/ dichter. Dan is er een verdieping aan de orde waar ik zelf niet aan ontkom, zo merk ik. Dat is mijn ( protestants-) christelijke achtergrond . Er is niet veel voor nodig om daarmee slordig om te gaan. Een makkelijk sausje over de taal heen leggen, archaisch taalgebruik toepassen van waar je vroeger mee werd grootgebracht, moralisme als slotakkoord zijn dan gewillige ingredienten. In de erste aanloop ( de Proeftuin-serie) in mijn dicht-periode had ik nog redelijk veel neiging om me vaak te bedienen van – overigens niet al te zalvende – “gods”aanduidingen. In de daaropvolgende periode begon ik daar kritisch naar te kijken. En dacht wat meer na over wat ik met mijn passie op dit gebied nu precies wilde doen. Als het uitsluitend een religieus ritueel dient, als ik dat tenminste goed herken, laat ik het achterwege. Wanneer ik verwijzingen naar basistonen van geloof een essentiele bijdrage nodig heb, dan zoek ik naar de taal die daarbij hoort. Denk aan humaniteit, hoop, verlangen. En daar komt de valkuil op de proppen. Want als ik te nadrukkelijk termen ga vermijden ( God, Jezus, bijbelse vertellingen) om maar niet te christelijk over te komen , maar tegelijk deze verwijzingen wel zo bedoel, dan ius de taal niet transparant en zal de lezer in verwarring raken. Ook op dit punt zal ik in de komende periode op moeten letten om een goede balans te vinden.
Een voorbeeld van een gedicht waar levenshouding, in mijn taalgebruik doorklinkt, nadrukkelijk maar niet verhuld, is het gedicht dat in 2018 als eerst werd gepubliceerd in een lokale gedichtenbundel:
Syrië
Kind was ik, keek om me heen en zag de beelden
waarover elders in de wereld werd geschreven
dat het verschrikking en de hel op aarde was.
Ik zag mijn dode moeder, zocht tevergeefs haar hand,
er lagen stapels stenen waarin ik gisteren nog speelde.
Er klonk geluid, dat ik pas later zou verstaan.
Nu lees ik mijn geschiedenis, bevrijd. Maar scherp
voel ik de pijn van kinderen die zinloos lijden,
van volken op de vlucht, en ik weet zeker: ik zal het doorvertellen zolang ik leven heb.
Ik bid, o God, dat als een leven wordt ontkend, er
naar “uw wil in hemel en op aarde” even geen oren zijn.
Ik hoor uw woorden van bevrijding en
zal daarover steeds verhalen.
Tenslotte,
Ik ben zeer dankbaar dat deze passie mij in mijn latere levensfase is overkomen, dat ik lieve en professionele mensen in mijn omgeving heb die mij voor valkuilen behoeden en mij verder op weg helpen. Ik ga nog maar even door. Het bevalt me.
Kees den Dulk, Valkenburg aan de Geul
16-11-2021