3 GEDICHTEN EN EN KORT VERHAAL
Terugkomen
Ze zit stil op de rand van de stoep voor ons huis, jouw moeder,
ruimte alom, molen als steun in de rug.
Ze ademt de lucht van haar leven; rivieren en polders
wonnen bij haar altijd al van straten en pleinen.
Ze geeft passanten een blik van herkenning
en groet als kwamen ze eerder voorbij. Heel in de verte
hoort ze geluiden van vroeger en zingt ze vergeten teksten mee.
Vogel in vlucht scheert dagelijks langs haar heen,
pikt haar gedachten op.
Onzeker voelt ze de zon in schemer vergaan
en vraagt ze aan jou: waar gaat mijn weg eigenlijk heen?
Later, haar woorden waren verstorven,
kwam, op de stoep, de duif als vanouds weer terug.
Bracht haar bestemming aan jou in beeld.
Ambacht (Een kort verhaal)
Zij begint te bikken, laat de beitel met forse hamertikken ketsen en splitten in een brok steen, de ruwte gaat ze te lijf. Ze gooit haar werkplunje los, neemt een paar meter afstand. Ze vraagt zich af wat het verschil maakt. Begint weer toe te slaan, geen kras is toeval, ze geeft haar eigen diepte aan. Ademt ritme. Ze levert geen product af, scheppen is doen.
Vroom komt binnen. Ze kijkt om, je moet uitkijken waar je loopt zegt ze, er liggen kalksteenresten. Hij zet zich op een blok. Weet ik toch zegt hij er is hier altijd wel wat. Als jij komt zegt ze is het hier direct gedoe, breng de volgende keer toch stilte mee.
Hij zingt tegen haar stem in. Hij voelt de galm in de werkplaats als conflictstof opwaaien. Het gaat niet goed weet hij. Ambachtslieden verstaan elkaar slecht. Een kop koffie zet hij klaar voor allebei. Daarna zijn alleen haar handen aan het werk. Je geeft niet op denkt hij.
Zonder iets te zeggen scheurt hij papier in kleine vormen die op kinderen lijken. Hoe maak ik onschuld is voor Vroom een punt, hij geeft niet op als het niet lukt. De vloer ruimt zich niet vanzelf op, de afstand tot haar is bezaaid met goede bedoelingen. Ze geeft geen krimp, ze denkt ik was toch het eerst begonnen. Zij weet het zeker, ik heb niemand nodig, scheppen is onderscheid maken, daar ga ik zelf over, vindt ze.
Als Vroom buiten staat, vindt hij de tijd. Hij stopt er vragen in, loopt het pad uit. Laat ik me uit het veld slaan. Ben ik niet verzekerd tegen haar natuur?
De weg opent mogelijkheden om de stadsgrens over te gaan. Een staketsel verroest ijzer verspert voorlopig nog de doorgang. Noem het kunst denkt hij, een sculptuur trekt meer aandacht. Hij trekt een blad los, en nog een en nog een, zet zich met kracht uit zijn schouders en bovenbenen schrap en brengt vorm aan. Loopt weg, komt dan weer dichterbij, zet de boel omhoog zodat hij oog in oog staat.
De weg terug naar het begin gaat nu niet lukken denkt hij, mijn handen staan er nog niet naar. De stad is een open einde waar straatstenen ritme in het roekeloze brengen. Geef je toch over, zegt Vroom hardop tegen zichzelf, roept ‘vriend’ naar de muzikant die zijn tonen in wijnglazen schenkt. Hij laat zijn masker vallen om verleiding met feestvierders te delen.
De ochtend komt als geroepen. Vroom heeft een doorstart nodig. Hij loopt straten in en uit, op en af, vergaapt zich aan kleurkleren die moeders voor de optochtkinderen eigenhandig maken. Vraagt of hij wat resten van stof kan krijgen. Inspiratie doet wonderen weet hij uit ervaring.
De stad wordt geroemd om muziek aangewaaid uit stambomen van organisten en andere musici. Vroom loopt langs de geschiedenis, geeft zijn oren de kost. Dan is het dat een vrouw zijn aandacht trekt in de kerkbanken. Ze heeft haar doek omgeslagen zoals bij een gebeeldhouwde piëta, zo droomt hij haar. Ze vouwt haar handen ineen, laat klanktaal opstijgen in de ruimte, waar geen einde aan lijkt te komen. Vroom ziet dat ze een kleine, ruwe steen bij zich draagt. Uit de zak van haar werkjas steekt een beitel.
Als hun ogen elkaar vinden is hij stil. Ik heb je gezocht zegt ze. Mijn naam is Ander. Het is de kunst om er samen iets van te maken.
eeuwigheid
als vroeg nog moet beginnen
in de zomernacht
als het eerste licht het geluid
opvangt van de aanslag
van de vogel
uit het niets vandaan
als ongerepte ruimte zich voordoet om
stap voor stap te oefenen
krijgen mensen hun zin
zij zien de ochtend komen
en een dag en nog een dag en
zo voort en zo voort
als ze niet uitkijken
haalt hun tijd de eeuwigheid in.
World without end
Leven vraagt of er morgen zal zijn. Het wordt tijd
om op te ruimen wat hier rondslingert
waarmee ik opgezadeld ben,
waarmee ik mijzelf wijs heb gemaakt.
Het wordt tijd om plaats te maken
voor wat jij van mij wilt behouden.
Het wordt tijd om aan berichten te werken
zonder rouwranden. Jij licht mij bij.
Ik observeer mijn lijf, omgevallen.
Achter blijft verleden tijd
met een inscriptie, uitgehakt in steen.
Ik vraag, nu de tijd er nog is,
Is hierna
een eindpunt of
loopt de weg verder.
Ik vraag is er onderweg een atelier
waar mijn handen niet nodig zijn,
bijvoorbeeld een glasblazerij
met adem die altijd al voorhanden was,
met woorden als vurige kooltjes
die er altijd al waren.
De wens is uitgesproken.
Tegen de ochtend geven we
elkaar een knipoog.