6 gedichten en een kort verhaal
Dagelijks brood
Hij weet zeker het komt terug
boerenland verguld met oogst,
vader op zoon die de hemel
op regen afturen, de aarde de kost geven,
erf na erf in de slagschaduw van generaties bomen, gegrond
op eeuwen natuur.
Hij weet zeker er is te weinig
verstand van zaken om te blijven
optellen en vermenigvuldigen,
om olie te gooien op het heilig vuur van meer winst dan verlies,
om staande te blijven
op roosters die onderscheid
tussen shit en gezeik suggereren.
Hij leest er komt geen huis
meer bij als hordes verdediging
door de straten trekken en
niemand meer weet hoe
de vlag er bij hangt.
Tij knaagt aan de halflege schuren
van onbereikte akkoorden.
Of er regen onderweg is
blijft een gebed zonder einde.
Eldershuis
Doorgewinterd ruist de lente
nieuwe taal,
echoot zon door de straatjes met
versgeschropte stoeptegels
en nauwkeurig beschreven
naambordjes van dorpshelden,
dominees en vroegere koningskinderen.
Door een vergeten bril
brengt zij in het Eldershuis
met een hovaardig hoofdknikje
de wereld van toen inspecterend,
haar ingebeelde verleden op orde.
In de zaal van ontvangst
keert de werkelijkheid van de verschroeide aarde
en van het tekort aan puinruimers en het
dorre land en de namen van onbekenden
onverrichterzake haar de rug toe.
Aanschijn licht over haar,
wakkert haar blik,
wijst haar de weg naar de lente
van morgen.
Tegen het eind
Jij, tegenspeler,
bent goed voor één optreden
per voorstelling , zonder toneelkoorts,
als een gordijnknecht, om jou en
mij uit het zicht te houden.
In alle stilte verlaat ik het toneel
zonder open doekje,
we gaan uit elkaar
zonder plichtplegingen.
In de recensies lees ik dat jij
als spelbederver magistreert
in het te grabbel gooien van mijn naam.
ik geef de regie uit handen,
het leven in de foyer breekt los.
In de zak van mijn regenjas
in de garderobe, een kladje,
Aanwijzingen voor het scenario.
Biografie
Overlevering buigt langs braamstruiken
met Ingelijste kinderhandjes in opgeborgen verleden.
Achterover val ik in de zandsporen van
waar ik nets meer van weten kan, zeggen ze.
Oorlog begint altijd met zwart, droge keel en
waarheid over leugens die je nooit te weten komt.
Je bent volwassen geworden zeggen ze
door de ingeslepen vouwen op tijd glad te strijken.
Doorbladerend volgt een leegte langs
een tijdpad waar ik strepen van zonlicht
denk te weten, ontspoord raak
in domineestermen en trappistenbier.
Niemand zegt er iets van behalve
de treinconducteur die mijn chip
afveegt aan zijn mouw en vraagt waar
mijn vruchtbomen groeien. Het wordt tijd
om zelf iets op te gaan schrijven.
Zaaigoed
Als machines hun werk doen
zakt het zaaigoed weg
tussen de aardkloten.
Kaarsrechte voren vermijden lichtzinnigheid.
Jouw blote handen graven
kernwoorden terug
om elkaar te verstaan bij het oogsten.
Houd vol, ik zie je wonden wel,
volbrengen schept
meer leven dan je denkt.
Tussen je nagels blijft het spoor hangen
van de weg die ik naar je wil afleggen.
God, leer mij onderweg
de taal van de zaaier,
dat zou voor een dichter
een hoop woorden schelen.
Toneelspel
Bij een gescheurd doek tussen de sponningen
en verveloos hout van de dorpels
en de schorre hoest van de man met de hond
speelt de vrouw met het lijf van de gezegende,
met armen die de last boven de zorgen heffen
wijn schenkt en soep deelt en de schuur open houdt.
Teksten dalen rauw de ruimte in uit een leeggehaalde hemel,
God wordt meegezongen, vult de vermoeide longen
met ragfijne tonen van figuranten uit den hoge.
De man en de vrouw proosten achter gesloten gordijnen
op het leven na het applaus. De recensent schrijft
ze laten een gebroken spiegel zien, een heel grote prestatie.
Geschiedenis van mensen, in taal van poëzie.
De oerchaos bracht menselijke wezens voort, ieder met een eigen belang, en brokstukken materie. Een beeldhouwer schiep daaruit mensen die oog voor elkaar zouden hebben en hij schiep schoonheid.
Sindsdien stonden pijn en liefde elkaar naar het leven.
De beeldhouwer hield zijn schepping in de gaten. “Blijf in mijn buurt “, zei hij tegen de mensen, “ ik wijs je de weg”. “ Wie ben jij dan wel” , vroegen mensen die in hun pijn gevangen bleven ,“ wij hebben toch een eigen systeem ?” “ Ben je dan nooit bang om te vallen ? ”, antwoordde de beeldhouwer, “ een wegwijzer zal je van pas komen”.
Er waren ook mensen, die meegeluisterd hadden, die samen op weg gingen. Ze hielden elkaar vast, voelden pijn en vloekten bij het struikelen en vroegen: “Waarom?” De beeldhouwer deelde gepolijste stenen uit en zei:” Leg ze onderweg neer, spreek woorden die ik je zal leren. Vertrouw er op, ik blijf met je”.
De mens knielde bij iedere plek, waar hij een steen legde, en sprak de woorden als een gebed uit :
” Dat het zo moge zijn”.
Zo kwam de geschiedenis van mensen in beeld.